Waarheid en droomen

Part 29

Chapter 293,855 wordsPublic domain

Het huisje van de hofjesjufvrouw,—dat het bewijs oplevert dat atomen kunnen verdeeld worden,—is in twee vertrekjes gescheiden, in een van welke zij slaapt, terwijl het andere haar woonvertrek uitmaakt. Een beschot, tusschen dat vertrekje en de deur geplaatst, vormt een nauw gangetje, dat met eenzijdige voorkeur voor pijpenstelen en dunne menschen is aangelegd. Daar zit ze op een houten vlonder, (de ramen zijn doorgaans hoog en de bewoonster nieuwsgierig,) en beheerscht van die hoogte het geheele hofjesplein met hare blikken. Fijne matjes, zoo glad geboend dat men er op loopen moet als op een stijfgespannen koord, dekken de verhevenheid, waarop zij woont. Op de tafel, waaraan zij zit, vindt men onder anderen in den regel: een zwart segrijnen bijbel met zilveren sloten, en met een zilveren bril tusschen de bladeren ingestoken, (de knijpbril staat op den neus); een melkkannetje met hyacinten, seringen, of ook ’s winters zevenjaarsbloempjes, en bij ontstentenis daarvan, gele of witte papierbloemen; een snuifdoos; een trommeltje met kokinjes; een breikous van zwart sajet enz. Aan het schot, tegenover de bewoonster, hangen eenige schilderijen, vooral Dominees met krulpruiken, tooneelen uit de H. S. als een verloren zoon in modern kostuum en anderen; soms ook een mislukt heeren- of damesportret, dat haar als een erfstuk, ter gedachtenis aan haar ouden meester of meesteres, geschonken is, wier beeld haar dankbaar geheugen in het monster, dat voor haar oogen hangt, best herkent. Achter de hofjesjufvrouw staat een kastje van mahonyhout met glazen deuren. Op de planken van dit prachtmeubel, dat voor haar een etagère vervangt, staat menig artikel, dat de fraaiste nieuwmodische etagère versieren zou, als daar zijn: lange lijzen, koppen met de zes merken, roode Lilliput-potjes, gezwegen nog van de borden van den spinnekop en de schalen van de krab. Naast dit kastje staat een ijzeren pot, waarop zij elken middag haar sober maal kookt, en waaraan zij zich ’s winters verwarmt totdat er aan haar koud bloed geen ontdooien meer is. Op deze wijze leeft de hofjesjufvrouw het gansche jaar in dezelfde afzondering en stilte voort, die slechts eenmaal ’s jaars door een dag van drukte en gewoel wordt afgebroken: het is de dag, als zij de kinderen uit het huis van haar vorige dienst ten eten genood heeft. Dan worden de geplooide gordijntjes opengeschoven; dan wordt de dikke poes naar de vliering verbannen; dan ruimt de bijbel zijn plaats op tafel voor dobbelsteenen, pachtpenningen en lottospel; dan brandt in huis het vuur en sist de pan; dan knarst buiten de pomp en klinken de schellen op het gansche hofje; dan wordt de palm rondom de tuintjes vertreden en de balsaminen in de bedden geknakt; dan wordt tegen alle ruiten getikt en over alle onderdeuren geknord; alles tot dat de avond valt en de kleine hoop, met een komfoor en poffertjespan, om een grooten pot met melkbeslag vergaderd wordt om poffertjes te bakken, bij welk feest de arme gastvrouw een droevig slachtoffer van de speelschheid harer gasten is, terwijl de naweeën eerst recht beginnen, als de knapen naar huis zijn en alle buren hare klachten komen inbrengen tegen de stoute bengels, die zij op ’t hof gehaald heeft.

En toch schijnt ze nog te leven voor dien eenen dag; en toch spaart ze daar alles voor, en heeft er alles voor ten goede; en toch zal zij dien blijven vieren, tot dat zij de steenen trappen afgedragen wordt.

