Waarheid en droomen

Part 28

Chapter 283,489 wordsPublic domain

Wat heerscht er nu bij den haringkooper een beweging en drokte! Op de advertentie in de couranten geplaatst: „Nieuwe groene haring te bekomen bij Van der Zout,” komen van alle kanten brieven en boodschappen aan. Hij weet nauwelijks hoe al de liefhebbers te helpen. De eerstelingen worden, half in het geheim, aan de beste vrienden (klanten) toegestoken. Voor de kleinigheid van een daalder hebben zij ’t genot van ’t eerste vischje. Maar welhaast stroomt de haringvloed met onbekrompen ruimte. Dan gelijkt de winkel van Van der Zout op een pakhuis. Het versche zeebanket wordt, in dozijnen en halve dozijnen verdeeld, in grooter en kleiner vaatjes gekuipt. Onder die bezigheid komt de eene smulpaap voor, de andere na, eens hooren. „wat hij kost,” om naar gelang daarvan bestellingen te doen. De nieuwe haringtijd is het Sinterklaasfeest der groote menschen. Hij is ook daarin aan het kinderfeest gelijk, dat hij de tijd van allerlei verrassingen is. Papa, die weet, dat moeder veel van een versch haringje houdt, loopt, van de societeit naar huis gaande, even bij Van der Zout aan en fluistert hem iets in het oor, waarop hij lachende ja! knikt. Een oogenblik later komt een jonge klerk binnen, en geeft den naam van zijn patroon op, met verzoek om aan dat adres een half dozijntje te bezorgen. Intusschen staat eene dame met ongeduld te wachten en roept, zoodra zij aan de beurt komt, met een vleiend stemmetje: „Van der Zout! zes aan de kostschool, je weet wel.” En terwijl zij de deur uitgaat, wordt zij tegen het lijf geloopen door een langen jongen heer, die gewichtige geheimen met Van der Zout schijnt te hebben, daar hij, na eenigen tijd zacht met hem gesproken te hebben, met een blos op het gezicht heengaat, nog wel twee, driemalen herhalende: „je weet niet van wien ze komen, hoor!” waarop deze met een goedhartigen lach antwoordt: „neen, mijnheer! ik weet niets!”—Zie, zoo wordt dit zoute vischje in de hand der vriendschap, der dankbaarheid en der liefde een zoet geschenk, dat voor menigeen zijn hoogsten smaak ontleent van het gevoel, dat het schonk. En indien Van der Zout in den nieuwen haringtijd klappen mocht, zou het ons blijken, dat de menschen, nog zoo gierig, liefdeloos en ondankbaar niet zijn, als sommige zoute haringen onder de menschen ons wel zouden willen wijs maken.

Kon ik nu ook zeggen, dat zij ongelijk hebben, die beweren, dat met den achteruitgang der haringvisscherij ook eene der mildste bronnen van ’s lands welvaart is opgedroogd. Maar, helaas! dat kan ik niet. De dagen zijn voorbij, toen het gebed „voor de groote visscherij,” een openbaar nationaal volksgebed was. Laten wij ons troosten met andere bronnen van voorspoed, die, als ter vergoeding, zooveel rijker vlieten. Vangt men minder haringen in de Noordzee, de zilveren vischjes in de Indische zee gevangen, zijn nog welkomer. Gods zegen is aan geen tak van handel of nijverheid gebonden!

Intusschen verloopt ook met het naderen van den herfst het tij van den haringkooper. De haring verhuist van den disch der rijken naar de tafel der armen. Rondventers, die het nu niet meer versch banket in de schamele buurten rondbrengen, zijn zijne voornaamste klanten. De kroon wordt weder in huis gehaald en naar den zolder gebracht. De zalm komt weêr op den troon. Van der zout verkoopt weer zure citroenen en zoete chinaasappelen. Zoo gaat het in de wereld. Gelukkig wie den vloed zoo wèl heeft waargenomen, dat hij de ebbe kan afwachten.

