Part 4
Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet te Gilboa, en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te waarschuwen: Morgen sult ghy by my syn. In een ander gezicht dragen zij het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of dierbare moeder, die de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de nakoming onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een dierbare gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar onzen naam noemen.... O, het is iets heerlijks, aldus naar boven te zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men zichzelven dit genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons omringen, terwijl een krans van engelen, even als aan een beschilderd gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied voor. Ik heb ontzag voor Vader Homerus en Grootvader Herodotus, voor wijlen Cicero en Seneca zaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, wier geheugen is als het papier sans fin van onze dagen, door een monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van zou kunnen teekenen, en in de boschjes van Tusculanum, als in zijn eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is met Quinctilianus als met zijn Rector, en met Aristoteles als met zijn Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorvene Rome of begraven Athene eigene jonge herinneringen worden opgeofferd; wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden vergeet, en met Sulpicius langer rouw draagt over Tullia, dan met zijn vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassieke Elysium zoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik dat men in de geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, van goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te verloochenen. Ik althans heb mij zelven die vrijheid nooit gegeven; ik weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar dat ik mijn Album niet als een gesloten boek, bij de doodcedels der gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, maar het beschouw als een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken met dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons van over een graf toeklinkt.
Daar ligt het boek voor mij open.
Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik mijn Album begon aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle anderen aan deze vrouw aan te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand mij een hartelijker, beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans om verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte vroomheid ik weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat de godsvrucht, ofschoon zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel aan den ouderdom het natuurlijkst staat; aan jonge menschen deelt zij somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren leeftijd iets strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen harmonie met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het rimpelig gelaat van den grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is iets vreemds, maar voor mijn gevoel heeft de vrome oude iets jeugdigs aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met het verval van zijn lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met het slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal doorbreken; het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen mensch die wegstierf, den hemelschen mensch die zich vormde:
Als brak een scheemring van den gloor, Die eens hun lichaam zal doorgloeien,
reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet, of ik haar meer vereerde of lief had. Ik vroeg haar dus, mijn gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. Zij deed het op hare wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef daaruit met bevende hand op het eerste witte blad:
Matthei X. 37. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet weerdigh; en die sone ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.
Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe dikwijls het een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom schreef zij er met haren vromen vinger den naam des Allerhoogsten boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, voor onze gestorvenen opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor den geest gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen heiligde mijne gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een der volgende namen van veel dienst geweest.
Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een ingetrokken, strengen geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men hem voor een Christen gehouden hebben, die uit de Stoa was uitgegaan. Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn denkwijze. Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn uiterlijk scheen te verloochenen. Hij was als een fontein, die haar verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets schoons, als die harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam met mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen hij de spreuk van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop stond zijn oog weêr strak en donker. Hij nam een pen op en schreef
IN LIBRO ALBO FILII.
NOMEN
SIT
OMEN.
In het witte boek van mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!
Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn hoofd, en wenkte mij te vertrekken.
Nomen sit omen! Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien gij op den hals van uwen zoon laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had zulk een verplichting op te leggen, gij waart het. Ik wil er u ook niet van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze bladen van mijn boek nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou gedaan hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering daaraan heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch een vlek minder heeft, en ettelijke vlekken bevat, die door mijne tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken ik, zoo lang gij leefdet, hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen wit en zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u eens niet over uw kind zult te schamen hebben, als „de boecken geopend zullen worden.”
Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder. Maria heette zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig voor den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader. Mildheid, weekheid, aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te zijn uitgevonden. Zij spreidde haar zachtheid, bedekkende en lenigende, over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over een bevrozen grond. Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den Dichter zeggen.
Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte, Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt, Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld, Herinnert aan mijn Moeders teder harte.
Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar gevoeligheid heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit ook reeds meermalen gedacht hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen of morren, al ware ’t alleen, omdat het een geschenk van mijn lieve moeder is.
Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te schrijven, nam zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen. Eenige dagen later riep zij mij tot zich, en gaf het mij met een halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door haar ingevuld bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een Bijbelsche voorstelling van Matth. XIX. 18:
Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude opleggen ende bidden.
Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van gelijkenis. Aan den voet van het tafereel stond in plaats van het gewone fecit of delineavit, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk voerde geen datum. En indedaad, welken dag zou het hebben aangenomen? Want wèl was haar moederliefde
Een lang gebed van ’t kraambed tot de dood.
Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een bede. Nooit zie ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen: Sancta Maria, ora pro nobis.
Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden. Ofschoon mij niet allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij, dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest van de eerste bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn grootmoeder en ouders aan het boekske gegeven, onwillekeurig op de latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. Zoo verbindt mijn Album niet alleen één band, maar ook één geest.
Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem toegewezen blad een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het Hebreeuwsche woord: המּצפה geplaatst met de aanwijzing: Genesis XXXI. 49, waar ik lees, dat Jacob na den vreedzamen afloop zijner ontmoeting met Laban een hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij dien steenhoop den naam gaf van Mizpa, welk woord een wachttoren beteekent „omdat hy seyde, dat de Heere opzicht neme tusschen my en tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen zijn.” Welk een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets uit zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij geopend houde, als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend gebed voor mij opgezonden? O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig naar boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij zie rusten....
Het blad, dat daarop volgt.... ziet gij, dat heeft een los Album voor, men kan er de bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit blad kunnen doen! Maar neen, het is zoo beter. Het bevatte oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet er de sporen nog van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, een jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om een bijdrage voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd teekenaar zijn beeltenis crayonneeren, en hechtte die op het voor hem bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand: semper idem. Semper idem! een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld heeft mij het honderdste gedeelte van het leed berokkend, dat mij van deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan. Et tu, Brute!
