Part 8
„Ruiten-troef!” riep de Dame aan het hombre-tafeltje, met een stem zoo luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte. „Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat zij gemengd had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart voor het volgende spel waren.
Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering stoorde, als nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op Ruiten-troef.... denkt gij? neen, veel erger! Want—en verplaats u in mijn stemming—want de engelachtige Alwine was—och ja, de Dame die voor mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo was Alfred! en de leelijke man met zijn schildpadden bril de door Alwine’s vader beschermde minnaar!
Alwine had lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar eindelijk had de wil haars vaders, door de verschrikkingen van het bedreigde exorcismus ondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik haar in den echt had zien inzegenen, kwam ik verontwaardigd te huis, en zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon:
’k Heb u gezien, de oranje door de haren, En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd; De blanke leest met blank satijn gesierd, Omgeven door de u huldigende scharen. Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht, Die weêmoed op de wang der bruid verwekte, Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte, Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht.
Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen— Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht— Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht— Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen— Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel— Die trage gang der eertijds vlugge schreden, Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden— Verraden ons uw kommer al te wèl.
En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken— Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht— De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht, Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken— Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest— Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten, Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten— Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest!
O daar is slechts een stonde in mannendriften, Een leven lang in ’s mans hartstochtloosheid: Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit, Kan uw verval verbittren en vergiften! Verganklijk zijn de bloemen van den lust, Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien: De morgen wil ze met zijn dauw besproeien, Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust.
De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippen Met jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt, Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt, In éénen teug een gorgel in doet glippen; Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif; Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen; En werpt van zich de bruid, door hem gekozen, Gelijk de bruid haar feestelijke huif!
en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en verhinderde evenmin, dat Alwine voortaan een anderen naam voerde, als dat Alfred uit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij, uitstekend welvarende naar lichaam en geest, terug, en trouwde kort daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit huwelijk bracht Alwine’s sentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar teleurgestelde droomen, wierp zij zich daarop in de armen der meest positieve wezenlijkheid, en werd eene getrouwe lezeres der „Opregte Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd, dat de Epicurische Alfred de begeerte niet weêrstaan kon om aan haar diner’s deel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te presenteeren. Op dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize mijns vriends; het toeval plaatste Alwine’s echtgenoot, die aan het biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond van vriendschap met Alfred gesloten had, met zijn vrouw en vriend aan dezelfde tafel. Van daar de aanleiding, die mij in het Elysium mijner herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien! Welk een schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die blanke leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van het vroegere nevelachtige wezen terugvond, wat was zij nu, dan de doodkist, waarin Alwine haar dichterlijken geest begraven had? En wat was er van mijn Alcibiades geworden? een vleeschklomp, die nog slechts in het klassisch zout zijner geestige invallen een schaduw vertoonde van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in zijn vertrouwen nam. Dezelfde man, die eens, als een andere Paganini, uit jaloerschheid op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een aria van Grisar, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op de piano verzocht, waarlijk niets dan een Strauszertje! er scheelde weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk, dat zij de onbeschaamdheid hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan den rand eens grafs te staan, met de woorden van Hölty’s elegie voor den geest:
Sterbeglocken hallen, Und die Grabgesänge heben an; Schwarzbeflorte Trauerleute wallen, Und die Todtenkrone weht voran.
En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den kreet: Ruiten-troef!
Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel mijner schoone droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe vele soortgelijke bittere teleurstellingen heb ik ondervonden.
Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool gehad heb, zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op hem te gaan opzoeken. Het vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg om mij in een andere wereld te verplaatsen. Ik daag alle herinneringen van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander hadden; hoe wij onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen doornstaf opnamen, en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daar Matthisson te lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden berkemeier toe te brengen; hoe wij met elkander van geluk en liefde dweepten en in onze verbeelding aan het eind der aarde onze hutjes van klei naast elkander optrokken... in zulk een stemming kom ik bij hem; maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De financieele speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een cijfermeester gemaakt, wiens wereld door de muren van de beurs,—neen, dit is nog te ruim—door de pilaren van den effectenhoek begrensd wordt. Begin ik met een verteederend: Henri, herinnert gij u nog? wijst hij mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die gekheid zwijgen! kom ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze arme, maar gelukkige jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken ouderdom: herinner ik hem aan den berkemeier, hij roept om een glaasje kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering, even als Alwine, door haar Ruiten-troef!
Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als een Gratie gekend en bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb weêrgezien, nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij, die toch ook de oude spring-in-’t-veld niet meer ben, welken zij aan de Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht zet, wanneer ik de jonge bevallige als een deftige matrone weêrvind. Maar dit zou ik nog kunnen overstappen, had de tijd slechts de kas van het speeltuig misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven. Na de gewone plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan vroegere dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij tjingelt als een vochtig koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst als roestig ijzer.—Nog een laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef.
Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij voor, gelijk ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar zijn hoogeren rang verradende; een verheven voorhoofd waardig, naar de uitdrukking van Moore, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een eerbiedwekkend voorkomen als van een hooger geest, die voor een wijle het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem, welke haar recht handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik vind hem.... ik durf niet voortgaan.... wij hebben zoo weinig dichters, die men verlangt te zien.... gij zoudt denken dat een portret schilderde.... ach, ik kan immers de geheele geschiedenis van mijn teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef!
Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een ongelukkig wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even als Diogenes met een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend heb; ik vind geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds gestorven ben en op de aarde terugkom; zoo weinig herken ik in het geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê ik ben opgegroeid. Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen ben nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, arme Jonathan van voorheen!
Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een andere wereld even zulk een vreemdeling zijn zou als in de tegenwoordige. Die gedachte viel mij zeer bang; maar zij vond toch niet lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de beteekenis niet zijn van des Apostels vertroostende belofte: Doe ick een kindt was, sprack ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde ik als een kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete gedaen ’t gene eens kindts was.—Mannen zullen wij worden; en daaraan voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen des kinds Jonathans is moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch ook geen mannen zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen, en meenen zooveel hooger te staan dan ik, omdat mijn geheugen een spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik in tegendeel een Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is, waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel haar jonkheid moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan zouden de beelden, die ik met zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, als engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij wilt, mijn koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult mij evenmin veranderen, als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk biddende uitzien naar den tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen veroudering van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd!
HET SCHAAP.
Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had!
„Zulke gekken zijn er meer!” zult ge zeggen.
Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere gelegenheid niet uit de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in de vaardigheid van uw geest, reeds hebt afgeleid. Gij schreeft hem misschien aan iets menschelijks toe, en ik had er iets dierlijks bij op ’t oog.
De zegen van alle ezels over Yorick! Wel mocht men op zijn graf, naast een schreiend genietje met bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen, dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen uit den bek op zijn lijksteen laat vallen; en naast zijn titel van φιλάνθρωπος dien van φιλόνος schrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit geslacht aan hem verplicht is. Menige koning, die onder marmer slaapt en er zijn Hofdichter op nahield, heeft geen lijkrede gehad, gelijk de doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een maaltijd, zelfs niet een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op de straat van Lyon.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er was iets van den ezel in Yorick! zijn week hart stond open voor alle smart, maar de langoor had daarop de eerste rechten. De arme Maria van Moulins en de Gevangene uit zijn visioen te Parijs zelve lokten geen klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets van de rhetorische verontwaardiging van Buffon, waaraan niemand gelooft; hij versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand iets bemerkt; hij had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig, verschopt dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het te vergelijken met menschen, met wie het, des bewust, alle verwantschap vol afkeer en verachting verloochenen zou. Ik ten minste kan, sedert ik het eerst over Sterne’s gunsteling schreide, geen lotgenoot van hem zien, of ik voel iets wonderlijks bij mij opkomen, dat onmiddelijk de telegraaf tusschen mijn hart en oog in beweging brengt, en als ik gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem toe, en streel hem den ruwen hals en raap een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik ligt, en zie hem bij zijn vertrek zoo lang na als ik kan, en ga daarop even als hij met gebogen hoofd en sleependen gang, verder.
Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had!
Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon.
Ik weet wel, dat geen elegie het lot van eenig beest verandert, en dat, uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten (zie den ouden Shandy), geen lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet hier en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel van Yorick lief had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar handen gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik echter zonder deugdelijk bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is het toch iets, dat het arme dier sedert, bij tusschenpoozen, een deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op zijn harden bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het ook, in onze beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een vijfvoetige hulp doen!