Men kan dezen regel echter overdrijven. Het spijt mij te moeten zeggen, dat sommige haringkoopers dat ook schijnen te weten. Ik heb mij eens laten influisteren, dat tot de geheimen van het vak een zeker kunstje behoort om oude haringen van het vorige jaar als nieuw op te maken. En had ik het nog maar alleen van hooren zeggen! Maar ik ben zeker, dat de haringlievende lezer mijne treurige ervaring wel eens gedeeld heeft. Ik althans heb mij meermalen aan een mootje haring verslikt, dat mij voor nieuw werd aangeboden, maar dat even weinig wist, wat er in het laatste jaar in de diepte der Noordzee gebeurd was, als ik. Zeker is het een verleidelijk kunstje. Bij de komst van den nieuwen haring loopen de aanvragen over de hand: de voorraad raakt op: de nood dringt: een greep in het vat: een kleine handigheid—en de verjongingskuur is geschied. Maar mijn maag komt in den naam van alle kiesche magen tegen zulk eene industrie op. Ik weet niet of er in het strafwetboek tegen voorzien is, zoo als tegen het zemelbrood en dergelijke. Maar dit weet ik, dat zulke bedriegerijen zich zelve straffen. Eerlijk duurt het langst, is een spreuk uit den tijd toen de haringhandel in zijn fleur was. En die spreuk zal wel waar blijven, zoolang de baren der zee zout zijn en alle jaren haar nieuwe schatting leveren aan den eerlijken haringkooper!

VI.

DE SCHAATSENRIJDER.

Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan!

Geen volk ter wereld is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van het schoeisel op den geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den Nederlander dansschoenen aan; gesp hem sporen aan de hielen; rust hem uit met jachtstevels; schoei hem met de treurspellaars of den blijspelmuil; gij verandert daarmede de man niet. Hij wordt daarom nog geen ware danser, ruiter, jager of komediant. Hij blijft een Nederlander, die danst, rijdt, jaagt of komedie speelt. Maar geef den Nederlander een paar schaatsen onder de voeten—en hij is geen Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel schaatsenrijder, als ooit een Spanjaard danser, een Engelschman ruiter, of een Franschman komediant was. Hij is een man-schaats—un homme patin, zouden de Franschen zeggen—geworden. De laarzen van zevenmijlen, die van klein Duimpje een Gerrit Langbeen maakten, veranderden den houthakkersknaap niet meer, dan de schaats den Nederlander, die haar aandoet. Het schijnt eene betoovering, eene spokerij, eene gedaanteverwisseling, als uit de metamorfosen van Ovidius.

Nauwelijks raakt de geheele natuur in rust, nauwelijks trekt de aarde zich het wollen sneeuwdek over neus en ooren, nauwelijks legt de stroom zich in zijn bed te slapen, of de Nederlander wordt wakker, de Nederlander ontdooit, de Nederlander verandert in de omgekeerde orde van temperament. Hij brandt en kookt, als de Hekla onder de sneeuw. Eindelijk is het tijd! Het is waar, het ijs is nog zwak en nauwelijks twee guldens dik: men spreekt zelfs van gevaar. Maar daar vraagt de schaatsenrijder niet naar. Anders is de Nederlander de voorzichtigste der menschen: hij zal zich tienmaal bedenken, eer hij op een schommel, vijftigmaal eer hij in een bootje, honderdmaal eer hij in een stoomrijtuig stapt. Maar op het ijs is hij een waaghals. Daar ontwikkelt hij een moed en vermetelheid, die een gemzenjager zouden doen beven. Daar lijkt hij „de logge eend” een meeuw, die met haar vleugelen langs het water scheert.

