Waarheid en droomen

Part 30

Chapter 302,035 wordsPublic domain

Willen wij de groenvrouw nog verder nagaan, dan moeten wij ze naar hare woning volgen. Daar komen we eerst bij de groenvrouw primera suerte. Daar vindt ge een waar luilekkerland, met dit kleine onderscheid, dat de lekkernijen er u alles behalve van zelve in den mond vliegen. Daar vindt ge in den winter versche kroppen onder stolpen; daar doen u in het voorjaar de eerste bakvruchten, snijboontjes, worteltjes en porselein watertanden; daar vindt men den geheelen zomer, wat de moeshof edelst en keurigst oplevert. Waar nu al die schatten van daan komen, is een geheim. Sommigen denken, dat de groenvrouw ze, even als in Riket met de kuif, uit den grond laat opkomen. Anderen spreken van eene geheime betrekking met zekere tuinlieden van buitenplaatsen, die de groenten, welke zij overhebben, voor een prijsje aan haar overdoen. Er zijn zelfs, die mompelen, dat mijnheer zelf vennoot in die anonyme compagnieschap zijn zou. Wie zal het uitmaken? Men weet niet, dat een groenvrouw ooit geklapt heeft.

Om de woningen der mindere groenvrouwen te vinden, moeten wij naar de achterbuurten. Daar is evenwel het groenste van de groenvrouw af. Want daar liggen in een bedompt winkeltje de groenten, die niet verkocht zijn, te verleppen en te vergaan. Zijn ze geheel en al verdroogd, dan zinken ze nog een stap lager in den pot, en eindelijk in de magen van de groenvrouw en hare familie: want wacht u voor de dwaling, dat een groenvrouw ooit iets eet, dat naar versche groente lijkt. Zij leeft als een konijn, geheel van afval.

Zal er echter aan de teekening van de groenvrouw niets ontbreken, dan moet moet ik u haar ook in den ruitijd toonen! O, dat de groenvrouw, als de witte beer, den geheele winter mocht doorslapen! Dan alleen zou zij de smart ontgaan van de beken van haar bestaan gedurende verscheidene maanden uitgedroogd te zien. Wat toch blijft haar in den winter over? Aardappelen, aardappelen, niets dan aardappelen. Komen er nog aardakers bij, dan is het mooi. Zij blijft dus in haar hokje verscholen. Geen groenvrouwen op de groenmarkt, geen groenmeisjes op de straat.—Maar wacht! daar beginnen de boomen te knoppen; de nachtegalen komen terug; de narcissen gaan bloeien. Nu breken ook de groenvrouwen weder uit den knop, en versieren de Rotterdamsche straten.

XII.

DE DORPSSCHOOLMEESTER.

Wie heeft hem nimmer ontmoet, den man, dien ge nog niet ontwijfelbaar herkennen zoudt aan den versleten zwarten rok, den vuilen witten das, de zilveren ringetjes in de ooren, de lange pijp in den mond en de nagelkerven op den linkerduim, maar dien ge dadelijk weet t’huis te brengen, zoodra gij hem maar twee woorden hebt hooren spreken.

„Heeft MIJNheer mensCHen? Dan zal er mogelIJK voor MIJ verhinderING weZEN!”

„Wat mij betreft, niet, meester!” hebt gij geantwoord, eer gij er om denkt.

Gij hebt het geraden. Er zijn plus minus drie millioen menschen, die Hollandsen spreken: maar DAT Hollandsch is het schibboleth van den dorpsschoolmeester. Daaraan herkent gij hem even zeker, als de mannen van Gilead die van Efraim aan de uitspraak van de schin. O, het zou hem niet van het hart kunnen, de taal te verminken, te mishandelen en te villen, gelijk gij en ik doen: iedere letter heeft rechten op zijn hart en tong: hij moet ze u allemaal voorspellen: men spelt immers niet om te spreken, maar spreekt om te spellen!

Deze verbazende juistheid van uitspraak is echter niet de eenige eigenaardigheid, waaraan ge den dorpsschoolmeester uit zijn wijze van spreken herkent. Hij is niet minder nauwkeurig en uitgezocht in de keuze zijner woorden, die allen op het woordenlijstje van Siegenbeek moeten voorkomen, hetwelk hem voor een soort van index dient. Want van onduitsche uitdrukkingen heeft hij een walg, en waar ze hem onvermijdelijk in den weg komen, neemt hij de vrijheid ze in der haast een hollandsch pak aan te trekken, waarin gij ze echter dikwijls niet herkent. Voeg hierbij een toon van spreken, die door de afgepastheid en deftigheid het midden houdt tusschen cijferen en preken, en gij zult u niet verwonderen, dat de man zich zoo spoedig aan u verried: het is de dorpsschoolmeester!

