Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886
Part 11
Buiten de poort van Hoei begint wat men zou kunnen noemen de industrieele Maas, die zich tot Luik uitstrekt. Wij komen hier weer in het duistere rijk der vlammen en rookwolken; als ge des nachts, in een ratelenden trein gezeten, deze akelige streek doorvliegt, dan schijnen de reusachtige, wanstaltige fabrieken met haar helder verlichte vensters en haar wijd geopende poorten, waaruit de roode gloed u tegenstraalt, spookachtige kathedralen, len feest toebereid. En ja, daar wordt een cultus gevierd, waarbij het gesnuif en geloei en geknars der machines de tonen van het orgel vervangt; de priesters, die het zwarte altaar bedienen, zijn half ontkleede, ruw uitziende mannen, in wier baard en verwarde hairlokken vonken en roetvlokken schuilen; de reusachtige schoorsteenen, die roode vlammen braken, schijnen monsterachtige kandelabers, ontstoken ter eere van den god dezer eeuw, den god Millioen, den verachtelijksten van alle valsche goden. Corphalie, Flône, Engis kleuren achtereenvolgens den horizon met hun rooden gloed; verder gapen de brandende purperroode muilen van de glasblazerijen en steenkolenmijnen in den Val Saint-Bénoit; eindelijk begroet u Seraing met den ratelenden donder en de vlammende bliksemvuren zijner pletterijen en hoogovens: een gordel van vuur omknelt de rivier; het is u als stondt ge te midden van een vlammen brakenden vulkaan.
Evenals in de vreeselijke streek van Marchiennes, Couillet, Marcinelle en Châtelet--dien kring van een hel, waarvan Dante nooit gedroomd heeft--wordt ook hier het merg en bloed der menschen verteerd door den eeuwigdurenden arbeid zonder rust of verademing. Honderden en duizenden doorwroeten de ingewanden der aarde, om de steenkool en het metaal daaruit te voorschijn te brengen, stoken de ovens, waarin die metalen gesmolten worden, zwoegen en werken zonder ophouden in fabrieken en werkplaatsen, arbeidende en worstelende, dag aan dag, jaar aan jaar, tot eindelijk hunne kracht is verteerd en zij neerzinken om te sterven. Noodlottige Sisyphus-arbeid, die ook elders vóór den tijd den rug krommen doet en--erger nog--in het gemoed des volks het duister besef wekt van een onontkoombaar noodlot, een somberen vloek, die op de schare rust en geslachten bij geslachten verplettert.
Niet waar, ge zult het mij niet ten kwade duiden, dat ik u niet rondvoere door die werkplaatsen en fabrieken, die zeker ook haar aantrekkelijke zijde hebben en waar de menschelijke vindingrijkheid en de menschelijke wetenschap ongetwijfeld schoone triomfen vieren, maar die toch bij sommigen--waaronder ik mij gaarne reken--in de eerste plaats een gevoel van onverwinlijken afkeer, van huivering en schrik verwekken. Wij zullen deze tempels van den afgod Millioen niet bezoeken, noch die in den Val Saint-Lambert, waar de geschonden gebouwen van de oude eerwaardige abdij vernederd en ontwijd zijn tot eene glasblazerij, noch die van Seraing met hun hoogovens en gieterijen en pletterijen en wat niet al meer: een Tartarus, dien ge in een halven dag ter nauwernood vluchtig doorloopen kunt.
Maar van Seraing en den stichter der ontzagwekkende industrieele inrichting aldaar, mogen wij toch niet geheel zwijgen.
Wie van de prins-bisschoppen van Luik, die eeuwenlang, in hun bekoorlijk buitenverblijf te Seraing al de liefelijkheden van het kalme landleven, muziek en weelde en stille droomerij, genoten;--wie hunner had ooit kunnen vermoeden dat de lachende villa, met haar lommerrijke tuinen, haar zorgvuldig geschoren hagen, haar geheimzinnige bosschages, haar grotten en waterwerken, op zekeren dag zou omgeschapen worden in deze duistere, vlammende spelonk, wemelende van eene gansche bevolking van gnomen en kobolden, die zoowel in het volle zonlicht als in de duisternis onophoudelijk het goud te voorschijn halen uit het gloeiende metaal? Voorwaar, hij was meer dan een gewoon man, een soort van Napoleon op industrieel gebied, die John Cockerill, die op zekeren dag van het jaar 1817 te Seraing voet aan wal zette, vergezeld van een staf van ingenieurs, Engelschen als hij. Binnen tien jaren had zich de roep van zijne stichting door geheel Europa verbreid. Telkens werden nieuwe inrichtingen bij de bestaande gevoegd. In 1823 werd de groote smederij met wat daartoe behoort gebouwd; drie jaren later waren de verschillende ovens, de pletterijen en machines van de ijzerfabriek voltooid en in werking gebracht; de kolenmijn Henri-Guillaume volgde met eene exploitatie op tot dusver nog onbekende schaal; eindelijk werd in 1828 de eerste met cokes gestookte hoogoven aangelegd die het vaste land zag verrijzen. Elke nieuwe onderneming was een nieuwe zegepraal. Ongelukkig brak, te midden van al deze werkzaamheid, een hevige crisis, de omwenteling van 1830, uit, die den arbeid tot stilstand doemde; ondanks een zeer aanmerkelijk actief scheen schorsing der betaling onvermijdelijk. John Cockerill stierf te Warschau, misschien gedood door de gedachte dat zijne stichting ten ondergang was gedoemd.
Toch ging zijn werk niet onder: eene naamlooze vennootschap nam, met aanzienlijk kapitaal, de inrichting over en hield haar aan den gang niet slechts, maar breidde haar nog meer uit. Het ontzaggelijke etablissement bezit tegenwoordig vijf hoogovens, eene ijzersmelterij, die in drie hallen is verdeeld; veertig smeltovens; twaalf pletterijen, eene staalgieterij naar het stelsel van Bessemer, met al wat er toebehoort, constructie-werkplaatsen enz.; eindelijk een scheepstimmerwerf met alle daarbij behoorende inrichtingen: deze laatste bevindt zich echter niet aan de oevers van de Maas, maar aan die van de Schelde, te Hoboken, bij Antwerpen.
Deze opsomming, hoe onvolledig ook nog, wekt reeds verbazing; onwillekeurig opent zich voor onze verbeelding eene voorstelling van iets onmetelijks, een industrieel Babylon. Denk een oogenblik aan de honderden bruggen, die hier zijn gemaakt en alom over de rivieren en stroomen gelegd; aan de transatlantische stoomschepen, de booten en lokomotieven, geweldige leviathans, die hier hunne vleugelen en hunne longen kregen en die sedert, naar de vier winden uitgezonden, door den stoom bezield, land en zee doorploegen in ijlende vaart. En die vuurdraken komen niet een voor een uit dezen loeienden Tartarus te voorschijn: neen, bij gansche drommen, bij vloten en karavanen. Binnen den tijd van acht jaren werden vijfhonderd-drie-en-tachtig stoommachines, twee-honderd-zes lokomotieven, negen-en-zeventig stoombooten, twee monitors van honderd-tachtig paardenkrachten elk, met daarbij behoorende torens, affuiten, pompen en al het verdere materieel, ongeveer een dertigtal barges, lichtschepen, loodsvaartuigen en baggermachines alleen aan de russische regeering afgeleverd.
De fabriek verandert zich dan in een arsenaal; de gloeiende adem van den oorlog doet hare ovens vlammen en hare raderen wentelen: al het vernuft en al het genie der moderne industrie stelt zich in de dienst van dood en vernieling. Maar ook de vrede zet de reusachtige inrichting aan het werk: de eerste lokomotief en de eerste spoorstaven werden in 1835 door Seraing afgeleverd; en drie-en-twintig jaren later levert dezelfde fabriek het ontzaggelijke materieel, benoodigd voor het boren van den tunnel door den Mont-Cénis. Maak u nu, zoo ge kunt, eene voorstelling van de drukte en beweging, van het eeuwige rumoer in deze nimmer rustende wereld, waar menschen en machines elkander aanvullen en zich als in elkander verliezen. Denk u het razend en onharmonisch orchest der smidsen, der pletterijen, der smeltovens, brullende, knarsende, loeiende, kloppende, hamerende: een eeuwige donder, vlammen en bliksemstralend schietende naar alle kanten. Het is, als bevondt gij u midden in een fornuis: een stroom van vuur golft, schuimend en sissend, aan alle kanten; uit de gloeiende kaken der wijd gapende ovens vliegt een regen van vonken; en te midden van het oorverdoovend, het verbijsterend geraas klinken, met geregelde tusschenpoozen, de doffe slagen van de monsterachtige plethamers, als de donder van eene batterij. En nu, laat ons uit deze hel naar buiten treden.