Mij dunkt, men kan het een schaatsenrijder aanzien, waar hij heengaat. Niet alleen aan zijne uitrusting, aan den toegeknoopten duffel, aan de roode bouffante om den hals, aan het groen geschilderde haakje op den schouder, aan de gladgewreven schaatsen in de hand: maar aan zijn geheele voorkomen, aan den blos op zijn gezicht, aan den glans van zijne oogen, aan zijn luchtigen gang, aan het vuur en ongeduld, die uit zijne geheele houding spreken. Zoo komt hij aan de baan. Met van koude en drift bevende vingers worden de schaatsen aangebonden. Hij is klaar. Een—twee! drie—vier! vijf—zes! Daar drijft hij heen, als een vogel op zijn wieken. Even vlug, even licht, even vroolijk. Hij heeft al het gemakkelijke van gedragen te worden, met al het aangename van zich zelven te dragen. Zijn gevoel is eene benijdenswaardige mengeling van bewustheid van kracht en genot van beweging. Zoo lang hij de schaatsen onder de voeten heeft, is een schaatsenrijder de gelukkigste der menschen.

Maar het is den mensch niet genoeg, gelukkig te wezen. Ook op het ijs niet. De schaatsenrijder haakt ook naar bewondering. Van daar dat hij spoedig niet meer alleen rijdt om te rijden. Hij wil ook kunstig rijden. Hij moet leeren beentje-over te slaan. Hij moet ten minste, als een arend, aan beide zijden drie ellen vlucht hebben. Hij moet zijn meisjes naam in ’t ijs kunnen snijden. Na eenigen tijd in die school geoefend te zijn, en niet zonder van tijd tot tijd duur leergeld betaald te hebben, is hij eindelijk de bol van de baan. Welk een weelde! Niemand die hem kan bijhouden. Niemand vooral, die in zwierigheid van rijden met hem kan wedijveren. Hij beschrijft met zijn schaatsen de golvende lijn der schoonheid. Even als een danseres in het cirque, geeft hij zich beurtelings schilderachtig aan beide zijden over, en beweegt zich met de bevallige krommingen der zwaan. Ieder bewondert hem. De heeren benijden hem. De dames zien hem met welgevallen na. Overal waar hij komt, gaat er een gemompel van toejuiching rondom hem op.

Maar niet ieder begeert die toejuiching. Sommigen kiezen stiller genoegens. De liefde op het ijs is een liedje van Tollens, maar het is te gelijk een Hollandsch spreekwoord. Nergens is de vrijerij bij ons meer t’huis dan op ’t ijs. Wat wonder? Nergens elders geeft de gelegenheid meer recht tot onschuldige vrijheden. De minnaar en het meisje vormen een paar: zij rijden hand aan hand: misschien draaien zij hier of daar een eenzame vliet in en bevinden zich alleen. Als men even rusten zal, moet hij haar met zijn arm tegenhouden: als zij valt, vangt hij haar aan zijn borst op: hij moet de schaatsen aan het kleine voetje aan- en afbinden. Op het ijs is alles zonder erg. De luchtigheid der beweging schijnt zich aan de harten mede te deelen. Men vraagt en vergunt, wat men op het land niet zou durven nemen of geven. Wat elders de jeugd op het dansperk onder de groene boomen vindt, vindt de jeugd hier op het ijs. Bij ons is het ijs, als Hooft zou zeggen, de sullebaan der liefde.

Anderen evenwel doen aan het ijs weder andere eischen. Zij maken het tot een strijdperk. De kastelein kondigt eene hardrijderij aan Hardrijderijen zijn voor ons, wat de hardrennerijen te Epsom voor Engeland zijn. De meesters bieden zich tot den kamp aan. De overigen komen als toeschouwers. De baan wordt gemeten en afgepaald. De strijd begint. Vogelvlug ijlen de wedijverende paren langs de baan. Met ingehouden adem volgen hen duizend hoofden. Hoe lang de kamp duurt, hoe hard de koude nijpt, hoe fel de honger prangt, de deelneming verflauwt niet. Eindelijk is de laatste rid gedaan, het vaantje waait, de vlag klappert, de muziek klinkt, het hoera gaat op, en de geheele menigte stroomt toe om den prijs te zien uitreiken. Somtijds nemen ook Atalante’s deel aan dezen strijd, waarin zij gouden appelen rapen, in plaats van ze te strooien. Misschien is het om dit verschil, dat die vrouwenkamp mij niet bevallen wil. Wie zou het afkeuren, dat een meisje op net ijs mede een zedig schaatsje slaat? Maar in de renbaan, om het hardst, om het wildst... dit gaat al te ver buiten ons volkskarakter.