In het heilige klaverblad, dat over ieder dorp zijn beschermende schaduw uitbreidt, van Burgemeester, Dominé en Schoolmeester, staat de laatste in het midden en dus—althans in zijn eigen oogen—bovenaan. Hij heeft dan ook verre weg het deftigste voorkomen van de drie. Men zegt van de beroemde tragédienne Clairon, dat zij in haar huis dezelfde koninklijke houding aannam, die zij op het tooneel had, om er de hebbelijkheid niet van te verliezen. Zoo schijnt ook de meester, uit vrees van den toon van gezag, die hem in de school past, kwijt te raken, dien buiten de school aan te houden. In zijn mouw verscholen, draagt hij de plak uit de school overal met zich. Zijn geheele gesprek is onderwijzend. Hij is de Morning-herald van de boeren, en deelt hun het nieuws mede, dat hij dagelijks uit de Staats-Courant put, welke hij van den Burgemeester te lezen krijgt. In die mededeeling vlecht hij op eene ongemaakte wijze eenige geographische en historische bijzonderheden, die op het gezicht zijner toehoorders een stillen glimlach van verbazing en bewondering wekken. Bij de gesprekken over weêr en wind hangt hij den natuurkundige uit, voor zoover het handboek der volksnatuurkunde hem in staat stelt. Somtijds stijgt hij een toon hooger en waagt zich aan bespiegelen van de wonderen der schepping—volgens den katechismus van Martinet. Zijn politiek bewaart hij voor den Burgemeester, met wien hij over de gebeurtenissen van Europa handelt—alles naar aanleiding van de Staats-Courant. Dit dagblad drukt zoowel den geest als den vorm zijner denkbeelden uit. Hij is zoo oranjegezind als de koninklijke vlag, en is door eene zonderlinge, maar gewone tegenspraak, tegelijk de vinnigste aanhanger van Wagenaar, dien men zien kan. Hij heeft dus een afkeer, neen, dit is te zacht—een afschuw van Bilderdijk, die voor hem met zijn politische, literarische en godsdienstige gevoelens een driehoofdige Cerberus is. Zonder ooit iets van hem gelezen te hebben, bestrijdt hij hem waar hij kan en mag, met alle wapenen. Nauwelijks had hij vernomen, dat hij de stoutheid had den „moord” van Oldenbarneveld voor te spreken, of hij hield in ’t Nut een verhandeling over den Palamedes van Vondel, die de zaak op eens en voor altoos heeft uitgemaakt. Met den Dominé handelt hij over het onderwijs. Hij vergoodt de wet van 1806, waarnaar volgens zijn zeggen eenmaal het onderwijs in de geheele wereld zal zijn ingericht. Siegenbeek, Prinsen en Anslijn zijn zijne afgoden, wier naam onophoudelijk op zijn eerbiedige lippen zweeft, vooral de eerste! Zijne spelling houdt hij voor een meesterstuk van menschelijke vinding en voor de schepping van een nieuwe taal. Wee hem als Dominé het waagt de Bilderdijksche spelling met een enkel woord te verdedigen: dan zou hij bijna vloeken. Over het algemeen houdt hij het er voor, dat Dominé hem niet al te gunstig is. Dat schrijft hij aan zijn opleiding op de kweekschool toe, waardoor hij Dominé te knap geworden is. Was het niet eens gebeurd, dat Dominé niet recht wist, of Neustadt, waarop het gesprek viel bij gelegenheid van een nieuwen aankoop van koning Willem Frederik, in Saksen-Weimar, Saksen-Gotha, Saksen-Meiningen, Saksen-Coburg of Saksen-Hildburghausen lag? Hij had er hem opzettelijk eens op getoetst, maar hij had zich voor den man moeten schamen. Voor het oog der menschen evenwel is hij Dominé’s andere Ik, en zendt hem bij elke feestelijke gelegenheid een vers, waarin hij al de dichterlijke vrijheden in één regel neemt: wat al te liberaal voor zoo’n conservatief man! Want—dit spreekt van zelf—hij doet een weinig „aan de dichtkunde.” Zelfs geeft hij daarin zijn zoon volgens vaste regelen en met behulp van Witsen Geijsbeek’s Rijmwoordenboek les. Hij treedt dan ook van tijd tot tijd in de vergadering van ’t Nut met een dichterlijke bijdrage op. Hij volgt echter geen bepaalde dichtschool. Vóór het jaar dertig werkte hij meestal in den trant van Tollens; na dertig nam hij de manier van Helmers aan, en nu helt hij weder meer over naar Feith. Heeft hij geen tijd om zelfs iets te maken, dan werkt hij het een of ander uitgegeven stuk naar de behoefte van zijn gehoor om. Zoo behandelde hij onlangs de geschiedenis van een klein schandaal in het dorp in de Bedrogen maagd, dat hij naar het Gevallen meisje van Tollens gefatsoeneerd had. Nergens echter schittert zijn talent met meer glans, dan in de kerk. In het voorlezen steekt hij Dominé naar de kroon. Niemand is vlugger dan hij in het verkleeden van de oude vertaling: zonder haperen heeft hij al de haer’s en hun’s in dezelve’s en denzelven’s veranderd. Want dezelve is na dewelke zijn lievelingswoord, Hij heeft dan ook van die taak een groot denkbeeld. Hij spreekt altijd van de groote opkomst, het groot gehoor, dat wij hebben. Eens, ja.. eens heeft hij de eer gehad om voor Van der Palm voor te lezen. Dat was een werk! Hij heeft er nooit zoo in gezeten. Hij dacht niet, dat hij het volbracht zou hebben, schoon ieder hem een kompliment maakte, toen hij uit de kerk kwam. Hem dacht echter, dat de Professor in het Hollandsch zoo zuiver niet was, als hij meende. Eens onder anderen meende hij hem op de uitspraak van menSCHEN als menSEN betrapt te hebben: maar de man begon toen ook al oud te worden....