Zoo hebben dan deze hofjes-jufvrouwen, ondanks haar weinig bekoorlijk en veelzins belachelijk voorkomen, toch hare eigenaardige deugden, die haar iets belangrijks, en zelfs bij wijlen iets verhevens geven. Het hofje is een doos met oude ongangbare potstukken, maar van echt gehalte. In deze gebroken vaten ligt een schat van verknochtheid en trouw aan hen, wie ze vroeger hebben toebehoord, helaas! die gedurig zeldzamer wordt. Misschien is het een zwartgallige inval, maar ik vrees, dat onze dienstboden niet meer zoo vele hofjes met oude trouwe zielen zullen kunnen vullen als ik gekend heb. O tijden! o zeden! moet dan het bederf uwer nieuwigheden zelfs de hofjes, die wijkplaatsen des ouderdoms, aantasten? Doch ik wil mij aan die treurige denkbeelden niet overgeven. Voor als nog zijn er op deze musea van antiquiteiten een menigte van zulke gebroken standbeelden der godin Fides. Daarheen neem ik mijn toevlucht, wanneer de wuftheid en ondankbaarheid der jonge wereld mij bedroeft, en verkwik mij aan die levende toonbeelden eener trouw, als die—de hofdames vergeven mij de vergelijking—van den ouden Fidel, die van zijn hartstocht voor hazen- en patrijzenbouten, als laatste en eenige liefde, de verkleefdheid aan zijn meester heeft overgehouden. Ik denk, dat op dit oogenblik menigeen met verteedering aan de liefde denkt, hem als kind door zulke oude getrouwen om zijner ouderen wil bewezen, en tevens met schaamte om de jongensachtige ruwheid, waarmede hij die liefde heeft betaald. Nu, de goede oudjes hebben het ons vergeven, en zijn met goede wenschen en beden voor ons op de lippen ter ruste gegaan naar dat andere hof, waar de trouw van hen, die er hun intrek nemen, nog betere belooning vindt.

IX.

DE VISCHVROUW.

Als wij de legende gelooven zullen, waren er oudtijds zeemeerminnen. Hooren wij daarentegen de natuuronderzoekers, dan is haar geheele bestaan een fabel. Maar nu komen de wijsgeeren tusschen beide, en vragen: waar komt die fabel dan van daan? want, en dat moet ik hun toegeven, men noemt geen vrouw meermin, of daar is een staartje aan. Ik waag het allerzedigst een oplossing van dit belangrijk vraagstuk te beproeven. Zou de geheele verdichting der zeewijven ook uit een bijgeloovige vereering van de Vischvrouw kunnen ontstaan zijn?

Lach zoo spotachtig niet, Mevrouw! Wees liever zoo goed mij te volgen. Wij willen de vischvrouw een bezoek geven.

Zie, ginds tegen het duin aan, als een schelpvisch tegen de rots, hangt haar woning. Het schijnt ook zelve bijna een schelp, die daar door den vloed is neêrgeworpen om door de ebbe weêr meêgenomen te worden; zoo nietig komen die stulpen op het breede strand voor. Evenwel in die schelp woont een mensch; wat zeg ik, eene geheele verzameling van menschen. Laat ons binnengaan!—Men zal ter vischvangst uitgaan. De netten zijn gereed, de knapzak is voorzien, de visschers zullen vertrekken. Vader met zijn oudsten zoon als knecht en den derde van de acht, die zoo lang gesmeekt heeft, tot dat moeder hem vergund heeft meê te gaan. Verwondert gij u over de teederheid van het afscheid van deze „lompe” menschen? Verwonder u liever over hun blijmoedigheid!—Want, mag ik u verzoeken? Zie eens even naar buiten. Ziet gij die pink dáár, gereed om zee te bouwen? Een ijzig gezicht, niet waar? Van hier beschouwd, lijkt zij betrekkelijk niet grooter dan de notendop, dien wij als kinderen in de theekom lieten varen. Welnu, die dop zal haar drie kostbaarste schatten laden. Nog eenige oogenblikken en hij dobbert met hen op den diepen oceaan, waarvan een enkele golf tien zulke scheepjes vult. Verbeeld u, Mevrouw, dat Mijnheer uw gemaal en de jonge Heer de student en.... foei! ik doe u schrikken. Wees gerust! het geldt deze vischvrouw maar! Doch beken echter, dat er achter dit grove jak een hart moet kloppen, waaruit men tien harten van uw romanheldinnen kneeden zou?