Zeker zou ik nu in staat zijn, tegenover dit tafereel een akelig tegenstuk van de nadeelen en gevaren van het ijsvermaak op te hangen. Gij verstaat mij. Reeds ziet gij in uwe verbeelding gebroken armen, bloedige neuzen, blauwe oogen, natte pakken en ontvelde voeten dooreen wemelen: misschien ook wel in het verschiet een bleeke gedaante; koud als het ijs, waaruit zij werd opgetogen—een bevrozen bloem!... Maar ik wil de moeders, die dit lezen geen angst aanjagen, en de jongens, die er bij staan, geen ondienst doen. Ik voor mij hoop, dat er in Nederland schaatsenrijders zijn mogen, zoo lang er in Nederland ijs zijn zal. Het is een gezonde, eigenaardige en nationale uitspanning. En wanneer dan de vreemdelingen schimpen, dat wij niet weten wat een fiksche beweging is, brengen wij hen op het ijs en laten hen staroogen op onze schaatsenrijders.

VII.

DE SCHOORSTEENVEGER.

Indien gij uw kort begrip van de aardrijkskunde opslaat, dan vindt gij in ’t hoofdstuk Italië, onder het opschrift Voortbrengselen:

Granen, rijst, wijn, honing, olie, zijde, citroenen, amandelen, oranjeappelen en—schoorsteenvegers.

Arme schoorsteenveger! Hoe ongelukkig staat zijn verachte naam onder al die heerlijkheden;—zijn zwarte gestalte tusschen die sneeuwwitte bloesems en die goudgele zijde;—zijn rookerig pak tusschen die welriekende bloemen en geurige vruchten;—zijn nikkersgedaante tusschen die schatten van het paradijs der aarde.

Arme schoorsteenveger! Onder Savoye’s heerlijken hemel stond zijn wieg. Italië’s zon ontstak het vuur in de zwarte kolen, die onder zijn voorhoofd glinsteren, en de frissche blos, dien het roet niet geheel kan doen verdwijnen, is door de stralen van den zuiderhemel op zijn gelaat geschilderd. Geuren waren de eerste lucht, welke hij als kind inademde, bloemen het bed, waarop hij sluimerde, abrikozen en perziken, vijgen en druiven het eerste voedsel, dat hij smaakte. Hij wist niet, dat er een Noorden bestond; hij vermoedde nauwelijks, wat koude, wat vuur, wat rook was.

Arme schoorsteenveger! De armoede van den vader stiet den twaalfjarigen Leonard ter deur uit. Men hing hem een oude mandoline om den hals, zette er een marmot op, gaf hem een stuk brood in den zak, en wees hem den weg naar het Noorden. Schreiende ging het jongske op weg. Men moest hem van zijne ouders losscheuren; men moest hem met geweld voortdrijven; het was als voorzag hij, wat hem te wachten stond.—Nooit had Leonard gedacht, dat er landen waren, zoo karig door de natuur bedeeld, als het vlakke moerassige landje, waar hij eindelijk van zijn lange reis uitrustte. Met iederen dag was hij treuriger geworden. Want met iederen dag dat hij verder trok, vond hij het minder schoon dan in zijn vaderland, en iederen dag werd tevens het verlangen naar dat vaderland sterker. Als hij zijn marmotje niet gehad had, zou hij van heimwee gestorven zijn.—Zijn vader had hem een brief aan een ouden vriend medegegeven, die in Holland het bedrijf van schoorsteenveger uitoefende. Op zekeren avond stond hij voor huis waar een bordje uitstak, met het opschrift: Gebroeders Leoni, Italiaansche schoorsteenvegers en rookverdrijvers. Voor de deur lagen eenige zwarte garden, wier onaangenaame reuk Leonard het hoofd onwillekeurig deed afwenden. De deur werd geopend. De jongste der Leoni’s ontving hem vriendelijk. Hij werd in huis opgenomen. Onder het avondeten werd er in het Italiaansch over Italië gesproken. Men sprak in zijn moedertaal over zijn vaderland. Leonard was bijna weder gelukkig. ’s Nachts droomde hij van Italië en het ouderlijke huis.