Maar foei, de kleine ruimte aanziende, die mij nog overschiet, bemerk ik, dat het meer dan tijd is, om den waardigen man van een anderen kant te teekenen. Want hoe vreemd het luide, onder die belachelijke vormen verbergt hij het beste hart van de wereld. Hij is in zijn vak een knap man, en zelfs in het wijsgeerige gedeelte er van geen vreemdeling. Hij heeft een goede leermethode, waardoor hij bekwame discipelen vormt. Hij is even bemind bij de kinderen, als geacht bij de ouders. Hij is een voorbeeldig huisvader, die nacht en dag zwoegt om zijn talrijk gezin te onderhouden. Zelf een man van zedelijke en godsdienstige beginselen, zoekt hij die ook aan de jeugd in te prenten. Hij heeft dus geen enkele groote ondeugd, al heeft hij al de gebreken van zijn stand. Nieuwenhuizen en de Wet van 1806 hebben hem innerlijk geheel ontbolsterd. Nu moet er nog slechts een andere Nieuwenhuizen opstaan, om hem ook uitwendig den zotskap van het hoofd te nemen. Wie weet, als hij deze schets leest....

INHOUD.

De Haarlemsche Courant. Bladz. 1. De Haarlemsche Courant. (vervolg.) 9. Het Album. 18. De Huisklok. 29. Muziek. 38. Ruiten troef. 50. Het Schaap. 60. Sint-Nicolaas. 69. Het Legaat. 74. De Stamboom. 89. Het Portret. 103. De Bibliotheek. 118. Oude Vrijsters. 132. Een afscheidsbezoek in 1871. 140. Een Afscheidsbezoek. (vervolg.). 153.

Verspreide stukken van Jonathan.

Gekroonde Vrouwen. (26 October 1837.) 177. De Koning komt. (3 Augustus 1842.). 185. De Koning gaat ten grave. (Maart 1849.). 197. Twee Monumenten. (1676–1841). 211.

Nederlandsche typen.

I. De Zeeuwsche arbeider. 217. II. De Rotterdamsche sleper. 220. III. De Straatjongen. 223. IV. Het Melkmeisje. 226. V. De Haringkooper. 229. VI. De Schaatsenrijder. 232. VII. De Schoorsteenveger. 235. VIII. De Hofjes-jufvrouw. 238. IX. De Vischvrouw. 241. X. De Rotterdamsche Zakkendrager. 244. XI. De Groenvrouw van Rotterdam. 247. XII. De Dorpsschoolmeester. 250.

SCHRIJFFOUTEN.

Als zoodanig verzoekt de Schrijver vergiffenis voor eenige grammatikale vrijheden, b. v. waar het woordeke klok in de persoonsverbeelding in het mannelijk, het woord schaap voor het minder gewone ooi in het vrouwelijk geslacht voorkomt enz. Ook aan drukfouten zal het wel niet ontbreken. Zoo is het den schrijver bij het nazien ontsnapt, dat op bl. 144 reg. 9 de titel van de welbekende nieuwe Fransche roman van Gustave Droz: Monsieur, Madame et Bébé verkeerd is opgegeven. Maar hoe gemakkelijk zal het zijn, deze kleine afwijkingen te vergeven, waar men zoo veel andere en grooter gebreken te vergeven heeft? De Schrijver beveelt zich bij voortduring in de edelmoedige welwillendheid zijner lezers.

AANTEEKENINGEN

[1] Chaudfontaine.

[2] Een uitdrukking van Claudius, van wien hij veel hield.

[3] Waarom niet? Byron zegt wel van de maan: Sun of the sleepless.

[4] Zie Voorrede.

[5] De droom, naar Byron door Beets.

[6] Men herinnere zich, dat deze schets vóór dertig jaren geschreven werd. Thans zouden enkele trekken wel eens minder kunnen gelijken.