Waarheid en droomen

Part 27

Chapter 273,701 wordsPublic domain

De Rotterdamsche sleper is van den voerman der Amsterdamsche sleepkoetsjes hemelsbreed onderscheiden. Zijn slede bestaat uit niets anders dan uit twee balken met ijzeren beugels aan elkaar verbonden: een voertuig, dat door zijn eenvoudigheid van samenstelling aan de gouden eeuw zou doen denken, als sleper en paard niet zoo duidelijk in de ijzeren t’huis hoorden. Zijn passagiers zijn dan ook alles behalve stijve neepjesmutsen en jichtige bloemkoolpruiken, maar vaten tabak, balen katoen, kisten thee en dergelijke, die tegen een stootje kunnen. Zoo verschilt ook bij beide het middel om de baan voor de slede glibberig te maken, want daarin komen zij overeen, dat ze, in een onfiguurlijken zin, graag een gladde baan voor zich hebben. In plaats van den onoogelijken vetlap van den Amsterdamschen sledevoerder, heeft de Rotterdamsche sleper vóór op zijn slede een gevuld watervaatje, dat uit de daarin geboorde gaatjes, even als een dolfijn uit zijn neusgaten, onophoudelijk water opspuit. Jammer maar, dat die springende waterwerken aardiger zijn om te zien, dan aangenaam in de gevolgen die zij nalaten. Doch daarnaar ziet de sleper niet om. Want zijn leus is de spreuk der voormalige Unie-orde: Doe wel en—zie niet om.

Zie hem, daar hij met slede en paard door het dichtst gewoel heendringt; men zou hem bijna voor een automaat houden, met zulk een afgemeten kalmte vervolgt hij, door alles heen en onder alles door, zijn weg. Zijn oog wordt door niets van zijn last en lastdier afgetrokken: zijn voet wordt door niets opgehouden: zijn hand laat den teugel geen oogenblik glippen. Komt hem een rijtuig tegen, hij wijkt met een zwaai ter zijde: staat hem een voetganger in den weg, hij schuift hem zonder op- of omzien aan een kant: scherp en op een haar mijdt hij al de hinderpalen, die hij op zijn weg ontmoet: het spoor van het watervat op zijn slede vormt een reusachtige slang, die zich in allerlei bochten door het dichtst gedrang slingert zonder vertrapt te worden. Als gij op het gezicht af meenen zoudt, dat het onmogelijk ware door de volksmassa heen te breken, en in zijn plaats moedeloos zoudt blijven staan, waagt hij zich met kalmen moed, even als een held op het slagveld, in het dichtst van het gewoel. Langzaam maar zeker gaat hij voort, tot dat hij de plaats van zijn bestemming bereikt heeft. Een leerzaam beeld! Ik noodig u uit, er eens op na te denken.