Eenige uren later. Hebt ge moed? Het is zeker noodweêr. Het stormt een orkaan. De bliksem zwaait onophoudelijk zijn blauwen fakkel over de zwarte golven. De donder buldert tegen den wind in met hortende slagen, alsof zijn stem telkens door den storm gesmoord werd. Onder dezen strijd der elementen kookt en schuimt de zee als een ziedende ketel op een onderaardsch vuur, en spat haar water tot in de hut. Die hut zelve is een tooneel van verwarring en angst. De zes kinderen, die t’huis gebleven zijn, loopen half naakt en schreiend door elkander. De oudsten slaan bevend de lucht gade en staren dan weêr op de zee, als om bij het licht van den bliksem iets te onderscheiden. De jongsten schuilen aan moeders schoot en gillen om vader. Door dit rumoer heen klinken de noodschoten van een strandend schip, en de kreten van het zeevolk, dat bezig is een boot ter redding uit te zetten.—Gij beeft, Mevrouw! Mag ik u wat eau de cologne geven? Verman u een weinig. Zie onze visschersvrouw! zij heeft drie beminde panden op zee. Zij weet, dat de boot te zwak is om zulk een orkaan te weerstaan. En toch blijft zij bedaard en kalm. Zij schijnt den storm, die buiten woedt, niet te bespeuren, en heeft alleen oogen voor de onrust, die binnen heerscht. Merk op, met hoe veel zielkracht zij haar oudste kinderen zoekt te bemoedigen, haar jongste te sussen. Het gelukt haar eindelijk. Maar waar gaat zij heen? Wat doet zij in gindschen hoek? Zie, zij bidt!—Daar komt zij weder. Welk een stille berusting op haar gelaat. Zij slaat een schichtigen blik naar buiten, maar heft hem terstond weder naar boven, en begint zingende haar jongste lieveling in slaap te wiegen. Welk een treffend gezicht! Is het niet als een standbeeld van de Rust in het hol van den Storm?

Den volgenden morgen. Het ergst is gebeurd. De boot is aan strand gekomen,—maar ledig. Alleen haar oudste zoon heeft zich met zwemmen gered. Willen wij de vischvrouw een rouwbezoek gaan brengen?—Zij is niet te huis. Daar is niemand dan haar kinderen, die om brood schreien. Zij zal op het strand zijn. Ja, daar is zij, bij den afslag. Daar koopt zij haar mand vol visch, dien haar man had moeten t’huis brengen. Met dien mand op den rug draaft zij naar den stad. Zie eens, hoe bleek zij ziet en hoe rood haar oogen zijn. Maar haar opgericht hoofd draagt de ben, en haar naakte voeten loopen in denzelfden draf als altoos. Moederliefde overwint den storm in haar binnenste, even als gister den storm buiten. Zoo draaft zij, halfdood van vermoeidheid en uitputting, de stad op en neder. Huis aan huis biedt zij haar visch te koop. Niet noodig! is het refrein, hier en daar afgewisseld met een snauw: hoe veel geld? Het is te veel. Dan wordt er gedongen en beknibbeld, en somtijds zelfs de arme met hardheid weggezonden, opdat Mijnheer en Mevrouw hun eerst gerecht toch zoo goedkoop mogelijk op tafel zullen hebben, terwijl haar zes kinderen van honger versmachten. En toch is zij te fier om te klagen of te bedelen. Die schande zal zij haren man in het graf nooit aandoen. Zij zal liever werken totdat zij er bij neêrvalt, eer zij de hand tot een aalmoes uitstrekt.

Eindelijk is haar vracht verkocht, en keert zij naar het dorp terug. Nu verzorgt en voedt zij de ongelukkige weezen. Terwijl de kinderen eten, gaat zij met haar oudsten jongen naar het strand, om met hem over de herstelling van de gestrande boot te spreken. Want hij moet hoe eer hoe beter er weder op uit. Zij heeft nog geen schrik van het element, dat haar pas een man en een kind kost. Zij heeft ook nog geen afkeer van het leven, dat haar zoo zwaar valt. In een romance zou men haar laten verlangen om bij haar lievelingen in den schoot der blauwe baren te rusten. Maar daaraan denkt zij niet. Zij voelt den last des levens op haar drukken als een taak. Wat dus anderen werkeloos zou doen nederzitten, spant en prikkelt hare werkzaamheid. Ware het mogelijk, zij zou er zelve op uitgaan. Maar daar dit niet kan, moet haar zoon de plaats van zijn vader vervullen. Zij zal hem den tweede tot hulp medegeven. Wacht hen hetzelfde lot.... het zij zoo! het staat in hooger hand! zij zal hen zien vertrekken, zonder een traan te laten. Mij dunkt, gij ziet haar met bewondering aan. Gij hebt van zoo iets heldhaftigs geen denkbeeld. Gij vindt het boven het vrouwelijke, ja, boven ’t menschelijke.... Pas op, Mevrouw! anders maakt gij er nog een zeewijf van.