Hij ontroofde mij.... maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed mij pijn, zijn gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen die mij het liefst hadden, en wier trouw op de proef gebleken was. Ik kon die valsche trekken niet aanzien met het onderschrift: semper idem. Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van de apostaten huns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad, dat het vasthield, af te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam overbleef om aan te toonen, wie het is, die hier van deze zijn plaats is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, of liever het was geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid te besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe zou hij nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden behouden hebben? hij had zelf zijn naam van mijn Stamboek uitgewischt; hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, en het handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit donkere blaadje gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al te lief. En is dit niet de eerste spreuk in mijn boekske: Wie vader of dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.
Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner vrienden heb zien wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven, en hebben hun handteekening met hun leven bezegeld. Niemand hunner heeft den zegen van mij teruggenomen, dien zijn mond over mij had uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op deze bladen voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja, ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is, waarmede zij hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in de woorden defunctus, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan hun namen niet aanzien zonder droevig te worden; ik heb ze allen zoo zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. En toch, ik benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel, waarmede ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn ontrouwen vriend aanzie.... neen! zij zijn niet voor mij verloren; het verbond met hen is niet verbroken: integendeel, de dood heeft het bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet meer ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den dood dikwijls van scheiding te maken tusschen geliefden.... ten onrechte! de dood vereenigt voor altijd wat voor een tijd vereenigd was: alleen het leven scheidt....
Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok haar, van het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan het papier gehecht. Geen naam, geen onderschrift, niets dan een datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets dan een zucht!
Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te bevatten: met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of ander souvenir gevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of cypressenblad—en wat nog geringer is dan dit; kleine nietswaardige relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen wil, die er zich aan verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij is het genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden voor mij te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de beschouwing van mijn Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel moet uitvaardigen:
„Voor niemand t’huis, Judith.”
Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de geschiedenis mijns harten, door de eigen hand mijner geliefden geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, zonder een oog van onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen zijn zoo rijk aan onverdiende genegenheid, als de bezitter dezer vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar het zeggen van den ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan o mijne tente, waarop die dauw rijk en mild „als Hermons dauw op de berghen Zions” is neêrgedaald.
En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand mijns erfgenaams laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor mijn achter-kleinnichten te dienen? Neen, wees gerust, mijn oud, trouw Codex amicitiæ! Uw plaats is reeds aangewezen in de lade met het opschrift: de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden. Gij zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem langs den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid worden, en de vier winden zullen de zuchten verwaaien, in uw boezem uitgestort!
Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge uiteen stuiven, vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven verrijzen, en met een nieuw lichaam bekleed elkander wedervinden in „de algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de Hemelen opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte rechtveerdige.”
Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad: met al die beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die alle nog eindeloos verhoogd, gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn Album, als ik bedenk, dat misschien.... de Engel des levens register houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in het boek des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.... „mijne nieren verlangen seer in mijnen schoot!”
DE HUISKLOK.
——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF!
Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering.
Men zegt, dat Koning Philippus van Macedonië er een slaaf op nahield om hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling zijt!—Ik geloof evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker zijn plicht wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan hem, ik denk dat de groote Koning wel eens in een bui zal geweest zijn, om den boetprediker zijn wrevelig: Houd den mond! toe te roepen. Doch mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post; en al komen er oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik van mijn oog stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met onomkoopbare gestrengheid zijn Memento uit.
Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die aan een getrouw dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen hooger titel dan dien van een dienstknecht dragen moet. Want tot op zekere hoogte is hij de meester van ons allen. Reeds in den vroegen morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij zijn wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe: Ontwaeck gy, die slaept en sta op uyt den dooden! Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken, en doe of ik hem niet gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn onophoudelijk getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig bij den arm heen en weder trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al spoedig een duchtiger vermaning in een nieuwen klokslag, waarin ik zoo duidelijk een strengen toon van berisping meen te hooren, dat ik op hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan mijn beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot mijn plicht gebracht, dan klinkt al spoedig de reveille door ’t geheele huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij heeft den geheelen dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk geheel, wat men spottend noemt: een man van de klok. Menschen die hun leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen mij zelfs te denken, dat zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben zij naar hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen, om hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan. Maar ik, die bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel, ben zeer karig op mijn kleinen schat, en geef niet gaarne voor eenige bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is. Van daar heb ik in mijn huis minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe laat wilt gij....? hoe laat verkiest gij....? dit spreekt van zelve. Men hoort er alleen: hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën aankondigt, is het voor mij even zoo goed of de hofmeester komt aanzeggen: le diner est servi. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer, en ben zeker er mijn Editha voor een gedekte tafel te vinden zitten. Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand gaat uit zonder hem verlof te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven, dan hij heeft toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen den taptoe slaat, leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, en Editha haar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t zelfde oogenblik mijn getrouwe Judith de nachtfakkels binnenbrengt.
Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen gebeurt het, dat ik mijn licht uitdoovende, het raam van Editha’s kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog gewoner is het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor ’t laatst hoor: maar al maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening, hij verliest daardoor niets van zijn gezag; integendeel, als ik de laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne kamer doorbreng, behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen, ja is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd.
Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met hoogen rug en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen met afgetrokken strakheid op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur gekomen is, om zich met mij te onderhouden. O, het is ongeloofelijk, hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst mij in den lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en aangeduid heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan het gelui van de groote stadsklok. Deze zegt mij niets dan het eenvoudige, sombere Fuit. Maar deze klok is mijn klok; deze spreekt van mijn tijd en wat mij daarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die met mij over geheimen kan spreken, waar de groote bombam niets van weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn: weet gij nog wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen smelten.