De stille, werkzame gang nu, dien gij den sleper langs de straat ziet gaan, kenmerkt den geheelen man in zijn gang op den weg des levens. IJver, eerlijkheid en trouw maken de grondtrekken van zijn karakter uit. In den vroegen morgen, als in de hoogte alles nog rust, rijst hij van zijn strooleger en haalt zijn Rosinant van stal. Zeker is het geen fraaie vertooning, als beide tot hun morgenrid uittrekken. Het arme dier is oud en mager: zijn hals is naar de aarde gekromd: zijn manen en staart zijn door baldadige handen deerlijk geplunderd: zijn beenen zijn vol spatten en gallen: zijn borst ligt aan beide zijden open. Niet veel aanzienlijker is het voorkomen van zijn meester. Ook zijn rug is door den zwaren arbeid kromgebogen: zijn sterk geteekende gelaatstrekken zijn met diepe voren van zorg en kommer doorgroefd: zijn kleed draagt de sporen van schamelheid: en al is zijn linnen voorschoot wit en helder, het gebrek kijkt door zijn gelapten elleboog. Aldus uitgerust, begeven zij zich samen aan hun dagwerk. Dat werk is eerlijk tusschen beide verdeeld. Terwijl de meester het vat uit het schip op de slede laadt, of van de slede in het pakhuis sjouwt, rust Rosinant: terwijl Rosinant de vracht trekt, heeft de meester de lichter taak van de teugels te houden. Er heerscht dan ook tusschen hen een vertrouwelijke gemeenzaamheid, als zelden tusschen mensch en dier plaats heeft. Meen niet, dat het aan die vriendschap kwaad doet, dat gij den meester onophoudelijk de zweep gebruiken ziet. Want zonder dat zou Rosinant niet begrijpen, dat hij voort moest: hij is op dit punt even als een doove, voor wien schreeuwen praten is: slaag te krijgen is hem even zoo gewoon en natuurlijk, als geleid en gestuurd te worden. Indien een lid van de Londensche Maatschappij tegen het mishandelen van dieren er zich uit barmhartigheid meê moeien wilde, zou hij in staat zijn, even als de vrouw in het verhaal, koel te vragen: „Waar moeit gij u mede? Als ik nu geslagen wil zijn?”—De hand, die de zweep voert, heeft dan ook met het hart van den sleper niets gemeens. Want dat klopt van vriendschap voor den deelgenoot zijner ellende, voor den bezorger van nooddruft, voor zijn eenigen vriend en weldoener op de wereld. Hij deelt met hem het stroo, waar hij op slaapt, het brood dat hij eet: hij deelt met hem zelfs zijn vermaken en uitspanningen. Daarvan is mij eens een klucht verteld, die ik geef, zoo als ze mij is meêgedeeld.

Een sleper had eens een buitengewoon voordeelige week gehad, zoodat hij dacht voor deze maal ’s zondags een kleine uitspanning te mogen nemen. Hij besloot dus met zijn vrouw en kinderen aan de Zwet een kruik bier te gaan drinken.

„Maar dan gaan we met rijtuig,” zei de vrouw, „en huren een knappen wagen met een paard.”

„Een wagen,” hervatte de sleper, „dat kan gaan: maar geen paard; niemand zal ons trekken dan bruintje! Of denkt gij dat ik ondankbaar genoeg zou zijn om hem, die alles verdiend heeft, bij het verteren der verdienste, t’huis te laten?”

In goeden ernst, een sleper en zijn paard zijn twee natuurlijke vrienden, door den sterksten band, dien der gewoonte en behoefte, aan elkander verbonden. Die band wordt dan ook alleen door den dood geslaakt. Of het paard valt voor de slede neêr, of de sleper wordt achter de slede weggerukt. Dan vinden beide rust onder de aarde, waarop zij zoo lang gezwoegd hebben. Dan hebben zij den zwaarsten van alle lasten, den last des levens, t’huis gebracht!

III.

DE STRAATJONGEN.