XIV
Elk uur vaart eene boot van Soraing naar Luik: er is geen beter gelegenheid denkbaar om het prachtige panorama te overzien, dat zich voor onzen blik ontrolt. De ranke, lichte boot klieft de groenachtige wateren; eene verkwikkende koelte stijgt op uit den schoot der rivier; telkens wijken en naderen de bergen langs de schilderachtige oevers. Ter rechterzijde duikt Seraing weg in een nevel van wemelende rookwolken; ter linkerzijde vertoont zich Jemeppe, tegen de helling eens heuvels gebouwd; de fabrieken, de werkplaatsen, de kolenmijnen, de heuvels van slakken en sintels volgen elkander in onafgebroken rij op, den horizon verbergende achter hunne wanstaltige vormen.
De groote smidse van dit land van ijzer en kool is hier in volle werking en zal ons eerst aan de andere zijde van Luik verlaten. Telkens en telkens verrijst aan den horizon een groot zwart gebouw, te midden van vlammen en rook; het weerkaatst zijn plompe smakelooze gestalte in de Maas, verscheurt het groene kleed van het landschap met zijn stellages en getimmerten of met zijn vierkante steenmassa, door tal van hooge vensters doorbroken. Maar daaromheen bloeien en geuren de tuinen, ontrollen de weilanden hun met bloemen gestikt smaragden tapeet, en wuiven boomen tot sierlijke groepen vereenigd hunne lommerrijke takken. En laat ge uw blik rusten op de deels rijk begroeide en bebouwde, deels kale berghellingen op den achtergrond, dan verzoent ge u bijna met deze samenvoeging van natuur en industrie, en boeit u de eigenaardige schoonheid van het in zijne soort schier eenige landschap.
Telkens vaart de kleine boot langs de pijlers van eene brug, ligt stil aan een steiger, buigt zich om eilandjes, oprijzende uit de wateren. Ougrée, Sclessin, de herbergen en kroegjes van Petit-Bourgogne, de bosschen van Kinkempois gaan langs uw oog voorbij. Uit de priëelen klinkt u een vroolijk gelach tegen; een reuk van gebakken visch waait u tegemoet uit de keukens; eene gansche vloot van gieken, bootjes en vaartuigjes van allerlei vorm en naam omringt u, bestuurd en voortbewogen door mannen en jongelieden in roode, blauwe of witte jakken, met ontbloote gespierde armen de riemen voerende. De fabrieken en werkplaatsen hebben niet langer het rijk alleen: ge bemerkt dat ge eene groote stad nadert; ge stoomt langs Angleur; en eensklaps ligt Luik voor u, als een amphitheater tegen de heuvelen gebouwd. Dit schouwspel is een van die, welke men nooit vergeet. Toch overziet ge van het dek der boot slechts een stuk van de groote en woelige schilderij, die zich van de hoogte van Cointe in haar geheelen omvang voor uw oog ontvouwt: de reeks van bruggen met haar grijze bogen; de verwarde massa der daken die tegen de heuvelen opklauteren; de hooge tinnen der kerken, als reuzenschepen zich opbeurende uit die zee, wier lijnen aan den horizon wegsmelten.
De boot vervolgt inmiddels haar vaart langs breede kaaien, met groote kosten gebouwd; de nieuwe wijk van het Ile du Commerce ontrolt ter linkerzijde haar squares, haar fonteinen, haar standbeelden, haar hotels in ietwat overladen, bombastischen stijl; de huizen naderen dichter en dichter tot elkander; de rechteroever verdwijnt half in rookwolken; alles geeft u den indruk dat ge het hart eener groote stad nadert. Achter u verzinken, in de schemerende verte, de Jardin d'Acclimatation en zijne kiosk, de twee bogen van de brug du Commerce, het openbare park met zijn dicht geboomte; maar voor u openen zich nieuwe vergezichten: daar beurt Sint-Maarten, halverwege op den heuvel, haar zwaren vierkanten toren ten hooge; de fijne spits van Sinte-Walburge rijst een oogenblik in de blauwe lucht; Sint-Jacob vertoont een stuk van zijn steenen kantwerk. Dan vaart ge langs de gebouwen van het bisschoppelijk paleis en het seminarie, half wegschuilende tusschen het groen; de brug de la Boverie spant over het snelvlietende water haar vijf bogen als zoovele poorten. Kort daarop vertoont zich de Pont des Arches met haar machtige pijlers, met allegorische standbeelden versierd; dan schijnt de rivier zich nog te verbreeden; een kreet van bewondering ontsnapt u: rechts en links ontplooien zich twee prachtige kaden, hier de quai des Tanneurs; daar, de vermaarde quai de la Batte, met haar doolhof van cafés-concerts, matrozenkroegen, gemeene huizen en winkeltjes.