Maar de pen van Yorick is hier niet meer, en blinkt naast de lier van Saffo aan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en duizend schachten werden versneden, maar de gans, die haar vleugelen aan Sterne leende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander toe, dat de kracht van zijn pen grootendeels in het geheim schuilde, dat hij zijn eigen tranen voor inkt gebruikte, men kan het hem maar zoo niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal ezelen-gebalk.
Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te verwachten, mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid, arm, ongelukkig schaap! Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik zeker ben, dat gij het minste, dat ik voor u doen kan, met uw eigen vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn pleidooi maar het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om in den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart voldoening genoeg.
Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde ongelukkige schouwspel voor mij!
Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer het gezicht heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw- en het ander een hoek grasland; nu vind ik altijd op een van beide hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest breekt mij het hart. Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen, en een kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-physionomie ontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr gebonden, zoodat zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de reden vraagt, zal men u zeggen, dat het is om haar het verlaten van haar afgeperkte weide te beletten. Lieve Hemel! dat is goed voor jonge, dartele lammeren, die de wereld zien willen en den ganschen dag met hun neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn; die van speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het verboden bastion zoeken te bespringen om den vijandelijken grond stormenderhand te veroveren. Maar mijn tam, lam en stram schaap! op mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien, zij zal geen enkelen onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest der wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt? Den ganschen dag strompelt zij junctis pedibus over het grondje heen en weder om haar voedsel te zoeken, of ligt, met den breeden kop op het gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets buiten haar om te zien. Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs geen ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des postiljons, of de trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar belangstelling meer gaande. Zij is als een grijsaard, die, in zijn leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat meer gezien.—Alleen als het blae! blae! van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft zij het matte hoofd even van den grond omhoog, om ze met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte zij in der haast een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval de billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost gehad heeft van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij. Ik vind het dus hard, dat het beest, dat, even als sommige gevangenen bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten, al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige overlevering, niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle soorten van schepsels, van de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is gewoonte en etiquette een lastig ding!
Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar voeten tot haar gebruik te hebben; misschien zou zij met den Prisoner of Chillon zeggen:
It was at length the same to me, Fetter’d or fetterless to be.
En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom niet minder kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter! een schaap is voor geen reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en zou zich nog wel met een klein hoekje kunnen te vreden stellen, als dat slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het juist, dat het hapert. Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige land verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of het schaap wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met een vroolijk oog groet zij haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie haar troosteloozen blik! een vluchtig rondzien is voldoende om haar de verzekering te geven, dat het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten. De koeien hebben haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste onpartijdigheid alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich nog een oogenblik door valsche hoop misleiden; door den afstand bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog een groenen schijn te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen; helaas! zij blijkt het slachtoffer van een fallacia optica geweest te zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt deze haar weêr meer bewassen toe.... eenige pijnlijke stappen, en zij is er, om praktisch te leeren inzien, hoe veel de schijn van het wezen verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij met lange tanden aan het korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door, en deelt haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn plaats in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt het evenwel te koud, dan wordt het paard nog wel eens voor een korten tijd in huis gehaald; alleen het schaap wordt met onvermurwbare standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan de ongenade des weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen; integendeel, als haar meester in den kouden nacht haar klagende stem hoort, haalt hij de dekens, uit haar wol geweven, over het hoofd, om niet in zijn koesterende rust gestoord te worden! Zoo brengt dan het dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude te bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens opkomende, haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik niet onderscheiden kon, wat wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel aldus uit de sneeuw te moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde borden en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor de verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd even buiten het bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn.
Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een begaafde mond hun het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit de schrift, die „gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat hy gekocht hadde, ende hadde ’t gevoedt dat het groot geworden was by hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het at van syne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem, als eene dochter;” terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken, dan dat geen landheer zich omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen schuldig maken. Wat Nathan wel tot dezulken zou gezegd hebben?
En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats, waarvan het goed is, dat het door den nacht bedekt wordt. Het schaap is moeder geworden: onder een barren hemel, op een hard bevrozen grond, in een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt aan haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die kille sneeuw. Maar toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik, als zij den bibberenden zuigeling met haar eigen lichaam dekt en beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die men haar nog niet ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die zijn noodlottige kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager nederdaalt. Daar schiet hij op het jong neder, en slaat met zijn scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de tegenstand der moeder: een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt het haar al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt hij zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren twee ledige oogholten het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste vadervreugde, bij uw eerste moedersmart, is er dan niemand om zich over het jonggeboren lam te ontfermen?