Geen woord is er in de taal, dat den persoon, dien het moet aanduiden, beter schildert dan het woord: straatjongen. Want indedaad is dit soort van wezens één met de straat, waarnaar zij heeten, en, indien ik het gelooven mocht, gaarne zou ik mij laten wijs maken, dat zij, even als de menschen van Deucalion en Pyrrha, uit de steenen zelve geboren zijn. Dit is zeker: plaveit een straat, terstond groeien er de straatjongens van zelf op. Waar zij van daan komen, is onverklaarbaar. Van ’s morgens vroeg, dat de klapperluî naar huis gaan, en de bakkers hun deur openen, tot ’s avonds laat, als de taptoe slaat en de herbergen sluiten, belegeren zij de straten, als vliegen de boterton. Zelfs zou ik in verzoeking kunnen komen te denken, dat zij, even als de straathonden, van de opbrengst der straat leven, zoo getrouw vindt men ze op alle uren van den dag op hun post zonder ze ooit te missen. Een andere geheimzinnige hoedanigheid bezitten zij in een soort van halve alwetendheid omtrent al wat er in de stad gebeurt. Het is wonderlijk. Op het ééne oogenblik zijn de straten en de straatjongens in rust; even als een geordend leger schijnen zij hun benden evenredig door de stad verdeeld en alle posten behoorlijk bezet te hebben; maar ziet! daar komt een oploop, een kleine nietsbeduidende oploop, aan den uitersten uithoek der stad, en, eer gij omziet, is er een gansch heir van straatjongens bijeen; de policie is er gauw bij, heel gauw: maar de straatjongens altijd nog veel gauwer. Zij schijnen onder elkander een soort van electrische telegraaf te hebben, waarmede ze malkaâr op de hoogte houden van al wat er omgaat. Nu moet ik erkennen, dat dan ook hunne voorzorgen met het grootste beleid genomen zijn. Op alle belangrijke punten hebben zij hunne gecommitteerden. Buiten de poorten der stad, aan alle schuitenveren staan er op de wacht: in de poorten zelve wedijveren zij met de kommiezen in nieuwsgierigheid en beleefdheid: binnen de poorten is er geen bureau van diligences, of zij staan er naast de verversch-paarden de aankomst van den nieuwen wagen te verbeiden. Voor het stadhuis, voor de hoofdwacht, voor het gevangenhuis, voor de komedie, voor alle publieke gebouwen in één woord worden zij vertegenwoordigd. Zij spreiden zich over de stad uit als een groot spinneweb, waaraan geen vlieg ontkomen kan. Hierbij komt nog, dat zij in hun weetgierige onderzoekingen door een groote vrijmoedigheid geholpen worden. Zien zij iets dat hun aandacht trekt, of hetwelk zij vermoeden dat belangrijk worden kan, terstond nemen zij de vrijheid er zich bij te voegen en den draad te volgen tot aan het kluwen. Achter ieder rijtuig, dat in de stad komt, kiezen zij zich een plaatsje: elken vreemdeling, waaraan zij iets bijzonders zien, geven zij zich de moeite van te volgen: ja, met alle reizigers beginnen zij een praatje: „heeft mijnheer wat te dragen? wil ik mijnheer den weg wijzen? waar moet mijnheer wezen?”—Maar van daar dan ook, dat zij van al wat er gebeurt honderdmaal beter onderricht zijn dan de openbare nieuwsbladen en de geheime policie: van daar dat er niets in de stad plaats kan hebben, of zij nemen er deel aan. Bij alle parades inspecteeren zij mede: met alle wachten trekken zij op: alle taptoe’s accompagneeren zij met hun klompen: bij alle plechtige receptiën gaan zij met de boden vóór het stadsbestuur uit: alle volksoploopen vereeren zij met hunne tegenwoordigheid: iederen dief die opgebracht wordt strekken zij tot eerewacht: ja, zelfs de dooden bewijzen zij de laatste eere en vertiendubbelen als ongenoodigden den stoet der noodigers en genoodigden ter begrafenis. Iedere Janklaassen-kast, iedere paillas, iedere goochelaar, iedere koordedanser, iedere kunstenmaker, kortom alles wat, naar den trant der ouden, zijn vertooningen in de open lucht geeft kan op hun bijzijn en belangstelling rekenen: op het hooren van een enkel trompetgetoet, van een enkelen trommelslag, snellen zij als een eenig man aan en verhoogen door hun gewoel en gejoel de algemeene levendigheid en vreugde.

Vraag mij niet, hoe de straatjongen gekleed is. Vraag mij liever, hoe hij niet gekleed is. Alle stoffaadjes, alle kostumen, alle modes treft gij bij hem aan. Van het afgedragen ronde buisje van den jongenheer van den burgemeester tot den versleten kuitendekker van den president van ’t oudenmannenhuis, van het fijne kasimiren vest tot den ongeschoren duffel, van de engelsch-leêren pantalon tot den pikbroek vindt gij om zijn lijf hangen. Hij heeft slechts één zwak, niets van het geen hij aan heeft moet heel zijn. Een echte straatjongen moet even zoo als de straat, waarop hij leeft, vol gaten wezen. Ja, het schijnt, of hij zelfs naijverig is om de kleur van de straat te dragen; want een vuil grijs in zijn geliefkoosd verfje. Voor al wat tot versiering dient, heeft hij weinig over; maar zoo hij voor iets gevoelig is, het is voor het een of andere militair onderscheidingsteeken, vooral is hij dol op een oude politiemuts, of een koperen uniformknoop met het nommer van de afdeeling. Zijn klompen, die hem in geval van nood tot knods, of ook wel tot werptuig dienen, laten gewoonlijk onder het loopen zijn naakten voetzool zien, tot dat zij, geheel uit elkander vallende, in een schuitje hervormd worden.

