Waarheid en droomen

Part 7

Chapter 73,957 wordsPublic domain

Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste der kunsten, dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De storm der Hervorming heeft in haar geweldige, schoon heilzame omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard zien, ook de snaren van de heilige harp Davids verbroken, die Gode zoo welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat het een hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst met of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten en der lippen en een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger eere en dank aan hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der Hervorming hebben verdedigd en gewonnen. Nu hebben wij ten minste een enkel harmonisch voertuig voor onze heilige inboezemingen behouden; en, wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, om dien gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets statigs en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het doel, waartoe het zich laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is een beeld van den Godsdienst zelven, dien wij belijden. Zoo woont hij in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het geluid in het speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar een deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet onder de ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger toon der wereld; altijd blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge bestemming indachtig. Zich gedurende de zes ongewijde dagen in zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage des Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit! Maar ook dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige blijdschap, en laat in den klank van zijn zich naar buiten openbarende vreugde, altijd den grondtoon van een statigen ernst klinken.—Vol en breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers met de lucht samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte; en daarmede ineengesmolten heft hij zich met een kalme gelijkmatige duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en uitspansel, en stort zich uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is verwonderlijk, hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem te stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls kwam ik verstrooid en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel klonk! het orgel, dat ons in zijn indrukwekkend geklank opriep: Lovet den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.—Als een geest der bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die stem, die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks droeg de eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar boven, of reeds mengde zich mijn stem, eerbiedig en vroom, in het duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak en bevende, maar uit het volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen kunnen opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des gewijden orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn overstelpt hart zijn dank niet hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en sterker schacht te mogen nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt; oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende galmen van boven licht en troost in mijn donkere ziel vloeide; oogenblikken, waarin uw majestueus geluid mij een huivering van eerbied op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde, als was het dat „suyzen van een sachte stilte” waarin de Heer zich aan zijn dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende toon, ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde en mij met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend gebulder de bazuine des laatsten oordeels meende te hooren; oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij de wolken deed scheuren, en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit mij reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken! O zeker, al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al het geschapene ruischt, orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik met Schiller aan uw kunst den palm reiken!

Aber die Seele spricht nur Polyhymnia aus.

Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal des hemels!

„Muziek de taal des hemels!”

Kent gij la dernière pensée musicale van Weber? Laat haar u anders eerst eens voorspelen.

Begrijpt gij mij nu?

Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij het niet, dat er in deze heerlijke andante een stem is, die van een betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende, dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat gevoel van heimwee, dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met de hand naar den hemel? O, zóó zou ik wenschen te sterven met zulke gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! Welnu, dit karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt! Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven herinneren! en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij den waren toon, die het hart toespreekt, en met waarachtig verlangen vervult! Maar voor mij is de muziek zulk een roepstem, en wel een stem, zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem als van een moeder, die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagende ranz des vaches in zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan spannen, dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij als een stem uit de hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte naar de bergen mijns hemelschen vaderlands doordringt. Dan doorstroomt een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult zich mijn hart, en zet zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een vogel in zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en stijgen daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig naziet als een gevangen duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn oog, dan openen zich onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden te worden. Zou het misschien daarom zijn dat Luther de muziek de eerste der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de godgeleerdheid plaatste?

De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.... ik weet niet.... ik durf niet gissen.... ik vrees vermetel te wezen.... en waarom niet? Een groot man heeft van den aanstaanden geluksstaat der zaligen gezegd: „Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en voorstellingen! Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige, maar laten het kinderlijke droomen zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de vreugde, uit het genot der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren zal. Ik weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche tempel-muziek wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich mijn mijmeringen verwezenlijken zullen. Maar ik laat mij daarom het denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des gezangs en geklanks zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds en der speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne, zuivere, geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom der harmonie het gevoelig hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en zóó alleen verbeelden kan, hoe het van hemelzaligheid overvloeiend hart zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in dankbaarheid en vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur der dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in de plechtige lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden uitgeboezemd!” Laat ik er mij dan in verliezen! Beklage of belache mij wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, indien men mij slechts toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij meest aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der gouden citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat mengen der stem in het koor van al wat in den hemel leeft! dat uitstorten van zijn hart in den adem der Godsverheerlijking!.... Indien gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!....

