Part 6
Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het zit bij mij niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier gehoorzenuwen meer met hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O, ik kan mij er dikwijls aan ergeren, wanneer ik de bezoldigde dienaars van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke muziek, daarvan niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast in de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den strijkstok in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks is hun tijd om te spelen gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en kras! gaat de stok over de snaar! laat er rondom hen gebeuren wat wil, zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel noteblad; maar hun gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze, houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die om hen ruischt; zij blijven koud als steen te midden van dien vuurvloed, die van rondom hen op het sidderende gehoor nederbruist; hun nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, die zich van hun snaren op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven werken mede tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in de magische keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen! zij zijn daarbij slechts doode werktuigen: hun invloed op u is die van doove hamers, die onder de hand des kunstenaars de snaren der piano treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft van het koeltje, waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan „die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten voor den prachtigen tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn binnen te treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een oningewijde in het heiligdom der harmonische kunst ben; ik kom er voor uit, dat ik van deze Levieten hares altaars het eenvoudigste onderricht in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta in mijn oogen hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters en dilettanti! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde compositie hoor ontleden, alsof het een thema ter analyse ware, terwijl de opgevangene melodie in mijn hart, als een weêrklinkend gewelf, zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, dan verhef ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta, dan gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag:
Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik u met het gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die hem in het wonderoord der Zwitsersche Alpen weet te zeggen:
Dit is nu de St. Bernard, en die spits daar is de Montblanc, en die punt ginds is de Jungfrau.
Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn niet dan de geleiders van mijn hart, en dat springt op, als het maar een enkele noot hoort, gelijk een hert dat de stem van zijn moeder verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in mijn methode, wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn instrument, dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo al voort totdat—er niets meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft mijn hart reeds ruim en rijk genoten; het heeft de maat nagehuppeld, en met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft voor een uur opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve.
Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig?
Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het!
Tra la la la—tra la la la.
Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren mishandelen.
Maar wie is Mijnheer dan?
Ik ben een musicus.
Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la la.
Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt; melomanie is mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn natuurlijken toestand, zonder ontwikkeling of verfijning door de kunst; zij is mij dan ook aangeboren. Naar het zeggen van mijn moeder, was ik in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig bezat zij in haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot een gillende dissonant, dadelijk beproefde zij die in haar heerlijke sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen smaak, dat ik haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn tranen toe te lachen, als Astyanax dichterlijker gedachtenis. De lieve moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des avonds zingende in slaap te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. Daarbij had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er veel te verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren. Zoo lag ik dan dikwijls een geruimen tijd tegen den slaap, die mij allengs overmeesterde, te kampen, tot dat mijn moeder eindelijk triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om den mond sluimerde ik in.
Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik gevoeliger scheen te zijn, dan het avondlied der Hernhutters:
Laat mij slapend op U wachten, O dan slaap ik zoo gerust.
Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna het eenige van hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is bijgebleven. Nog kan ik het niet hooren, of er trilt in mijn hart een akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan ik het niet hooren, of ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige wicht. O gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze zijn dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en deugd. Bij mij althans, welke booze gedachten zich ook in mijn binnenste mochten verheffen, ik geloof niet dat ze het zouden kunnen uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken zong:
Laat mij slapend op U wachten!
Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en, gelijk ge ziet, zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets natuurlijks. Ik heb de muziek lief uit instinkt, niet als een kunst, maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, de zachte maan, de heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. Ik vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan, noch zoek er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als zoodanig dankbaar voor.
En zou ik niet? Göthe spreekt ergens van menschen, die een gebrek in de oogen hebben, waardoor alles voor hen een rozeroode kleur heeft, de beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog verrukken? Maar mij dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor de muziek bezitten, weinig minder te beklagen zijn. Want ook voor hen gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods schepping verloren? Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en verheugd worden. O, het eerste vogelengezang in de lente! als het bosch, dat zoo lang stil en zwijgende was, weêr voor het eerst leven en geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen te beproeven en allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als langzamerhand al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes mij haar welkom toeroepen. Als eindelijk mijn uitverkorene, de nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt... o hoe baadt dan mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter. Het geboomte heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt nog in de zich ontwikkelenden bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een scherpe Noord-oostenwind blaast u in het gezicht, en bederft u het genot van de reeds koesterende voorjaarszon. Maar hoor toe! Voor het oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als andere vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende voorjaarsboden, die de komst van het schoone saizoen uitroepen, arkduiven die de belofte van een groenende aarde in den vriendelijken mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der lente, die haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen openfluit” en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend der muziek; hij heeft een lentemaand meer in het jaar!
En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat ook daar voor het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche wereld nog iets poëtisch, en onder haar vele dissonanten nog iets melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord wordt. Laat het zijn, dat daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: ik vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik daaraan te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek, menige taaie avond is mij door het maken van muziek verkort en veraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve verdiensten, als of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat het zich dan onder woorden brengen, welk genot ik dikwijls aan haar betoovering verschuldigd was?
Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts op haar komst, gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des dolfijns: een enkele noot, en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open. Hoe kan ik dan met een luisterziek oor aan de heerlijke klanken hangen! hoe met een van wellust bevenden voet den stroom der muziek in al zijn kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien hij hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie laten heen en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het kabbelende water! hoe mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten opheffen, of op het dons der dalende akkoorden nederzinken! hoe kan ik mij in den Feeëndans der luchtige noten laten meêslepen, of door de klacht der andante tot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn ooren klinkt, ben ik mijns-zelven niet meer: ik ben het eigendom van den componist, die mijn hart met volkomen willekeur beheerscht; hij heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben de zijne door het recht van verovering.
Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het is dan als mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn oogenblikken, dat de muziek, in plaats van mij met haar adem te streelen, het meir mijns harten beroert, en een sterke aandoening in mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer aan haar klanken geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een diep verleden, of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink ik in dien toestand, dien de Dichter beschrijft:
Het is een onbestemd „gevoelen,” Een toestand donker en verward.— Wij voelen zóó, als op ’t concert De tonen op iets treurigs doelen: Een algemeen besef van smart;— Waarbij we, zonder orde of reden, In toekomst dwalen en verleden.
Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de toespraak der muziek verloren: voor haar toespraak, maar evenwel geenszins voor haar invloed. Want die mijmeringen zijn alleen onder haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring van haar melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als schuwgemaakte vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren sylphendans voortzetten, en zich gedurig helderder en levendiger voor mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen door de macht der muziek beheerscht. Gedurende de allegro zullen zij een licht, een vroolijk aanzien hebben; met de andante zal haar gelaat betrekken en haar gang sleepender worden; en als deze eindelijk in de adagio overgaat, zal er een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat de zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als het corps de ballet, in alles de wet van het orkest.
En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor van Editha gesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des namiddags in het uur, waarin anderen zich het genoegen geven van, zoo als zij het met een euphemisme noemen, stil te zitten, de piano te openen, en een poosje te spelen. Nu speelt Editha zeer wel; ten minste naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan kunst is. En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe kan dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en zich daarop omhoog laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe, waarbij al de luchtreizen van Green niets zijn. Kon ik u beschrijven, wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden tooversleutel der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der muziek, als een andere Amphion, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, welke hemelsche tonen mij toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor u ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij er bijkomen, arme Jonathan, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke sommen zou u de grondbelasting te staan komen van een terrein, waarbij uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke schatten zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud, als het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik kan er van sidderen, als ik denk, dat iemand hunner zijn brakken neus in deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft boven zijn armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een ruime plek aan den hemel, waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder dat men hem daar kan komen lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier niet. Want de weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even zoowel den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein des Vorsten. Daarheen dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die, even als ik, uw aardsche heerlijkheden met weinige passen beschrijden kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er een luchtkasteel bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te betalen. Wij zullen er een pleasure-ground bij aanleggen, waarin al de Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen verdwalen! En wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze bezittingen in de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor hen nooit een prijs op de piano van Editha stellen, zonder in mij zelven te glimlachen: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje van Fortunatus verborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen in het bovenland. Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En nauwlijks heb ik de deur achter hen gesloten, of ik kom met een vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan, Editha! nu nog eens een liedje:
L’or n’est qu’une chimère.
Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin de muziek de uitwerking had van den storm der hartstochten in mij te doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging als Saul; Ende ’t geschiedde als de geest Godes over Saul was, so nam David de harpe, ende hy speelde met syne hant: dat was Saul eene verademinge, ende het wert beter met hem, ende de boose geest weeck van hem.—O, het is een zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er kwaads en ondeugends op den bodem des harten slaapt, opgist, en het hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer de onreinheid, die den grond onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging gebracht, opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig gevoel, wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om die woeling te gebieden: Zijt stille!—dat er zich dan een macht van buiten opdoet, die de verbroken rust en klaarheid herstelt. Zulk een macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine gedachten mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed in oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn ziel meester had gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke stem liet hooren, om den kwaden geest, die mij verzocht, uit te bannen. Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter rechter tijd gelden deed, dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. Bij de eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand liet het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een blaffenden bandhond streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de muitende driften bedwong, riep zij de sluimerende betere gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk in de zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een neêrgeslagen droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig oogenblik, wanneer alsdan een zacht rood van schaamte de wangen kleurde, welke vroeger de hartstocht in vollen gloed had gezet, en een verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. Alsdan werd de wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid:
Alles heeft zich-zelf verloren. ’t Honderdhoofdig Helgedrocht Ligt ontketend in zijn krocht, Met ter neêr gestreken ooren, Vastgeboeid door ’t maatgeluid.
En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de speelbal van snel afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen terug te brengen. Mijn moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een onrust rust te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der overreding! „Jonathan! Jonathan!” Er was in den toon, waarmede zij dien naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders te gelijk, dat ik er niet aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor mij iets dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik nog de stem van mijn nu zalige moeder hoor; „Jonathan! Jonathan!” En gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens uit de handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van mijnen Genius!
Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere verzekering des Dichters bevestigde:
Dan vergeet zich in ’t verrukken, Zelf Prometheus arendsbeet, Tantalus versmachtend leed, Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans behoor tot hen, die aan het bestaan van Prometheus en Tantalus gelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken dat onverzadigd verlangen, dat den mensch naar de gouden paradijsappelen doet hongeren, die altijd even ver van zijn lippen verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van arendsbeet en versmachting,
Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrook
Is waarlijk van fluweel.
Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik weet niet, of het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de kracht heeft van sommige zielskrankten te genezen; maar ik weet wel, dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten te verzachten en te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde geworpen, richtte zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte borst; dan dauwden er woorden van liefde en troost van haar zoete lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t hart; dan goot zij mijn boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; dan spande haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een wapenkreet, die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend geluid mij voor op den weg der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij zelven.
Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest.
Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de gewaarwordingen te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet?