Part 9
Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den grond te heffen, en spreiden als een groenen sluier over de gele stengels van het dorre land. Hoe gretig doet het schaap zich aan dien ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een dubbele weelde! met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij uit de grond.... daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten is gebleven, geopend; de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om den hals, en sleept haar uit het weilandje naar het stukje bouwgrond er naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden van Tantalus, wiens smaak ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets dan drooge stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als het door den winter geprepareerd is. Mismoedig ziet zij dit maar al te bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij over deze verandering treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den stal komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te oogsten, waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het hatelijkste; den geheelen zomer door heeft zij op tien schreden afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch, welig grasland voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen intreden; zij riekt de vleeschpotten van Egypte, zonder er den mond aan te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die groote, vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige, kwabbige pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en oververzadigd zich met haar gevulden buik op het heerlijke voedsel uitstrekt.
Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer doorbreng.
O, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had!
Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een lammetje is toch zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van worden. „Och Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik het een blauw lint om den hals binden, dat zou champêtre staan!” Ook wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve, immers, gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo mollig als wol! en uw gouden haar is zoo dik en dicht als een schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter in de familie hebt, vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied, uw tanden met „een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de waschstede opkomen.” Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo veel hebt, maar wat meer van u had!
In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen op het papier bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van lamgeschoten invaliden, arme dichters, teringachtige meisjes, kale Edelen, mishandelde geniën enz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje opendoen, of het wemelt er van schapen en lammeren. Is het een prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen, wie zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo een enkele aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het verzen, des te erger! Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen één, dat daar reeds een beldragende hamel, als voorganger van een heele kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt. Het lam is het beeld bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn kleur, aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals men in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af tot de pooten toe tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook aan het lam niets, of het komt in de dichterlijke wereld te pas. Men kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk geval verhalen, of geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten of verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde af, en zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap.
Zoo is het dier in alle salons en op alle partijen in effigie tegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken op den grond, in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den sentimenteele uitboezemingen der Dames tegen de Heeren, in de verzen, die in den vooravond worden gedeclameerd of aan tafel voorgelezen: tout y est moutonné, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou zeggen—maar van dit alles bemerkt mijn schaap op hare kale weide niets. De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist met den vinger aan den neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten Paaschdag jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder een oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk opsmukt en bekranst. De jonge Dame, die zich met een lam aan haar voeten, onder een Arcadischen treur-esch en miniature heeft laten uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende niet, dat zij mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn vriendin, een krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets hoopt te brengen, maar heeft geen blik over voor het hoofdvoorwerp van zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling daarvan niet mis kan tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers naar de eerste plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes.
En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban ontkomt, waaronder haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst, die haar bewezen wordt! Laat eens aan een enkel melkwit of fraaigevlekt lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot speelkameraad van het dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde kort! In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt zich met vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten opgetooid en met bloemen bekranst; het wordt door zijden handen gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd; maar laat het grooter, laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde. Dan is het „Rose” of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt leelijk en vuil. Jan! als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij haar ter markt brengen.” Daar staat nu Rose op de markt onder andere gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder andere slachtoffers aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en den hals, die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de bloedige krans des doods! Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche mopshond beter, die ook sedert lang zijne jonge en mooie dagen gehad heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling in zijn vet smoort, en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet worden, dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit een oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der natuur, dat een lam niet leelijk mag worden, zonder van zijn voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens, Mejonkvrouw! dat men met u denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd met een grilling om te keeren.
Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden van liefhebbers van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den dood blijft de strijd tusschen haar idealisch en wezenlijk lot bestaan. Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet al schoons gezegd! Hoe veel tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u een elegie op den dood van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam, met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u een treurspel van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het weerloos gedoode schaap ontbreekt. Verbeeld u een pleidooi voor de eene of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als in de melk der moeder te smoren. Verbeeld u een vers op Kain of zijns gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen:
Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap, Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam, Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap, Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!....
En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk voorwerp wordt? Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn geweest, volgt haar vernedering haar in den dood. Is haar vleesch niet bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt het niet in den regel met zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog lager geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de huismoeder geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk schapenvleesch heeft aan te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar ongelukkig lijk. En die het leven van een verongelijkte leidde, mist het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als een gekroonde na haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar graf te vinden.”
O, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had!
En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander lot verdiende, het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het; maar wat zijn deze bij de blankheid en zachtheid van zijn aard en zeden? Er is in het schaap iets onnoozels, iets weerloos, waarvan gij in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult. Ik kan soms een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te geven. Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te gemoet komt en haar wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel weet dat haar streelen zal; en hoe zij haar lekt, wanneer ik voor haar eenige blaren van den elzentak pluk, die voor haar bereik te hoog hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met zulk een vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte, een blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de ongeduldige koe, haar stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende najaagt, dan is er in haar geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog naar haar onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel eens: ik mocht nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in gelatenheid en berusting vooruit. Gij die nooit den hals om wendt naar den stok, die u drijft; die nooit de verzenen slaat tegen de prikkels, die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke u wordt aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe beschaamd sta ik niet bij u, ik redelijke, onsterfelijke mensch, die weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens hardheid mij treft, Wiens hand mij wondt.... kom, oude, laat mij u streelen! gij zijt dikwijls beter dan ik!
Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt niets van de overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik oprecht zal zijn, zij schijnt zich mijn redenen niet zeer aan te trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen haar al mijn praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige kunstbewonderaars? Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman beter is dan een verre vriend. Ik wil naar haar meester gaan, om te zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten. Dan kan zij voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op te heffen, dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven.
Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn!
SINT-NICOLAAS.
Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een gedwongen egoïst, die zich zelven tot het middelpunt van al zijn vreugde en leed maakt. Hij mist de zaligheid zich van nabij in het geluk van anderen te verlustigen.
Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in den feestvierenden kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en vreugde is zoo weinig geschikt om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn stoute schoenen wel eens aangetrokken, en aan de deur van een juichend gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij bevonden. Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkome champignon, die zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de natuurlijke takken recht hadden; maar al was het dat men mij niet onvriendelijk ontving, ik schoot er op den langen duur toch over. Als het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing gekomen was, stond ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel, als men zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef! maar dit is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de hoofdpersoon.” Men vloog juichende op, viel elkander om den hals, drong in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men tranen stortte en lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest ik zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en vertrek gelast werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van het betalen dier schatting; ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van den armen Pierrot, zoo als hij met zijn ziekelijken glimlach voor eenen wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk komt men tot rust. Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik is voorbij. Neen, Jonathan! eerst nog een onvriendelijke houw voor u. „Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die men toch maar alleen in het huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd gebleven te zijn?” Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het is heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder een gesmoord lachje doet wegkuchen.
Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler genoegens van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood. Hij moet zich, zoo goed hij kan, met zijn eigen feesten trachten te behelpen. Het komt er slechts op aan, of hij kinderlijken zin genoeg heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken. Het eerste uitvliegen van zijn duiven in de lente, het uitbroeden van zijn kiekens door zijn klokhen, het eerste geneurie van zijn jongen kanarievogel, moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school gaat, voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het eerst den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem een buitengewone zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij moet zijner vrienden dikwijls feestelijk gedenken. Het beste middel evenwel is....
Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St. Nicolaas. Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels waren fraai versierd; dienstboden liepen met beladen korven af en aan. Vaders en moeders drentelden langs de straat met hun kleinen, die zich aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen niet verzadigen konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke een kinderfeest kenmerkt.
Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze mij nog zoo goed verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als kind in nieuwsgierige afwachting doorgebracht; en als dan eindelijk de avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide, onze oude huisknecht, de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij wat neuswijsheid in het bezit van het groote geheim gesteld, en loochende, met de vrijmoedigheid van een Balthazar Bekker, de mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets verstandigs in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte. Ik hield haar voor mij, zonder mijn broeders en zusters van het genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs voor mij zelven liet ik mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen: ik wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet wist. Ik was als Napoleon, die aan geen geesten geloofde, en er toch bang voor was. O! dat ik altijd met mijne andere illusies even zacht en barmhartig hadde opgesprongen!
De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht. Eindelijk brak de morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons allen in het beste vertrek. Daar stond hij ten toon gesteld, die schat van glinsterend banket! een armelijke trofée, maar opgebouwd met van liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met van vreugde schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd; ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en bloemfestoenen opgeluisterd; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar het genoegen van mijn klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden.
Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het gewoel op straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen vreugde en droefheid hield, welhaast overmeesterden mij somberder gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder voor mij een feestdag minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij mijn naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een geschenkje;—ziedaar alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag alleen, ik heb geen voorsmaak van het genot van iemand, die mijn lief is, te verrassen.
Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den Engelschen almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres verzond. Mijn boekverkooper heeft mij sedert altijd de volgende jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem laten begaan; ginds liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien.
Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde ik de vaders, die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen sedert weken hunne spaarpenning weggelegd, om heden met geen leêge handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar wat zou daarentegen die spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes in hun vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met hun gejuich vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met hun kroost zouden gadeslaan;—o! kinderen zijn dankbare beweldadigden; zij weten van geen halve voldoening; zij weten van geen kiesche verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun dankzegging ongemaakt hartelijk.
Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke opgewondenheid voorbijgaan. Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp hunner verborgene liefde een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een kloppend hart de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten vergezeld! Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd hebben om hun schoone te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen te lezen, of haar de kiesche hulde niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde heeft voor mij iets aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche, krachtige man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur zijner schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige vrijmacht zijn hand op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive niets overblijft, dan onder zijn breede vleugelen te vluchten; ik heb altijd een vóórliefde gehad voor die innemende schuchterheid, welke den onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als een meisje blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk zag ik in mijn verbeelding, hoe menige aanvallige de sierlijke surprise met blijde verrassing ontving, en zoo ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid zich onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet oogenblik, waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik, hetwelk ik wenschte dat ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat zullen er heden weder vele ongelukkige zusteren dier gelukkigen zijn, die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde zullen uitzien; jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het nog grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons in het groote drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet misschien het enge, broze glazen schoeisel eener strenge deugd past, maar die de bevooroordeelde partijdigheid van alle mededinging uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien overladen, terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een vriendschappelijk aandenken in den schoot werpt. Zij zien den dag zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde woord eener onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone droomen worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig hoofdkussen haar echt vrouwelijk, en en toch meest alzoo wreed miskend lijden.
Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen rolden; de stad raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit. Er heerschte op straat een vroolijke drukte; treinen van kinderen trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel; het was een lust die kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes zoo gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waar Luilekkerland: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en gebak. Ik geloof niet, dat men ooit in lateren leeftijd zijn stoutste droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als een kind de zijne in een banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig oog het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener onvermengde en volkomene vreugde—al is het dan maar een kindervreugde—kunnen aanzien?
Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes belegerd. Mijn hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in lompen gekleed, op de steenen te bibberen. Maar toch konden zij van het aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met kinderachtige nieuwsgierigheid gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het meeste trof was, dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen terugkeeren; geen gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er onder hen een blijde ingenomenheid, alsof zij wel degelijk deelgenooten van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij het reeds gewoon geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen. Zij hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van gelijke rechten beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets aandoenlijks. Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat ons de illuminatie gaan zien,” zooals wij zeggen: „Laat inspannen.” Zij houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal door de vensters te turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich door de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken, zonder zich met een enkel woord te beklagen.
Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede verlichte straten te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en keerde, met eenen nieuwen last beladen, vandaar terug.