Doch waren de straatjongens maar enkel slordig, als ze er ook niet ondeugend bij waren! Doch ondeugendheid behoort tot het karakter van een straatjongen, gelijk moed tot het karakter van een soldaat. Zij zijn de kaboutermannetjes en kwelduivels van de openbare wegen. Alles wekt hun spotzucht op: alles verleidt hen tot kwaaddoen: zij kunnen kip noch kraai met rust laten. De meiden trekken zij de muts af: de kinderen loopen zij omver: de kreupelen en mismaakten apen zij na: de honden trekken zij bij de ooren: de paarden dunnen zij de staart: het slachtvee verbitteren zij hun jongste oogenblik: zij steken hun vingers in de emmers der melkmeiden: zij likken met hun tong aan de suikervaten der kruideniers: en, als de appelenvrouw omziet, halen zij haar den mooisten belle-fleur van den hoop weg en loopen er mede heen. Nog erger maken zij het in den winter. Veel vroeger bij de hand dan de mannen van de zandschop, haasten zij zich aan alle bruggen en sluizen een sullebaantje klaar te hebben, eer hun die pret belet wordt, en hebben vervolgens een ondeugend genoegen, als zij daarover groot en klein, jeugd en ouderdom, bedaard en driftig, deugd en ondeugd zien vallen. Of ze leveren elkander een sneeuwballengevecht, maar dat alleen voor de leus dient om, als bij ongeluk, de vreedzame voorbijgangers te bepoeieren. Zoo zijn de straatjongens in waarheid straatplagen.

En toch is met dit alles de straatjongen niet wezenlijk kwaadaardig. Er is bij hem, even als bij kleine honden met wie hij het rijk deelt, in zijn keffen en bijten meer dartelheid, dan boos opzet. Nooit ziet men een straatjongen zakkenrollen, of stelen, of met steenen werpen, of zich aan dergelijke laagheden schuldig maken. Integendeel kenmerkt hij zich onder zijn kameraden, bij geschillen als anderzins, door een geest van dapperheid en edelmoedigheid. Het woord portuur is van zijn maaksel. Menige knaap, die zijn straatjongenstijd behoorlijk heeft uitgediend, wordt naderhand een knap burger. Ja, laat het ons bekennen. Wij allen zijn min of meer straatjongens geweest. Er is iets van den straatjongen in iederen knaap, die een „Hollandsche jongen” is. Houden wij dat in gedachten, dan voelen wij meer medelijden dan onwil bij het zien van den straatjongen.

IV.

HET MELKMEISJE.

Meestal, wanneer gij des morgens vóór dag en vóór dauw de stad verlaat en naar buiten gaat, zult gij op uwen weg iemand ontmoeten, die u met een vriendelijke stem: Goeden morgen! wenscht.

Die iemand is een meisje, en dat meisje is een melkmeisje.

Onwillekeurig blijft uw oog op het lieve kind rusten. Ja, zoo gij niet al te grootsch of al te stijf zijt, knoopt gij een praatje met haar aan, tot aan het hek van de wei, waar zij wezen moet.

Gedurende dien tijd hebt ge overvloedige gelegenheid haar op te nemen.