Hier bevindt ge u in het hart van het oude Luik; op marktdagen wemelt het langs deze geheele quai de la Batte van karren en wagens, van groente- en fruitverkoopers, sjouwers en pakkedragers, van handelaars in vogels, in honden, in lorren, van wonderdokters en kwakzalvers en kunstenmakers, schreeuwende, joelende, roepende te midden van een baaiert van kraampjes, tafeltjes, uitstallingen van groenten en fruit, van tenten en parapluies. Ga bij de geschutgieterij aan land, wandel de woelige kaai weder af, sla een der smalle bochtige straatjes in, die deze karakteristieke, volkrijke buurt doorsnijden; en weldra betreedt ge de Groote Markt, het forum der stad, een fraai langwerpig plein, omzoomd door de antieke puntgevels van de voormalige gildenhuizen, en dat voornamelijk zijne vermaardheid dankt aan eene hooge zuil, waarop eene groep der Gratiën prijkt. De zuil zelve rust op een voetstuk, dat door vier leeuwen gedragen wordt; en deze vier leeuwen worden zelven weder door een onderbouw gedragen, die tot fontein is ingericht. Dit is de Perron: een naam, die op elke bladzijde der geschiedenis van Luik wederkeert. In de vijftiende eeuw stond op dezelfde plek een hooge paal of zuil, voor welke de keuren der stad werden afgekondigd; Karel de Stoute, die Luik zoo zwaar tuchtigde, liet die zuil wegnemen; onder Maria van Bourgondië werd zij weder hersteld, maar later door storm vernield. Eindelijk gaf men haar den meer antieken vorm, dien zij nog heden heeft. Delcour, die de fraaie groep beitelde, dacht er zeker niet aan, in zijn werk eene bepaalde politieke gedachte uit te drukken of daarin de herinnering aan het verleden te bewaren; toch is voor iederen Luikenaar de Perron als het ware het onsterfelijk symbool van de historie zijner vaderstad.
Eene straat, die ge bij het station der Guillemins inslaat, buigt zich rechts, voert u over eene brug en langzamerhand, al stijgende, naar een breeden weg, onlangs tegen den heuvel aangelegd. Naarmate ge hooger klimt, breidt het panorama zich voor u uit; de heuvelen wijken of laten tusschenruimten open, die u kijkjes gunnen in het verschiet; soms bespeurt ge geheele stukken van de stad: eene opeenhooping van daken en puntgevels, waarboven de hooge schoorsteenen der fabrieken uitsteken. De rivier wijkt ter linkerzijde, en laat slechts een gedeelte van haar groene watervlakte zien; een plateau ontrolt zich voor u, van welks rand eensklaps een der schoonste panorama's van Luik zich voor uwen blik ontrolt. Dit is de hoogte van Cointe (bladz. 313), zeker het meest geschikte punt om met een enkelen blik bijna geheel Luik te overzien.
Daar ligt zij voor u, langs de beide oevers van de rivier, elk een zoo eigen karakter vertoonend. Als een breed zilver lint, van metaalglans overspeeld, slingert zich de Maas door de uitgestrekte woestijn van daken en steenen muren, die zij in twee gedeelten splitst. Vier bruggen, de pont de l'Acclimatation, de pont Neuf, de Passerelle, de pont Léopold, spannen over de wateren haar reeks van bogen, slinkende met den afstand, tusschen de schier onafzienbare lijn der kaaien. Op den achtergrond, waar de rivier eene kromming maakt, vertoonen zich de dicht opeengepakte huisjes van de quai de la Batte; dan verliest zich de stralende, als met diamanten bezaaide rivier tusschen de bergen, die haar oevers omzoomen en wier toppen ons uit de schemerende verte groeten.