Ik weet niet of ik u overtuigd heb. Het is altoos slechts een gissing, die ik voor beter geef. Maar indien ik niet eenige meerdere ingenomenheid met de Vischvrouw bij u heb opgewekt, dan eer gij dit opstel in handen naamt, dan heb ik tijd en inkt verloren.

X.

DE ROTTERDAMSCHE ZAKKENDRAGER.

Lezer! Indien gij slechts half zooveel eerbied hebt voor nijvere arbeidzaamheid als de schrijver van deze schets, dan verzoek ik een oogenblik uwe belangstelling.

Inderdaad! in de geheele menschelijke maatschappij ken ik geen stand, die zoo sprekend het denkbeeld van noeste vlijt uitdrukt en als het ware verpersoonlijkt als die, waartoe de Rotterdamsche Zakkendrager behoort. In de dierenwereld zijn het de mieren, die bovenal den roem der arbeidzaamheid wegdragen. De zakkendragers nu zijn de mieren der maatschappij.—Wie heeft ze nooit gadegeslagen, die nijvere diertjes, hoe zij op de plaats waar zich hun nest bevindt een grimmelend leger vormen, dat onophoudelijk heen en weder trekt en door elkander zwiert, zonder elkander te belemmeren, terwijl zij de zwaarste lasten torsen? Welnu, hetzelfde schouwspel, in het menschelijke overgebracht, leveren dagelijks de Rotterdamsche straten in de werkzaamheid der zakkendragers.

Het hoofdkwartier van dit nijvere leger is het zoogenaamd zakkendragershuisje. Daar is het getal en de zwaarte der lasten bekend, die elken dag moeten worden getorst. De verdeeling geschiedt bij het lot. Een eerlijk soort van dobbelspel. Terwijl elders de aanzienlijke speler aan een roekeloozen worp het vermogen van vrouw en kinderen waagt, dobbelen deze kerels om den last, waarmede zij hun brood verdienen. Schieten er manschappen over, dan worden de hoogste nommers ontslagen, over welke teleurstelling zij zich gewoonlijk in de kroeg zoeken te troosten.

Nadat het groote leger in kompagniën en sectiën verdeeld is, begeven zich de onderscheidene koppels ieder naar de hun aangewezene plaats. Daar gekomen wordt het werk nader onder hen verdeeld. Ondersteld, zij zullen turf opdragen. Dan krijgt ieder zijn post. Sommigen staan bij de schuit en stapelen de manden. Anderen dragen ze aan. Anderen winden ze op, of brengen ze naar boven. Anderen eindelijk schikken de turven op den zolder. Bij dit alles nu heerscht een regelmatigheid die mij dit werk dikwijls met verbazing heeft doen gadeslaan. De acht, tien of twaalf menschen zijn niet meer zoovele menschen. Het zijn onderscheidene leden van één lichaam. Het zijn raderen van ééne machine. Nauwelijks is het sein gegeven, of het levend werktuig raakt in beweging. Geen raderen, door stoom bewogen, draaien geregelder in denzelfden kring rond en grijpen juister in elkander, dan de dragers elkander de hand leenen. Op den weg, dien zij hebben af te leggen, doen zij nooit een pas meer of minder, komen zij nooit een sekonde te vroeg of te laat. Bij het overgeven en overnemen van de vracht wisselen zij geen woord, geen wenk, geen blik zelfs. Ook is hun geheele denkkracht in hun werk als verzwolgen. Geen automaten kunnen werktuigelijker arbeiden. Maar daarom bezit ook hun arbeid den regelmatigen en zekeren gang van een uurwerk. O, dacht ik wel eens bij dit gezicht, wanneer wij menschen in de wereld even goed onze plaats wisten te kiezen en te bewaren, en elkander even gedienstig en trouw de hand reikten, welk een schoon werktuig zou het nu dikwijls verward zamenstel der maatschappij zijn, en hoe schoon en heerlijk vooral het werk, dat daardoor zou worden tot stand gebracht.