Arme schoorsteenveger! Den anderen morgen werden hem zijn lompen uitgetrokken, en hij in een grof linnen kleed gestoken met een lossen kap over ’t hoofd. Toen hij zich in den spiegel bezag, had hij in zijn eigen oogen veel van een monnik uit zijn vaderland. Ook zag hij er in het nieuwe pak alleraardigst uit: en een ieder die hem op straat, aan de zijde van den oudsten Leoni, op zijn eerste proef zag uitgaan, kon de oogen nauwelijks van hem afhouden. Al de meisjes knikten tegen den jongen helderen schoorsteenveger.—Maar die vreugd duurde kort. Weinige oogenblikken daarna stond hij met zijn meester onder een schoorsteen, waarin hij bijna niet zien kon zonder duizelig te worden, zoo hoog was de donkere nauwe koker, waardoor ter nauwernood een flauwe straal licht viel, even als een omgekeerde diepe put. Lang duurde het, eer hij zijn meester begreep. Hij moest met zijn nieuwe pakje den vuilen schoorsteen in. Had hij daarvoor leeren klimmen als een eekhorentje? Maar de meester was onverbiddelijk. Toen hij beneden kwam, was hij even vuil als de schoorsteen zelf. Bij het naar huis gaan zag niemand hem meer aan. Nog erger! De jongens bespotteden hem en riepen hem een gekscherend: boe! boe! na; de meisjes gingen, zooveel zij konden, voor hem uit den weg, en de kinderen begonnen te huilen, als zij hem zagen. Hij had ook wel willen huilen.—Het is waar, ’s middags kreeg hij goed eten, beter dan hij in langen tijd gehad had: maar het smaakte hem bijna niet van de rooklucht, die hij nog altijd in den neus had. Alles, wat hij in den mond stak, smaakte naar roet. En dit verwonderde hem niet meer, toen hij bemerkte, dat hij zeker in den schoorsteen zijn kapje had laten afvallen, want zijn mooi zwart haar zat vol van een dik en vetachtig roet, zoodat hij het half moest afsnijden. Het was jammer van de mooie lokken, waar ieder zoo’n zin in gehad had.

Arme schoorsteenveger! Wel gewende hij langzamerhand aan de guurheid van het land, even als aan de lasten zijner betrekking. Maar toch kon hij zijn vaderland niet vergeten. Dikwijls, wanneer hij zijn dagwerk had afgedaan, kroop hij naar de vliering, kreeg daar zijn mandoline en marmot, die zijn meester hem vergund had te behouden, en speelde nog eens een Savoyaardsch deuntje. En dan werd het hem zoo wonderlijk wèl en wee om het hart, dat de kop van zijn diertje nat werd van tranen. Ook hield hij van niemand in het geheele land half zooveel als van zijn marmot. Hij spaarde voor haar de lekkerste beetjes uit zijn mond. Het was nu voor hem zijn geheele gezin, zijn vaderland, zijn wereld!—Als het maar altijd winter gebleven ware! Doch daar werd het lente. Een Noordsche lente. Maar toch, de ontwakende natuur en zijn eigen gestel zeide hem, dat het lente werd, lente in zijn vaderland. Dan bruiste hem het Italiaansche bloed heftig door de aderen. Dan werd het hem in Holland te eng, als een gevangen vogel, die, tegen den verhuistijd van zijn geslacht, met den kop tegen de tralies stoot. Dan droomde hij elken nacht van Savoye, en voelde de lauwe zuiderzon, en zag de bloeiende amandeltakken, en dronk den geur der oranjebloesems, en hoorde het gegons der bijen, en ontwaakte op het gezang van den nachtegaal.... Maar neen! het was de nachtegaal niet, het was de meester, die hem kwam roepen om op te staan: want het was voorjaar! er was veel werk aan den winkel. Er moesten met het schoonmaken veel schoorsteenen geveegd worden. Daarom moest hij vroeg aan den gang. „De lente was de beste tijd voor schoorsteenvegers!” zeide zijn meester.

