Part 5
Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert gij u den tijd van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den zoon nog zulke goede diensten bewijst, was reeds de lieveling des vaders, en is mij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste plaats op de slaapkamer des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend gescheiden: dit was hem o! zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid van den secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij uit enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend sterven sprak; menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij met niets anders bezig houdende dan met naar de beweging van het uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig ik daaronder werd. Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet het pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren kraken; en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in een korten sluimer geschoten was, hem bij het slaan van het bepaalde uur te moeten wakker maken, om de bittere geneesmiddelen in te nemen. Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn klok voor het laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar op eene wonderlijke wijze. De stervende had naar gewoonte oog en oor naar de klok gericht; op eens—de verwarring der droefheid had ons doen vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was, geloof ik, in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn aandacht te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe vriend, voor uwe waarschuwing. Jonathan! houd die klok in eere; ik heb geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij mij leeren sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje gekomen is: nu dan, dat „mijne ziele u zeghene eer ick sterve!” en toen....
Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok weêr aan den gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in eere!—Evenwel vond ik hem op zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende; ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige kieschheid danken moet. Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu ’s avonds alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik weêr aan het bed mijns vaders geknield lig.
Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!... en daarbij is het of ik den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan doet hij mij denken, aan den tijd, toen Betsy nog aan geen ander behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken, toen was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets meer en beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende roes, wist dikwijls niet of het zaterdag of maandag was, en vroeg naar tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ik Betsy ’s avonds hoopte te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet weg te krijgen, dan begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet haast zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan wel gehinderd met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in dien tijd zijn haastigen slag wel drie en viermaal herhaalde; het was of de dag nooit eindigen zou. Had het toch ten laatste zes ure geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond ik voor hem; bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal rondwandelen, en dan zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam terug, en de klok wees—anderhalve minuut later, zoo vliegend had de drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch vijf minuten voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een wonderlijk gevoel van gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart bonzen met slagen, die het geluid van den slinger verdoofden; ik was buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog blozen over mijn eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?....
Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen oogenblik is het mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het anders? Want hoe vele malen gij sedert uwe dagronde volbracht hebt, Betsy’s beeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet of ik haar getrouw was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit meer zoo voor u gestaan heb. Nooit daarna heb ik u weder van spoed of traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd zoo regelmatig of hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad.
Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok spreken. Hij kent mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis van mijn innerlijk Ik is hem niet onbekend. Want het is mijn standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom, nog eenige oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik geen dagboek, het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever.... er zijn dingen die men zelfs aan het papier niet zeggen kan! neen, ik neem daarbij niemand in mijn vertrouwen, dan mijn klok. Als ik hem maar aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik achtereenvolgens te behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII, tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des avonds toe. Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak daarnaar de som van baat en schade op. Gebeurt het nu dat er een getal is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht ik het tusschen dit en zijn buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor den kwade goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou. Dikwijls ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede werken nog aan VI ben. O, dan kan ik mijn klok niet met een gerust hart aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden schuldeischer. Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar uitdrukkelijk positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer bang worden. Meermalen stond ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon ik hem biddend aanzien om mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van heden niet voor mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder beginnen!—Tik—tik.—Kon ik ten minste dit booze uur daaruit wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met schendende hand zijn uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat onverbiddelijk, altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn tegenstand te bespotten. God vergeve het mij, dat ik wel eens getracht heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door andere beelden voor mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare stem mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al stortte mijn geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook daar vervolgde hem het getik, dat hem belette in te sluimeren. O, mijn goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan klopt mijn hart van dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning kan zijn biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste toedraag.
Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik zeer goed met elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele kwade eens recht veel goede oogenblikken over stonden; dan kon ik met een waar genoegen, naar het beloop van den uurcirkel, de afgelegde dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd had, dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of de geheele wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij avond, geïllumineerd was.
Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan ben, en de leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe geruststelling mogen zeggen, dat ik liever mijn dierbare klok met eigen hand zou stuk slaan, dan toe te laten, dat hij mij een enkelen dag deed vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een ledig vak openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze klok zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd hebben; Jonathan! houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in de wereld gehad!
Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een voorliefde voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik vind ze met zijn bestemming in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet gaarne een aanspreker in het wit; en even zoo weinig zou het mij aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm in de kast was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken, zeide hij, dan zal het zulk een lief klokje zijn dat gij het niet meer kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik had moeite mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een hansworstenpak steken? het zal zoo lang ik leef niet gebeuren.
Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel. Wat vindt men in de plaats van de staande en hangende klokken onzer vaderen? rijke pendules van brons, verguld en albast, met fraai gegoten figuren voorzien en heerlijke bloemen versierd. Ik moet bekennen dat ik dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind; er is zooveel aan de kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten. Men kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn het juist geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat al te veel. De kunst, die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende hoogte staat, moet toch aanmoediging hebben, en het zou immers ook niet staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude hangklok te ontsieren. Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het uurwerk, en bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat men de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de vliering of naar den uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in het eenvoudiger slaapvertrek liet behouden. Want daar beneden..., gij zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo goed, gaat de achting voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed gedeelte weggenomen. Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft hooren spelen, heeft het: Gedenk te sterven! zoo geen val. Even weinig kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen aan de gewichtige taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een kind wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein horlogetje tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet meer dan een speelpop is, die men er alleen om de pracht op nahoudt, zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls beide alleen om de cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde sieraad aan dien gouden collier om den hals dragen, om zich daardoor te laten herinneren: hora ruit? Gij gelooft het zelf niet; zulk een ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn hoogst om zijn bezitster te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te gaan, of dat zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken, eer haar cavalier haar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke uurwerkjes wil de deftige erentfeste Tijd niets weten; hij maakt ze openlijk voor contrefaçons uit, en zet alleen zijn naam en zegel op deftige klokken, zoo als er hier een voor mij staat. Dus, zoo als gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook alleen het recht heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen.
Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik bijvoorbeeld mijn klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op de spreuk, die hij voert: Una ex his hora mortis. Een van deze is uw doodsuur. Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan er met mijn voorbeeld voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een knaap was, kon ik het met de klok niet eens worden. Nadat mijn vader mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij een ernstig woord had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang voor hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was, verbeeldde ik mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in de klokkenkast zat, en met zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in beweging bracht, zoodat ik opstond en met bevende hand de kast opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele slinger in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij een ander aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te voren, dat vriend Hein waarlijk in de klok zit en het rad draait; maar het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben voor den mageren man zoo bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel anders aan dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er slechts op aan of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te maken, en alzoo achter zijn goede hoedanigheden te komen. Sedert verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga, ben ik op zulk een goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en daarom is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn armen te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat heeft zelfs niemand onder mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos worden als hij somtijds eens aan mijn arm stoot, om mij aan zich te herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of ik nog wel eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen dat het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij opziende op het opschrift valt: Una ex his hora mortis! kan ik met nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden: Una ex his hora vitae! en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten gehouden, om met mijn verbeelding in een andere wereld te dwalen, en ze daarna opendoe.... het is wonderlijk.... dan kan het mij zijn, of mijn klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn ouderwetsche kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de hand wenkt....
Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk ik zeide, hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê begonnen ben, met uw afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk, het is niet goed, hem geheel te veronachtzamen; hij is als een houten hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt: Naar het Graf. Nu is het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien; want hoe weten wij anders, waar wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen, het oog van die hand af te wenden, om ook niet aan te komen, waar ze heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken uit de steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel de wegwijzer om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt:
Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor, Dat keeren wij hem toe; Voorzeker, krijgt hij geen gehoor, Hij wordt het kloppen moe.
Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje:
En wip! daar is de man!
Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo onverstandig zijn. Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de slimheid hunner berekeningen getuigt, die deze eenvoudige som van drieën maar niet leeren kunnen:
1 : O = 1 : X.
Dat is, volgens eene opgave die men in Willem Bartjes niet vindt:
Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de gevraagde.
Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk leerde, hunne dagen „also te tellen dat sy een wijs herte bekomen” mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er menschen op aarde leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft de tijd het kleinood des levens, de ware steen der wijzen, die slijk tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, zou ik in plaats van al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang sluiten, die de staart in den bek houdt. Het symbolum der eeuwigheid rondom het symbolum des tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige gedachten geven. Het is een groote dwaling, dat sommige menschen het er voor schijnen te houden, dat hun klok een perpetuum mobile is, dat nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: het perpetuum mobile is boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei, dezelfden, die zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te raken, verspillen van hun beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk. Het komt altemaal van het verkeerd gebruik der klokken.
Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van den H. Johannes: „Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de aarde, hief sijne hand op nae den Hemel, ende hy swoer by Dien die leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd meer en sal sijn!” of een droom, gelijk Père Bridaine in een visioen zijner vervoering had; de man, die de eeuwigheid een klok noemde, waarvan de slinger in de stilte der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner lotgenooten antwoordt: de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden verschijningen of droomen dienen? Heeft dan mijn Meester mij niet geleerd, dat wie Mozes en de Profeten niet hooren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet zullen laten gezeggen? En indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, en een klok aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner, gelijk de geheimzinnige hand bij Belsazar, die aan den wand het dreigende: mene, tellen, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan, het hapert niet aan de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers.
Jonathan! Jonathan! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen van anderen ook. Och ja! die Farizeeuwsche zuurdeesem: o God! ick dancke u, dat ick niet en ben gelijk de andere menschen! wil maar niet ophouden te gisten. Och, met al mijn wijsheid over mijn klok, mocht ik mij wel wat meer door hem laten herinneren, dat het „den menschen geset is eenmael te sterven en daerna ’t oordeel,”—en „Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij geoordeeld worden.”
En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te vragen: wanneer zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij „geen tijd meer en sijn sal.” Vergeefs zoek ik het plekje op het wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan het onzekere: Una ex his hora mortis. Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort mijn leermeester en vermaner te zijn, dan zal ik niet licht moede worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet toch dat ge woord zult houden met uwe Una ex his. Een van deze!
Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen omdat.... ja, laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste uurtje dacht, viel het mij in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw, waarop mijn vader is ingesluimerd, en met mijn oog even als hij naar mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan mijn leger zitten om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op het bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn klok overdragen: Houd die klok in eere!...
„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in den hemel!”
Een—twee! Goeden nacht!
MUZIEK.
Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk over Muziek te schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten minste beproeven, hoe ver ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die mislukking een geheim tusschen mijn papier en mij. En breng ik het gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn onbeschaamdheid een goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die over een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat?
Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek. Beleefde menschen hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is, omdat ik er zoo veel natuurlijk gevoel voor heb: ja die overbeleefd wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, dat ik geen kwade stem had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een verkeerd oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik reeds met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik niet veel beter voor een koopman deugde dan de Hottentot, die niet verder rekent, dan zijn tien vingers. En omgekeerd, was de geschikte tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men bemerkte dat er in mij misschien een Meijerbeer of Paganini stak. Het is nu te laat. Ik moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het gezelschapskoor te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke:
Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont!
of het geliefkoosde:
’t Welvaren van dezen huize,
aanheft. Editha beweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de volle borst een solo-partij heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal mij genoegen doen met haar niet te gelooven; hij weet, welke spotters de vrouwen zijn.
Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend maakt onbemind; kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij het mijn talent heeft gedaan, dan waren wij gemakkelijk te scheiden geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk over de muziek niet geschreven; maar hinc illae lacrymae! bij ongeluk ben ik juist een dol liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het staatsiekleed op de muziekfeesten, in het koorkleed in de kerken, in het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed in de opera, in het militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het burgerkleed langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede, die met een draaiorgel loopt. Alle vormen waarvan zij zich bedient, zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige wals-maat; de prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten, quartetten, quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet weet. Alle instrumenten zijn mij aangenaam, van koper of hout, met of zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld of geroerd; ik hou zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de toeterende trombône en de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk en den tjingelenden triangel. Ik ben verzot op alle stijlen en methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch of romantisch, oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man.