Aan onze rechterhand ontvouwt zich de dichte, saamgepakte massa van de wijken aan gene zijde der rivier. Een streep van donkere zware rook--een nevel, die nimmer door de zon wordt opgelost, wijst den loop van de rumoerige rue Grétry, wier naam een zonderling contrast vormt met het oorverdoovend geraas der smederijen, pletterijen en andere werkplaatsen, dat hier bijna dag en nacht de lucht vervult. De industrie blijft hier toch niet voor de poorten staan: als door een onweerstaanbaren, alles overweldigenden drang medegesleept en voortgedreven, trekt zij de stad binnen, overstroomt hare wijken, vervult hare straten met het gebrul en gefluit harer machines, en bouwt in het hart der stad hare allesbeheerschende, vlammen en rookbrakende burchten op.--Maar aan den linkeroever hervinden wij althans eenige kalmte en rust. Op den voorgrond wenken de weelderige hotels en woningen van het Ile du Commerce, waar allerlei bouwstijlen elkander broederlijk ontmoeten en de architektuur zich fantastische spelingen veroorlooft, waarvan de groote oude meesters nooit hebben gedroomd. Deze schitterende wijk breidt zich uit aan den voet van den heuvel, die van onder tot boven geheel met huizen is bedekt, waarvan de grauwe leien daken, tegen den groenen achtergrond der bergen, ondanks hun grijzen toon, geen kwaad effect maken. Boven de huizenmassa rijzen tal van torens en spitsen, tinnen en daken van kerken en kapellen omhoog: Sint-Jacob en, meer links, Sint-Paulus en verder, half in den nevel wegduikende, Sint-Maarten, de steenen reus, die overal de blikken tot zich trekt. Op zeker punt breekt het groen de eentonigheid der huizenmassa: de huizen beginnen wijder uit elkander te staan; daar beginnen de voorsteden en buitenwijken, aan den gezichteinder begrensd door de grillig geteekende, groene hellingen van den berg Vivegnis.
Dit alles geldt slechts de buitenzijde en de oppervlakte der dingen. Heeft men dit panorama genoten, dan moet men in de stad zelve doordringen, in dat warnet van smalle, bochtige straten en stegen, sommigen zigzagswijze de heuvelhellingen beklimmende en alleen voor voetgangers toegankelijk; anderen, minder steil, opstijgende dwars door de oude buurten; bijna allen buigende met scherpe hoeken, vaak onderling door trappen verbonden en somwijlen zoo nauw, dat de overburen in de overhangende huizen elkander welhaast een kus op de lippen zouden kunnen drukken. Ook te Luik vindt men eene oude en eene nieuwe stad: deze laatste heeft breede rechte straten, benevens boulevards, squares, fonteinen, kiosken, terrassen: de geheele moderne decoratie van eene provinciale hoofdstad, die op vertooning en opschik is gesteld en geld genoeg heeft om zich die weelde te veroorloven. Sedert de laatste vijftien of twintig jaren hebben de kaaien en haar onmiddellijke omgeving eene geheele herschepping ondergaan, heeft men den loop der rivier gewijzigd en verlaten terreinen in bezit genomen ten behoeve van het toenemend verkeer. Op een paar schreden van de Guillemins is, als door den slag eener tooverroede, eene nieuwe prachtige stad uit den grond verrezen, eene staalkaart van weelderige overladen bouwstijlen, een architektonische _pot-pourri_, waarvan de minarets, de koepels, de loggia's, de kolonnaden en frontons eene bonte fantasmagorie vormen van oostersche en westersche architektuur. Daal eenige trappen af: daar stuwt de Maas haar schitterende wateren voort aan den voet der kaaimuren, en een andere trap aan de overzijde brengt u naar fraaie perken, met verschillende soorten van boomen beplant en waar het geruisch van springende fonteinen uw oor verkwikt. Weldra begint eene dubbele allee van groote boomen, wier takken boven uw hoofd een dicht loofgewelf vormen: het is u bijna als wandeldet ge door een bosch. Aan dezen prachtigen boulevard van Avroy sluiten zich de dreven van de Sauvenière; de huizen sluiten zich nauwer aan een; rechts ziet ge een plein, met een standbeeld, dat van Grétry, versierd en daarachter een zeer ordinair gebouw met pilasters, den schouwburg; onmiddellijk daarna brengt eene breede straat ons op het grootsche plein Saint-Lambert, grootsch en merkwaardig vooral door de herinneringen van het verleden, meer nog dan door zijne buitengewone afmetingen.