Kom, Editha! speel de dernière pensée musicale van Weber nog eens voor mij!

RUITEN TROEF.

Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van kaartspelen. Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit kunnen leeren. En dit is te onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet aan het noodige geduld ontbreekt. Op het ganzenbord bijvoorbeeld ben ik een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind op mijn schoot, mij aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het onophoudelijk heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van den Dood weêr naar den Put. Maar met de kaartenbladen der groote menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien ligt het aan de zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk, dit is te veel geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks ooit een oogenblik tijd kan vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan de whisttafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van anderen. Men heeft mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen moet, omdat anderen er wel achter weten te komen, wat ik in de hand heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit opzicht te rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij zoo goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet gemaakt.

Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap verdwaald ben, waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de gastvrouw een plaatsje bij de jongelui, aan de zoogenaamde allegaâr-tafel. Daar gaat het met het kleuren nog zoo wat heen; te meer, omdat ik altijd spoedig dood ben, en dan gelegenheid heb, het veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid der jonge paren aan te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk, als dat van gindsch hombre-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten, of zij om malkaârs leven dobbelen. Hier doet zich mijn schilder-oog recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien schalken jongen met zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw heensteekt, om quasi te zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom genoeg, in haar lachende oogen schijnt te willen lezen. De linksche jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren spelen! en welk een aardig tegenstuk zou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den schijn aanneemt van elkanders kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes te wisselen; met dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren in den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje, dat te gelijk beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echte hartenkleur is! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte het zeldzaam genoegen van een vole annoncée te zien spelen.

Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met scherpe wapenen gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een onschuldige schermpartij is afgezonderd, dan moet ik mij getroosten, als een ledig aanschouwer door de zaal te dwalen, en mij beurtelings bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar, dat dit niet altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een gelegenheid altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten ondervinden, dat op zulk een oogenblik de minste kaart meer aandacht trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden gedrukt te worden, heb ik door den uitroep van: spadille! hooren overschreeuwen. Ik geloof dat zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen, om mij nederig te houden. Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen de phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik waag mij niet meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand. Gewoonlijk plaats ik mijn stoel in de nabijheid van het een of ander tafeltje, ver genoeg van het tooneel des gevechts verwijderd om niemand te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomen hebben van naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open oogen te kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan de whist- en quadrille-tafel menig schoon uurtje gesleten.

Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest genoodigd; hij kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering vreesde. Want daar zijn Chef, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon gaan, een liefhebber was van „een kaartje te leggen,” moest er in den vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond er op, dat ik komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind iets weigert, hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf: maar als men een vriend boos maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en goed, ik nam het aan.

Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein verdeeld, de strijders geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder, dat bijna niemand mij merkte? Nadat ik de gastvrouw begroet en mijn vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje uit te zien, waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.... ja.... daarheen! ik had een heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van een hombre-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen, mij onopgemerkt aan mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het gezelschap, in welks nabijheid in mijn banier plantte, links en rechts gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen, met mijn buurman op te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om een bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was de echtgenoot der Dame een van haar beide partners. Het was een leelijk man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die door een schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij sprak weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn medespeler lachen. Deze was het levend beeld der gezondheid. Hij moest vroeger een schoon man geweest zijn; maar het vet, die gezworen vijand van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken en vormen bedorven. Hij was nu een dikke Apollo, gelijk onze oude schilders er teekenen. Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn vleezige borst begraven was, de geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten onder gebracht. Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje afdwongen. De dame—ik had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar te beginnen—was een vrouw van ruim dertig jaren; evenwel mogt zij nog met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon een kanten nevel haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend goud” deed. Haar oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar huid van een verblindende blankheid. Echter vond ik haar niet onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch in haar wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in openlijken strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen haar glaasje bisschop met een genoegen, met een sybaritisch welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen zij haar parelwitte tanden met Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij van ergernis omkeeren.

Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen half uur was er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat reeds hoog en droog in de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik op de genade des toevals door de lucht, zonder iets te bemerken van alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel. Het zij mij vergund, u een staaltje van mijn overdenkingen te geven.

Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte van Alwine Stanley, een der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was blank als een engel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het scheen toch sneeuw, door de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit kleed, en had daarbij iets in de oogen, dat de begoocheling volkomen maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel was zoo tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een bieze, tot dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar bewegingen die vrees overbodig maakte; want dan toonde zich haar lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het uit enkel zenuwen en spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder herbergen te missen. Haar hals was dun als die van Anna Boleyn, maar veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat langs haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had een etherischen zweem, en deed aan de teederste van Shakespeare’s scheppingen, aan Ariel, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en den wind te scherp voor haar; wie haar toesprak, verzachtte onwillekeurig den toon zijner stem; zij was als Sir Walter’s Maiden of the mist, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een nevel te zien oplossen.

Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel, dat er niemand aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was het gevolg van haar Engelen-natuur; het gevoel van ontzag, dat zij inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te bezitten als iets ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor als de toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses, naar wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen enkelen minnaar.

Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde een vermetel oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die stoutmoedigheid te dulden. Hij heette Alfred; maar ik noemde hem Alcibiades, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want, dat de Olympische lauwer aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch metaal den heerlijken vorm zijner gestalte vermenigvuldigde, was aan den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem thans over, dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der schermkunst te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een bloedige kroon te winnen, te schooner sierde hem de krans van de kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder evenwel de luit te hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderige fantasie woonde in zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer, dan zijn hartstocht voor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch verborg dit talent met meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts, onder begunstiging der duisternis, doolde hij, met de guitar om zijn hals geslingerd, naar de woning van Alwine; en wie hem dan in romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij zijn tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, terwijl zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan verlicht, aan een Grieksch standbeeld deed denken, vergaf het aan de hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel verscholen, dat zij met welgevallen op dezen Actaeon nederzag.

De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, hartstochtelijk; maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte van Alwine boog voor de hostie; het trotsche hoofd van Alfred boog alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier liefde op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was gereed voor hem het outer te verlaten en naast hem neêr te knielen; maar haar vader, die voor den Roomschen herdersstaf sidderde, verbond aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit zijn huis en hart; er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig te maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die haar begreep noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde onverschilligheid hun voet in ongerepte sneeuw als in drassige klei drukken. De vader, voor de verleiding van den schoonen Hugenoot vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig als een stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig geheel scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen mededogen de kwijnende Alwine opwekte; menig oog, dat haar aanzag, vulde zich met tranen, en ieders verbeelding zag haar reeds aan den voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, en de brandende waslichten rondom haar.... Ja, zal ik het bekennen? in de verwachting van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in een gedicht, waarin onder anderen de volgende smachtende regels voorkwamen:

Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan! Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan! Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogen Beweenen haar, die haar bewondren mogen. Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thans Week ’t leven uit de witheid van dien glans. Een doode schijnt ze, als balsemde heur asem Haar zielloos schoon met eigen amberwasem. Soms dringt een traan zich aan haar oogen op, Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop, Gebroken op zijn steel en halfgebogen, Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen. En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk, Dat nooit haar blik van helder tintling blonk! Ook wreken zich de kwellingen haars harten Niet op haar leest in folterende smarten, Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria, Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na. Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid, En liegt het weg in ’t lachje van gerustheid Op ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker rood Den worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt! Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingeren Zich bevend om de zilvren snaren slingeren; Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied, De harp ontlokt, den rechten toonklank niet. De lip is bleek, die vroeger plach te blozen, Maar, witte roos, behield den geur der rozen. Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet. Zij sleept zich voort met weigerenden voet, En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen, Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen. De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uur Te ontrooven aan zoo kort een levensduur! Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten, En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten, Te waken, dat geen al te ruwe slag Zoo schoon een leest te deerlijk schenden mag! Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen, Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen, En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust: Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust....