Part 3
Maar reeds zijt ge mij vooruitgeloopen, en wijst met uw vinger op het artikel; Een jonge Dame van fatsoenlijken huize enz. Gij hebt gelijk. Dat is een artikel waarbij ieder gevoelig hart een poosje stil staat. O, het is zeldzaam, dat die weinige letters geen gansche geschiedenis van een wreed lijden bevatten. Mij althans stellen ze dadelijk een bewegelijk beeld voor den geest. Een jonge dame—dus in den bloeitijd des levens, waarin het hart den Armida-tuin der poëzie bewoont en zich met idealen voedt; dus in dien tijd, waarin het harder is dan ooit, wanneer de koude des levens den stroom der verbeelding doet bevriezen, zoodat hij in plaats van den hemel te weêrspiegelen tot een looden lijk wordt; van fatsoenlijke huize—dus geboren en opgevoed in de lauwe atmosfeer der welvaart; gewoon aan gemakken der weelde, aan genoegens der gezelligheid, en wat het ergste is; door dit alles verfijnd, week en gevoelig gemaakt; biedt zich aan—tot het bewijzen van diensten, die zij gewoon was te ontvangen, tot het geven van onderwijs in de talen en talenten, die men haar zelve tot den prijs van groote kosten heeft doen aanleeren; zij vergenoegt zich met een klein salaris, op voorwaarde eener goede behandeling—ziedaar den laatsten, misschien den bittersten trek van allen. Daarin vertoont zich nog een spoor van haar fijner gevoel. Geen gemeene dienstbode pleegt zulk een afspraak te maken,—ofschoon de Hemel weet of het overbodig zijn zou! Zij verkeert in behoefte, dit blijkt uit haar aanbod, maar evenwel liever armoede dan hardheid! Men wreke het recht dat men koopt liever op haar gewaad, dan op haar hart! Wilt gij hooren hoe een vrouw haar lot beschrijft? Gij zult er de vrouw in herkennen. Van alle degenen, zegt Mistress Hall, die door de wankele schaal van het geluk gedoemd zijn, om het eigen brood te verdienen, hebben er geene meer aanspraak op medelijden dan gouvernantes. De dienstbode heeft, als haar werk gedaan is, een paar uren over, die haar alleen toebehooren. Hare eerzucht strekt zich niet verder uit dan haren kring. Maar de gouvernante heeft geen bepaalden kring.—Zij wordt beschouwd als deels tot de gezelschapskamer te behooren;—vaak wordt zij uit de laatste verdreven, en met walging verlaat zij zelve de eerste. Tusschen een dubbel bestaan worstelt zij; zij is een soort van tweeslachtig wezen, dat tot twee verschillende toestanden behoort; zij moet als eene fatsoenlijke vrouw voor den dag komen; en krijgt nauwelijks kameniersloon. Zij moet kundig en beschaafd zijn, en toch hare kunde en beschaafdheid voor zich houden tot zij er naar gevraagd wordt, ja zelfs beleedigingen moet zij vaak verdragen, als of zij er het gevoel voor miste. De Hemel sta haar bij, die op een gouvernantesplaats uitgaan want van de aarde kunnen zij weinig ondersteuning verwachten. Boekdeelen zou men kunnen vullen met het lijden eener gouvernante.
Zie, dit en zoo veel meer rijst mij voor de verbeelding, zoodra ik mij een dier beklagenswaardige schepselen vertegenwoordig, waarvan iedere verschijndag van de Haarlemsche Courant er eenige in veiling brengt. Zeker, ik ben er verre af van ongevoelig te wezen voor het ongeluk van diegenen uit mijn geslacht, die tot dezelfde opoffering geroepen worden; bovenal heb ik sympathie voor de smart dier jonge Zwitsers, die, door de stem van plicht of behoefte gedrongen, van hun hooge sneeuwbergen afdalen, om in de laagte hun onderhoud te zoeken, maar met het gevoel van den arend, die de vallei haat welke hem voedt, en alleen boven te huis is; doch dit neemt niet weg, dat ik hen vergeet wanneer ik ze in de nabijheid van een vrouwelijke lotgenoot geplaatst zie. O, het is waar, te dienen is de bestemming der vrouw; te dienen is zelfs haar geluk, indien zij waarlijk vrouw is; maar zóó te dienen, de vreemde moeder, die haar diensten koopt; het vreemde kind, dat geleerd wordt haar te gehoorzamen, niet haar lief te hebben; misschien den zoon des huizes, wiens zijde zij als bruid versierd zou hebben—zie, dat is hard! dit doet het oog schemeren, alleen van het aan te zien.
Evenwel, ik erken dat er uitzonderingen zijn; ik weet dat zij er zijn. Ik ken gezinnen, waarin de vreemde weeze als een dochter ontvangen is; waarin de van haar zusters gescheidene nieuwe zusters gevonden heeft: waarin vriendschap en liefde de geslagen wonden geheeld zouden hebben,—indien zulke wonden zich ooit heelen lieten. Ook is het hartverheffend voor mij, als ik hier of daar het verwachte slachtoffer zulk een ontvangst bereid zie. Zoo weet ik niet wie zij is, en toch denk ik met achting en genegenheid aan die oude Dame, die voor eenigen tijd in de Haarlemsche Courant aanzoek om een Juffrouw van gezelschap deed, en er bijvoegde: „liefst een jong meisje, wanneer zij niet vreest zich in het gezelschap van een oude vrouw te zeer te vervelen.” Mij dunkt als ik zulk een meisje geweest ware, ik zou mij op dit zeggen af aan haar verbonden hebben, al had ik niets meer van haar geweten.
Wat mij evenwel het meest grieft, is het denkbeeld, dat bij de toeneming der weelde het getal dezer ongelukkigen niet verminderen zal. Ik durf er niet aan denken, hoe het daarmeê in de Haarlemmer van 1939 zal uitzien. Gelukkig dat ik er dan niets van merken zal, als de gouvernantes met haar kinderen komen om op mijn graf boterbloempjes te plukken.
Ik kan mijn Courant niet op zij leggen zonder nog met een woord van de Boekaankondigingen gesproken te hebben. Boekaankondigingen—van onder, Mijne heeren! vreeselijk! vreeselijk! Het is of het hier, zoo als ik eens in de opera zag, papier uit den hemel sneeuwt. Waar komen ze allen van daan? Maar wat vraag ik nog, als ik slechts aan de duizend en één schrijvers denk, wier pennen ik zeker ben dat ik, even als de mijne, als het maar eens recht stil was, over het papier zou kunnen hooren krassen. Waar blijven ze allen? dat raadsel is spoedig opgelost; het antwoord staat er, even als bij de logogryphen in de kinderboekjes, vlak onder—in die menigvuldige aankondigingen van Boekverkoopingen, die het meeste, dat onder den weidschen titel van meesterwerk in de wereld gekomen is, onder den zedigen titel van scheurpapier er weêr uithelpen,
in vicum vendentem thus et odores, Et piper et quidquid chartis amicitur ineptis,
zoo als Horatius zegt. Daarom noemt dan ook Mr. Weiland geestig (maar dit is een pleonasmus) den kaaswinkel den eenigen Hercules, die op den langen weg tot het werk opgewassen is, om den letterkundigen stal van Augias op te ruimen.—En toch is het mij wel eens voorgekomen, dat het voor die nieuwe boeken hard was, zoo met hun voet op hun doodkist te staan, als een Karthuizer bij zijn geopend graf. Doch wat zal men er aan doen? Zij moeten hun troost maar in de les der voorafgaande registers zoeken. Naar mate de bevolking toeneemt, vermeerdert de sterfte. En leven ze kort, ze kunnen niet zeggen, dat ze roemloos geleefd hebben. Want immers worden al de mooie woorden van onze taal bewaard, om hun bij hun intrede in de wereld als een getuigschrift in hun borst meê te geven. Als gij den Uitgever gelooven wilt, is dit boek nu eigenlijk wat aan de wereld ontbrak. Mijnheer A. heeft dit gezegd, Mijnheer B. heeft dat gezegd, maar mijnheer C! alle hoeden omlaag voor Mijnheer C! Mijnheer C. is zoo volmaakt als het papier, waarop zijn boek gedrukt is. Het boek van Mijnheer C. is zoo goedkoop, als het talent van Mijnheer C. onbetaalbaar is. Te vreden kunt ge zijn op de wereld zonder het boek van Mijnheer C., maar gelukkig niet. Niet om Mijnheer C.’s wille, niet om des boekverkoopers wille, maar in uw eigen belang, in het belang der geheele menschheid, koop het boek van Mijnheer C.!