Daar verrees, tot in de laatste jaren der vorige eeuw, een wondervol gebouw, de kathedraal uit de twaalfde eeuw, met haar zware vierkante torens, de veertien massieve zuilen die haar schip droegen, haar kapittelzalen, haar sakristie, haar archief, de woningen der kanunniken, al de bijgebouwen en toevoegsels behoorende bij het alles beheerschende heiligdom. Dit heiligdom zelf, de aan Sint-Lambert gewijde kathedraal, was niet het eerste, dat op deze pleek verrees. Sint-Hubertus, bisschop van Luik, had in den aanvang der achtste eeuw eene kerk toegevoegd aan de reeds bestaande kapel: in welke kerk ten jare 720 de overblijfselen werden bijgezet van Sint-Lambertus, den heiligen prelaat, die op deze zelfde plek door de handen van moordenaars was gevallen. Notger, die van 971 tot 1008 den bisschoppelijken stoel bekleedde, herbouwde de kerk van Sint-Hubert en liet er woningen voor zestig kanunniken aan toevoegen. In dezen tweeden tempel weerklonk de machtige stem van Peter de Kluizenaar, de geloovigen oproepende ten heiligen krijg ter bevrijding van het graf van Christus; hier predikte de heilige Bernard van Clairvaux; in de twaalfde eeuw verhief Lambert le Bègue hier zijne waarschuwende stem tegen de simonie en het ergerlijke leven der geestelijken, en dreigde met de naderende gerichten Gods, indien bekeering achterwege bleef. Deze woorden bleken eene profetie: den 11 April 1183 werd de kerk door het vuur aangetast. Drie dagen lang woedden de vlammen: bijna niets kon worden gered dan de relikwieën van Saint-Lambert. De herbouw van de kerk vorderde niet minder dan zeven-en-zestig jaren.
Ettelijke afbeeldingen, de herinnering van enkele grijsaards, die het tegenwoordige plein Saint-Lambert nog met puin bedekt hebben gezien, eindelijk de vrij onvolledige beschrijving van Saumery, die met medelijdend schouderophalen spreekt over den _slechten smaak_ der middeleeuwsche architekten:--ziedaar alles wat ons ten dienste staat als wij ons eene voorstelling willen maken van de nobele kathedraal, voor zij in 1794 door het luiksch gepeupel en de fransche revolutionnaire horden werd verwoest. De kerk met al hare bijgebouwen besloeg de gansche ruimte tusschen de Place Verte en de Markt. De kathedraal zelve verhief zich trots boven al deze toevoegsels, die het effect van het monument des te meer bedierven, omdat het onmogelijk was de kerk op een behoorlijken afstand te zien. Twee zware vierkante torens, in oud-gothischen stijl, omlijstten aan de westzijde het oude koor, de aan de heiligen Cosmas en Damianus gewijde kapel. Het nieuwe koor, aan de tegenovergestelde zijde, zag op de Markt uit; tusschen die beiden lag de hoofdbeuk, uitmuntende door haar hoogte. Tegen het zuidelijke dwarsschip was een hooge toren aangebouwd, waarvan de eerste steen in 1392 werd gelegd, en waarvan de rijk versierde achtkantige houten spits met verguld lood was bekleed.
Tien zijdeuren, waarvan slechts twee voor het publiek geopend waren, gaven toegang tot het inwendige der kerk. De hoofdingang op de Place Verte voerde niet rechtstreeks in de kathedraal, maar naar een klein kerkhof, dat het voorportaal van de eigenlijke kerk scheidde. Deze poort werd alleen geopend wanneer een nieuwe prins-bisschop zijn intocht hield; de oude deuren ontsloten zich voor de laatste maal op den 17 Februari 1791, toen de bisschop Van Hoensbroeck uit de ballingschap terugkeerde. Naar de eenstemmige verklaring van deskundigen, was dit portaal uit de dertiende eeuw een juweel van kunst. Vier deuren van verguld brons voerden naar het oude koor, waarvan het altaar omgeven was door acht zware korte zuilen, door rondbogen verbonden: het eenige wat van den oorspronkelijken bouw was overgebleven.