Het werk is volbracht. Het rad is afgeloopen. Het werktuig staat stil. Op eens komt er weêr leven in deze houten automaten. Het gelaat, waarvan het zweet met den arm wordt afgeveegd, ontspant en ontrimpelt zich en glimt van de voldoening van wel volbrachten arbeid. Men schertst met de meid, wier zolder men van turf heeft voorzien, die met een milden teug schiedammer de dorstige harten komt laven. Het verdiend loon wordt ontvangen en verdeeld. Men gaat uiteen.

Meen echter niet, dat dit werktuigelijke den zakkendragers ook buiten hun werk bijblijft. Gij zoudt hun grootelijks te kort doen. Boerenkinkels mogen ook buiten het veld iets van het dommekrachtige behouden, dat hun op het veld eigen is, bij de wakkere Zakkendragers is dit anders. Nauwelijks is de arbeid van hun schouders, of zij zijn zulke vroolijke en flinke kerels als gezonde arbeid ooit gemaakt heeft. En geen wonder. Zij hebben eene ruime en eerlijke broodwinning. Zij behooren zeker slechts tot de klasse der sjouwerlieden, maar zijn echter boven deze verheven. Zij behoeven niet op werk te wachten of er om te bedelen, gelijk deze, maar vinden iederen morgen hun taak en last gereed. Daarbij vormen zij onderling een gesloten college, een soort van gild. Nu zijn de patenten, en de algemeene vrijheid, gelijkheid en broederschap, waarvan deze het uitvloeisel zijn, wel eene heerlijke uitvinding: maar niemand zal mij echter tegenspreken, dat daardoor het eigenaardige, het afgeronde en gemunte, in één woord het typische van de verschillende standen in ons vaderland wel iets geleden heeft. O bakkers met uw witte slaapmutsen! O slagers met uw lange messen! O timmerbazen met uw gele voorschoten! Waar zijt gij gebleven? Neen, wij hebben geen rechte bakkers, slagers of timmerbazen meer. Wij hebben lieden, die bakken, slachten, en timmeren: maar het bakkersvoorkomen, de bakkersgeest, het bakkershart, dit alles is met de witte slaapmuts verdwenen. Eere daarom den Zakkendragers, die nog iets van het genootschappelijke en federative hebben behouden, dat vroeger den grondslag van onze staats- en maatschappelijke huishouding uitmaakte. Zij vormen een soort van broederschap, die hen met een zweem van esprit de corps bezielt, dien zij ook door het dragen van een ordeteeken zoeken aan den dag te leggen. Men heeft hen alleen te zien loopen, gelijk zij naar werk gaan of daarvan terugkeeren, met den linnen zak bevallig over het hoofd geslagen, om in hen den Zakkendrager te herkennen. Wat hun echter noch meer wichtigheid bijzet, is het gevoel, dat zij min of meer tot de stadsambtenaars behooren, en dus als verre planeten in de zonnebaan der burgemeesters-kamer wentelen. Zij zijn dan ook het college, dat bij hooge gelegenheden de lagere standen vertegenwoordigt; zij hebben het privilege om de paarden van ’s Konings koets te spannen en den kostelijksten aller lasten te trekken. Het gebeurt hun dan ook niet zelden, dat het koninklijk oog, met voorbijgang van anderen, die zich verbeelden hooger te staan, op hen afdaalt. Zoo wierp het feest, op den laatsten oudenjaarsavond door Z. M. aan de Haagsche turf- en zakkendragers gegeven, op al hun ambtgenooten een weerschijn van eer en aanzien, dat hen den zak nog fierder dan anders over het hoofd doet dragen. Men zegt dan ook, dat op dien avond menig Zakkendrager zoolang op Willem II heeft geklonken, totdat het actief van zijn naam in passief was overgegaan.

Doch laat ik niet lasteren. Wel is waar zijn de Zakkendragers vooralsnog geen leden van het Matigheidsgenootschap, en ik vrees of zij het ooit zullen worden. Maar even weinig plegen zij dronkaards te wezen. Zij zijn te bang om den zak, waaruit zij leven, te verliezen. Overigens zijn zij, als meest allen, die zwaren arbeid verrichten, kloek van voorkomen, trouw van hart en braaf van inborst. Het gaat hun als veeltijds: hoe zwaarder last op de schouders, des te lichter last op het hart!

XI.

DE GROENVROUW VAN ROTTERDAM.