Wat ziet zij er frisch uit, niet waar? Als melk en bloed, een rechte Galathea, zoo als de Ouden haars gelijken schilderachtig noemden. Dat komt omdat de tocht, dien zij doet, haar zoo ongewoon niet is als u. Zoo vroeg als gij nu, is zij elken morgen op de been en in de lucht, en dankt aan de rozen van den dageraad het blosje, dat op hare wangen bloeit. Het is waar, Aurora heeft wel eens op fijner paneel geschilderd: haar huid is zoo eêl niet als die van uwe lelies uit de stad; maar het zou haar ook niet lijken, zulk een wassen pop te wezen. Eilieve, til eens even aan haar juk! Wat dunkt u? Tien tegen één, dat gij ’t haar zoo vlug niet nadraagt. Het zou haar dus slecht te pas komen, zoo zij niet wat grover en sterker dan uw steedsch kraakporselein ware. Zoo moet gij er u ook niet aan ergeren, al zijn haar handen wat ruw of rood van kleur. Kijk liever eens naar de koperen emmers. Of ze blinken, niet waar? Welnu; dat hebben die handen zoo blank geschuurd. Erger u dan nog, dat ze niet witter zien! Maar wat bij het melkmeisje zoo blank is, als bij de blankste van haar geslacht, het is het gemoed, dat in dat grove omkleedsel schuilt. Dat is zoo blank als de zuivel, waarnaar zij heet. Zie haar aan! onschuld en reinheid blinken uit de heldere duivenoogen. Schoon verre van de idealische herderin van Theocritus of Geszner te zijn, heeft zij echter op het land en onder hare kudden iets van den eenvoud en de onnoozelheid der gouden herderseeuw behouden.

Zonder begrip of vermoeden te hebben van hetgeen wij over haar spreken, is de deern intusschen aan de bestemde weide gekomen. Dat hebt gij reeds kunnen merken aan het geblaat van haar koetjes, die haar met vollen uier staan te verbeiden, om hoe eer hoe beter van haar last bevrijd te worden. Zij komen haar te gemoeten vrijen om de eerste te zijn. Maar neen! zij heeft haar lieveling.—ja waarlijk, Mejufvrouw!—zij heeft haar lieveling onder die groote, leelijke beesten; haar uitverkorene, haar zwart- of wit- bont, haar Brunon of Nera; deze komt dus eerst aan de beurt, en krijgt misschien nog een kleine versnapering, een lekker stukje lijnkoek of een nap vol warme melk toe.

Doch wij hebben geen tijd te blijven staan totdat zij geheel afgemelkt heeft.

Maar let op! terwijl gij eenige uren later door de stad gaat, daar ziet gij haar op eens weêr. Zij is nu bezig de melk rond te brengen, die gij haar in den vroegen morgen hebt zien inzamelen. Met denzelfden vluggen, luchtigen tred stapt zij door de drokke straten. Gij kunt aan haar houding niet eens merken, of haar emmers vol of ledig zijn. Zelfs heeft zij een bijzonderen slag om met haar breed juk door de menigte te glippen, zonder met de slingerende emmers iemand te raken.

Zoo stapt zij de eene stoep af, de andere op. Het ongelukkigste voor haar is, dat zij onder het harde verband ligt om overal aan de huizen twee, drie en viermaal te schellen, dat is met andere woorden aan de meiden te zeggen: „het is de melkmeid maar! gij kunt dus twee, drie, of viermaal zoo lang wachten als anders! dat is: zeer lang.” Maar dat oponthoud schijnt haar zoo boos niet te maken als het u en mij zou doen. Want, zie! als de meid eindelijk komt, heeft zij een lachje voor haar gereed, waarmede zij bij ’t overnemen van de kan vraagt:

„Hoeveel, vrijster?”

Daarop duikelt haar nap eenige malen in het blanke nat, waartegen de roode hand helder afsteekt, waarmede zij vervolgens de kan, netjes afgewischt, met een handigen zwaai weder overgeeft.

Na die beweging raakt die hand van zelf in de zijde, en nu? Ja, nu moet er een oogenblikje—een kort oogenblikje maar—voor een praatje af.

Het zou onbescheiden zijn, dat praatje te beluisteren. Maar dit verzeker ik u, dat ik voor u en voor mij wilde, dat er nooit onstichtelijker praatjes aan onze deuren gehouden werden.

Een twee, drie! met gelijkmatige tempo’s, even als een soldaat zijn geweer, heeft intusschen het melkmeisje haar emmer dicht geslagen, het hengsel aangehaakt, en haar juk weder opgepakt, en vervolgt met een vroolijk gezicht en een luchtigen tred haren weg. Dat gezicht behoudt zij onder alle weêr en wind. De zon, al schijnt zij wat fel, hindert haar niet: de koude, al blaast zij wat scherp, is niet in staat het lachje om haar mond te bevriezen: de regen—maar foei! zij zeggen, dat ze juist daarvan het meest houden zou, en er met opzet het deksel van haar emmers voor openzetten! Doch dat wil ik niet gelooven. Zoo gaat dan het lieve kind onder zoo veel woelens en zorgens onbezorgd en onbekommerd daar heen. Ja, haar rust zou geheel ongestoord blijven, zonder den overlast van de jonge honden, die van haar melk snoepen, van de jonge knapen, die de vingers in haar emmer steken, en de jonge heeren, die haar in ’t voorbijgaan onder de kin strijken.