Spot maar, Jonathan! het zal u wel opbreken. ’t Is waar ook, daar vergat ik geheel en al, dat hetgeen ik hier nederschrijve, mede bestemd is om in het licht te komen, en misschien wel om in de Haarlemsche Courant te worden aangekondigd. Mijn arm boekje! Hoe bang zal men het u misschien over dezen uitval maken. Mij dunkt, ik zie u reeds in een hartige beoordeeling, in de omgekeerde rede behandeld. Het boek van Jonathan is slecht; dit ontbrak nog maar aan de zoogenaamde humoristische prullen, waarmeê we overstroomd worden. Hildebrand heeft dit gezegd, Vlerk heeft dat gezegd, maar Jonathan is nog veel erger. Alle vuisten op het hoofd van Jonathan, enz.
Het zij zoo; ik moet het afwachten. Ik kan niets doen dan mijn uitgever vragen, dat hij bij de Heeren Enschedé een klein onopgemerkt hoekje voor mij verzoeke, en er dan niets tot aanbeveling bij voege; ja kan het zijn, er de inhoudsopgave bij late drukken, opdat iedereen te voren wete wat hij te lezen krijgt. Dit alleen voeg ik er bij; maar hier, zoodat gij ’t niet ziet dan nadat gij ’t boek gekocht hebt; dat ik weet, dat nooit een schrijver het beter met zijne lezers meende, dan de minste der broederen, die deze bladen schreef.
En nu, waarde Lezer van de Haarlemsche Courant, alles wat goed en wenschelijk is! Denk soms aan mij, als gij het blad in handen neemt, dat ik met u doorloopen heb, zoo als ik aan u. De hemel schenke u den zegen van menig gelukkig geboortebericht, en eerst laat en vredig een plaatsje onder de doods-advertentiën.
Judith! breng de Courant weg.
HET ALBUM.
„Voor niemand t’huis, Judith!”
Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een meesmuilenden glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet; maar zij schijnt eenig vermoeden te hebben, om welke reden ik mij aldus afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van den weg te brengen, door bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb papieren die ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een balans maken”—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik buiten de Haarlemmer Courant nooit eenig papier van gewicht krijg; dat de brieven die ik ontvang niet veel meer bevatten dan een „God zegene u!” mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn balans zoo eenvoudig is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geen dupe van deze krijgslist, en begrijpt volkomen den verborgen zin van dit consigne. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik geloof dat ik wel kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb namelijk volstrekt geen slag om mijn uitwendig voorkomen te beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk over mijn geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geene parodie op de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een albasten vaas gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed heenschemert. Zoo veel is ten minste zeker, dat ik niets heb van Mijnheer.... gij kent hem wel, en Mevrouw.... gij weet wel wie ik meen, die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het bij hen veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen doen de meeste menschen of het geheele leven een bal masqué is, en hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en herkend te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar toch een weinig lastig voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen machtig worden, of, zoo zij al eens een vreemde huik omhangen, haar zoo linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, die meent dat zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond steekt. Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie of hoor dat mijn bewondering, geestdrift of verontwaardiging gaande maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten zijn purper omhoog en overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; verneem of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel opwekt, terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt haar vocht opwaarts, dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel beklemt en aan mijn stem het geluid van een vochtige snaar geeft. Van daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, er de sporen nog van behoud, gelijk de zee, si parva licet componere magnis, nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit in mijn eenzaamheid aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of mijn gezicht verraadt het geheim mijner afzondering. Zelfs heb ik geen baat gevonden bij het middel van een mijner geliefde Bijbelheiligen, van wien ik lees: Ende Joseph haestede hem, want sijn ingewant ontstack tegen sijnen broeder ende hij socht te weenen; ende hy ging in eene kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, ende quam uyt; ende hy bedwong hemselven.—Meermalen heb ik beproefd mijn gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden straal in mijn oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geen sourdine dwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook zachtkens als een pluim weêr naar beneden en in rust zinken.
Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijn Editha gaande. Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan binnenkom, en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar mogelijk is, over onverschillige dingen spreek; zij heeft mij alleen aan te zien om met een spottenden lach uit te roepen: „Jonathan heeft weêr geesten gezien!” In mijn Editha nu is dit niets vreemds; zij ziet den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik behoor; maar dat ik mij voor Judith niet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij zoo veelbeteekenend lacht, als ik haar met het eenvoudigste gelaat der wereld zeg: „Voor niemand t’huis, Judith!” komt nergens anders uit voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die afzondering voorheb.
Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij is, waarover ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en gevoelig te zijn, waarom zou ik mij beter voordoen, dan ik ben? en indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, daar ik zoo veel ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het spotziek lachje van mijn goede oude getrotseerd!
„Voor niemand t’huis, Judith!”
Maar wat nu Judith niet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat zien glinsteren, als ik van den berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is omgegaan. Ook is dit verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen, die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op andere tijden evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen, waarvan ik geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing van mijn Album.
„De beschouwing van uw Album?”
„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijn Album nooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er zoo’n ding niet op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want ziet UEd., uw album en het mijne hebben juist zooveel van elkander, als die prachtige gouden collier, dien UEd. om den hals heeft, en dit haren koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp van weelde, bijna zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het belegd is; zie, men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het eens in te zien?”
„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.”
„Allerliefst! van wie is deze teekening?”
„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik weet het waarlijk zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens ontmoet heb.”
„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem bijzonder.”
„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft hem voor mij om een handschrift gevraagd.”
„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het nog in twee of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik? Geducht! Welk een verzameling! Er zijn er wel honderd, geloof ik.”
„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik u een blaadje aanbieden?”
„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.”
Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou nooit zeggen, dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens deftig uitzien! Een zwart lederen band is zijn omslag, met een eenvoudig opschrift:
PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM.
S.
Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen minnaar van den gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een koker. Bij mij heeft altijd de regel gegolden, dien ik van anderen dan van de Franschen wenschte te ontleenen: Les amis de mes amis sont mes amis. Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen der vriendschap liet griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem mij lief hadden, en hoe zij mij hunne liefde betuigden. Vriendschap is voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, welke zij draagt, niet alleen aan zich, maar ook aan elkander verbindt; voor velen heeft zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere kust, zonder ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof maakt. Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat hun aller namen in één.
Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling gebezigd. Ik ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap, die daarin klinken, om die aan het oor van onverschilligen prijs te geven. Ik heb te veel eerbied voor de uitdrukking der heiligste gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der dwaasheid te mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte, dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort spreken, hem beletten zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon Albumbeschouwer te bejegenen. En nog meer blijkt de prijs, dien ik op deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er zelf mede omga. Het is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te nemen. Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter loops, met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar met een zekere plechtigheid, die ik mij toeschijn aan de gedachtenis der dierbaren, die daarin tot mij spreken, verschuldigd te zijn. Ja, dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, mij nooit dat genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen, door het uitzetten van een schildwacht:
„Voor niemand t’huis, Judith.”
Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne vrienden! is voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige naam van een geheimzinnig wezen! Hoe zal ik den vorm beschrijven, waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor mijn verbeelding het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd tot tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht wordt; vervuld met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven, en nu eens duidelijker voorkomen, dan zich weêr in den mist die den achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige schijnsel, dat als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen of genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat staren in een onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten. Ongelijk aangenamer is het dus, zich met een lamp in dit schimmenrijk te begeven, de gestalte op te zoeken die men begeert te vinden, haar uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar voren in een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden. Daartoe nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het Verledene, door zichtbare gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik dat open, klinken lang verdoofde stemmen mij onderscheidenlijk te gemoet.
Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is voor mij een soort van geestenbezweering; een oproeping als die van Saul aan de waarzeggende vrouwe van Endor: Doet my opkomen, dien ick tot u seggen sal.—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver van mij, of hoog boven mij zijn. Ik daag hen bij hunne namen op, dwing hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt tot hen en verkeer met hen als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van de geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en horoskooptrekkers van onze kennissen weren; het is goed dat wij onze kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen van Bamberg brengen en hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is goed dat wij Stilling’s Geestenwereld niet meer gebruiken, dan om elkander op een stormigen avond bang te maken; maar evenwel zijn wij misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood is dood! zegt men met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de kist zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten, vooral als we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke indrukwekkende verschijningen! Zij brengen ons zulke belangrijke tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke wijze lessen in den mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij zich als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een krans van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de hand, ons toeroepende:
’t Ware leven is omhoog.