Koopsteden zijn paradijzen, wat de kunst, maar woestijnen, wat de natuur betreft. De menschengroei, die er plaats heeft, schijnt er den plantengroei te verstikken. Kom bij voorbeeld te Rotterdam. Hoe dor, hoe bar, hoe winterachtig ziet alles er uit. Zelfs midden in den zomer! Alles hout en steen, steen en hout. Men zou denken, dat de menschen er, even als de oude toovenaars, steenen aten. Maar neen, zie ginds! Daar meen ik toch iets groens te ontdekken. Inderdaad, het is zoo. Daar is de groenmarkt. Dat is eene oase in de woestijn. Met welk een wellust rust het oog, van het flikkeren der zonnige straatsteenen vermoeid, op dezen groenen grond uit! Laat ons er een oogenblik van genieten.

Wij treden nader. Daar prijkt in haar groentenkraam, even als eene afbeelding van Ceres of Pomona in eene medaillon harer attributen, de groenvrouw.

Wij vinden haar bezig met het opmaken van haar loofhut. Dat werk is belangrijker dan het schijnt. Laat de groenvrouw geene schilderes van stillevens zijn, zij moet toch iets van de kunst van ordonnantie verstaan. Wacht u vooral te denken, dat deze bevallige schikking de vrucht van een blind of linksch toeval is. Integendeel. Mejufvrouw uwe dochter besteedt niet meer kunst om de bloemen in uwe vazen te schakeeren, dan de groenvrouw om haar kraam op te maken. Het is dus wel degelijk met opzet, dat die blanke bloemenkoolen zoo sprekend op dien rooden grond van peen (Rotterdamsche stijl) uitkomen, dat die harde komkommers zoo smakelijk tegen de malsche kroppen afsteken, en dat het geurige boonenkruid zoo verlokkend over de zilveren boonen ligt uitgespreid.

Is de kraam klaar, dan zit de groenvrouw, even groen en frisch als haar waar, tusschen haar schepping neder. Een helder gezicht lacht, even als de witte bloem tusschen de koolblaren, uit haar groenteprieel al de voorbijgangers tegen. Maar gij moet haar zien als er klanten komen. Dan is zij geheel beweging en drukte. Zij weet juist wat de „jufvrouw”, de „vrijster,” of het „vrouwtje” hebben moet. Gister heeft men van deze, eergisteren van die groente gehad: nu moet men hiervan nemen. Even rad als haar tong, gaan hare handen. In een oogenblik zijn de wortelen gekortwiekt, de koolen uitgekleed, de spinazie opgetast, de radijzen geschoren. Over den prijs wordt nauwelijks gesproken. Er is geen vreedzamer beurs dan die der tuinvruchten. De lieve natuur is zoo mild met haar gaven, dat men voor een betrekkelijk kleinen prijs een geheele moeskraam ledig koopt. Daarenboven regelt de vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid van het weder den marktprijs van den dag. Intusschen moet het niet ontkend worden, dat de groenvrouw wel eene schrale lente mag. Als de groenten te gauw aankomen, zit er te weinig winst op. Ach ja! tot tusschen de groene aardvruchten,—die treffende herinneringen aan de gouden eeuw, waarin men niets anders at,—is het egoïsmus doorgedrongen.

Indien ge voldaan zijt, zullen we verder gaan. Want er zijn nog andere species van het genus groenvrouw. Ziet gij gindsche deern, met dat juk op den schouder, waaraan twee groote manden slingeren? Dat is ook een groenvrouw. Die brengt haar waar aan de huizen. Want de markt is voor den burgerstand. De rijken laten de markt bij zich aan huis komen. In die manden vindt gij dus de bloem van den moeshof. Zoo veel mogelijk is ook de eigenares eene bloem onder de groenvrouwen. Want daar zij in de groote wereld verkeert, heeft zij meer wereldkennis en wereldtoon noodig, dan op de burgerlijke markt te pas komt. Niet altoos evenwel is haar taak even teeder en zwaar. Soms heeft zij alleen met de jonge juffers te doen, die „de week” hebben, of in de proefschool zijn om te leeren huishouden. Dan is zij spoedig klaar. Want wat weten die van groenten? Dalen evenwel de mama’s met haar twintig- en dertigjarige ondervinding en haar sedert aangeleerde huishoudelijkheid naar beneden, dan moet er heel wat gevleid en gelogen worden, eer de gevraagde prijs verkregen is. Niets beter dan met keukenmeiden van de kennis of van de familie te doen te hebben. Die hebben zoo veel te vertellen en te vragen, dat er geen tijd voor loven of dingen overblijft.