Arme schoorsteenveger! Zoo duurt het met hem reeds jaren achtereen. Maar toch heeft het dus ’t langste met hem geduurd. Hij heeft door oppassendheid en spaarzaamheid een klein sommetje bijeengegaard. Nog drie jaren, dan is de som rond. Dan verlaat hij Holland en keert naar Savoye terug. Dan koopt hij daar een kleinen wijnberg en een huisje. En als buurmans Jansje dan nog zoo mooi en lief is als toen hij wegging, dan maakt hij haar zijn vrouw. En in hare armen vergeet hij voor altoos het leed van den armen schoorsteenveger!

VIII.

DE HOFJES-JUFVROUW.

Onder de echt-Hollandsche figuren behoort zeker ook die, welke wij hierboven hebben zoeken aan te duiden onder den naam van Hofjesjufvrouw. Wij bedoelen daarmede eene bewoonster van de vele gestichten van dien aard, in ons land aanwezig, welke van de waarachtige weldadigheid onzer natie zulk een treffend getuigenis afleggen, waaraan men de benaming van hof of hofje geeft. Zulke gestichten zijn een soort van kloosters; met dit onderscheid, dat de personen die er in wonen niet in activo, maar in passivo zusters van barmhartigheid, en geene uitdeelsters, maar voorwerpen van weldadigheid zijn. Ook zij ontvluchten overigens achter de hooge muren de wereld, welke zij moede zijn geworden. Veelal zijn het gewezen keukenprinsessen, die met de medaille van vijftigjarige dienst, (gedurende welke zij bijna altijd in ’t vuur geweest zijn,) gepasporteerd en met een plaatsje in zulk een vrouwelijk invalidenhuis begiftigd worden. Daar ziet zich nu de Hofjesjufvrouw op een oogenblik uit het drukste gewoel der wereld in een kloosterachtige afzondering overgebracht. Geheele dagen, ja, weken achtereen, ziet zij door de reet van haar gordijntje niets anders, dan de cellen van hare buurvrouwen en de leeuwrikkenzode, met een kransje van palm omgeven en met goudsbloemen en citroenkruid beplant, die zij met fierheid haar tuin heet. Ook hoort zij van de wereld niet veel meer, dan zij er van ziet. De ongewoonte van menschen te zien maakt haar gaandeweg menschenschuw, zoodat zij gedurig zeldzamer haar steenen kooi verlaat. Het moge zoo zijn, dat zij bij het lezen van de Haarlemmer Courant—die een maand na den tijd het hofje met dreigende nieuwstijdingen beroert, die al lang in wind of water vergaan zijn—bij het doorloopen der advertentiën, onder uitroepen als deze: „Wel, wel, is die ook al dood? Jongens, jongens, wat krijgt die vrouw een kinderen! Kijk, kijk, dat bruidje heb ik nog als kind op mijn armen gedragen!” het moge zoo zijn, dat zij alsdan soms den lust in zich voelt opkomen, om de menschen in kwestie te bezoeken: maar even zeker is het, dat zij even weinig naar het sterfhuis, naar de kraamvrouw of naar het bruidje gaat, als ware zij inderdaad door kloostermuren van haar gescheiden geweest.

Maar wat Eldorado, wat tooverpaleis is het dan, dat haar de geheele wereld vergeten en verachten doet? Laat ons het eens opnemen.