Meen evenwel niet, dat haar leven, hoe rustig ook, altijd even eentoonig is. Dat kunt gij nu en dan op den zondag eens anders zien. Dan ziet gij haar weder in de stad, maar nu zoo mooi, zoo mooi en zwierig gekleed, dat gij haar bijkans niet herkennen zoudt. Onder het eigenaardige boerinnenhoedje blinkt het gouden ijzer om de glimmende wangen: het roode jak valt laag over een blauw damasten rok, van voren bedekt door een zwartzijden boezelaar: de voet, met sneeuwwitte kousjes bekleed, steekt in fluweelen schoenen. Om den hals spant een snoer van monsterachtige bloedkralen, waarmede de groote boot in den gouden vingerring spreekt. Maar het mooiste van alles heeft zij aan haar zijde—in een vrijer, een helderen, frisschen boerenknaap, insgelijks op zijn zondags opgedirkt, met kort lakensch wambuis, fluweelen broek en groote zilveren schoengespen. Deze is de Thirsis, die het hart van deze Galathea heeft weten te vermurwen. Met paschen zal het tot een huwelijk komen. Dan koopt Teunis een knappe boerderij: Maartje, nu vrouw geworden, verlaat het juk voor de karn, en houdt op haar beurt melkmeisjes.

V.

DE HARINGKOOPER.

Heden is de eerste haringjager aangekomen, aan boord hebbende zóó- of zóóveel vaten haring.

Wanneer deze advertentie in de couranten gelezen wordt, is het feest in het vaderland van Willem Beukelszoon. Dan heft men daar het haringlied van een vaderlandsch Dichter aan:

Triomf! de vreugde stijg’ ten top! Hijsch, Holland, vlag en wimpel op, En laat den jubelkreet nu daav’ren langs het strand. Daar komt de kiel met goud belaân; Zij brengt ons d’ eersten haring aan; ’t Is feest in Nederland.

Daar haalt men braveerend het oude spreekwoord uit den hoek:

Haring in ’t land, Zieken aan kant.

Dan smakken in het zelfde oogenblik honderdduizend smulgrage lippen als visschen naar ’t water.

Maar nergens is het grooter feest, dan in het huis van den haringkooper zelven. Voor hem begint een nieuw leven. Hoe doodsch was het sedert maanden in zijn winkel. Het haringvat stond achteloos en vergeten in een hoek. Er was bijna geen vraag naar. De voorgrond werd door citroenen en chinaasappelen ingenomen. De gerookte riviervorst bezette den troon der gezouten zeekoninkjes. Met wat verlangen zag dus de haringkooper naar de aankomst van zijn handelsartikelen uit. Hij is de uitgezeilde haringvloot met zijne gedachten gevolgd, als een koning het uitgezonden oorlogs-eskader: hij heeft naar weêr en wind uitgezien en alle kansen berekend: hij heeft het bericht van elke vangst in een memorieboekje aangeteekend: hij heeft zich de aankomst van den jager door eene estafette laten berichten. Eindelijk komt de verwachte schat! Neen, de haringkooper kan de vreugde, die hem vervult, niet in zijn huis besluiten: de geheele stad moet getuige van zijn blijdschap zijn. Daar wordt de kroon, die reeds lang te voren klaar gemaakt, met frisch groen en goud bekranst, en van binnen met een nieuw opgeschilderde houten haring versierd was, naar buiten gebracht en opgehangen. Zie, hoe zij in de zon glimt en blinkt. Hoor, hoe zij door den wind bewogen, ratelt en klatert. Het is of zij ons met al die gouden tongetjes toeroept: Nieuwe haring! Nieuwe haring!