Waarheid en droomen

Part 26

Chapter 263,728 wordsPublic domain

Op den 25sten Augustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot en ingewijd. Deze plechtigheid werd met schitterende feesten gevierd. Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden; een statelijke optocht ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene kunstrijke cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven: merkwaardige gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden gehouden; feestlichten werden ontstoken; volksspelen werden gegeven; handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken; harten gloeiden. Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland het belangstellend oog gericht hield.

Het was het feest der inwijding van het standbeeld van Michiel Adriaansz. de Ruiter, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal van Holland en Westfriesland.

In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld van De Ruiter was voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar aan. Van daar werd het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust vervoerd. Daar werd het op het wachtend voetstuk geheven, dat rondom den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen leeuw, met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind, dien het met verrukking in de rookende neusgaten ving.

Het was het gedenkteeken ter eere van Jan Carel Josephus van Speyk, Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee.

Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk voorkomen. En wellicht ware er stof uit te putten voor eene vergelijking, welke het niet aan sprekende kontrasten ontbreken zou. Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door koninklijken ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van eere gekroond, en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie gewikkeld; ja, om de overeenkomst te volmaken, beide in hun graf door den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche weesjongen, die zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep zijn jongsten slaap, totdat hem eene eigen sponde gespreid was, in het vorstelijk graf der Nassau’s, aan de zijde van den grooten Zwijger; de Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde plaatse, waar hij voor een stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend edele hoofden, waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot! En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het verschil dat beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den Luitenant-Admiraal Generaal en den Luitenant ter zee,—tusschen het Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van eene kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de schaduw zijner lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten grave daalde, en den negenentwintigjarigen jongeling, die in het winnen van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik des oceaans” en den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed beven!

Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de gelijktijdige oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te treffen. Maar ik voor mij verliet ze welhaast, om twee geheel andere beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het Nederland van De Ruiter en het Nederland van van Speyk: het Nederland van 1676 en het Nederland van 1841.

Het Nederland van De Ruiter en het Nederland van Van Speyk. Ik bid u, daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee namen. Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De verhouding tusschen De Ruiter en Van Speyk is maar al te zeer de schaal der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat: de Admiraalsvlag van 1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van ons vaderland bij den dood van De Ruiter en den dood van Van Speyk!

Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon aannemen, als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de zee kon vestigen, die aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o, hoe het wenschen zou, nooit op die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou, wederom rustig neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene en ’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in het leven riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en ongevoelig steen! Of hoe, meent gij, zou het onzen De Ruiter te moede zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand verrezen, tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen moest, hoe de vlag, die hij had doen eerbiedigen met siddering, nu gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij het moest aanzien, hoe de cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken, nu bijna geheel door de sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien hij er getuige van geweest ware, wat meent gij, zou de held van Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen in de vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg niet door de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord van diezelfde Engelsche en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de zee had schoongevaagd, als Harpertzen’s beroemde bezem! Mij dunkt, ik hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik, door de enkele verschijning van zijn Admiraalschip de Zeven Provinciën verwekt, zoo vroolijk braveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeft geen eerbied meer voor de Zeven Provinciën!”

Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat in De Ruiter den schepper van zijn blinkendsten roem en weligste welvaart vereert, om uwentwil verheugt het mij, dat de kunst, schoon zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u uit uw ijzeren slaap op te wekken; dat gij slechts een beeld zijt, heldengestalte van Michiel Adriaanszoon de Ruiter!

En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de leeuw van Egmond mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille van het Nederland van De Ruiter, het Nederland van Van Speyk te kort te doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht van een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak geworden. Verre zij het van mij, ten gevalle van den roem van het verledene, de rechten van het tegenwoordige te verkorten, en de levende Polyxena te willen opofferen aan de schim van den dooden Achilles. Ik erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne heldere dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze geschiedenis, de schoonste tijdperken onzer vaderen waardig, en dat niet verdiend had, wegens de ongelukkige uitkomst, door hen zelve, die er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot te worden. Nog behoeft het geslacht, dat aan den voet van De Ruiter’s standbeeld vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van Algiers en Palembang, met den held aan het hoofd, die zich eene kroon van lauweren won, eer hij de juweelen kroon erfde, zijn niet onwaardig onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen. Ja, de grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren, ziet met een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe, waaronder hij slaapt, die nederige zuil verrijzen voor den jongen zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel huldigde, waarvan hij zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere van ’s Lands vlag.

En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen niet vergeten kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van 1676 niet herkent, en niet herkennen zou, al ware sedert het vuur niet weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder ontbrandde; al had de uitkomst niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter dweepte:

Holland is twee eeuwen jonger, Dan het was vóór vijftig jaar.

En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve eeuw later zich voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676 gelijken? Voorspelt ons de oprichting van De Ruiter’s beeld, dat met hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave ging, wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen zonneschijn, die, op het oogenblik van het ontblooten des gedenkteekens, den regen verving, die tot dusverre het feest had verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop het accipio omen zeggen! Hoe gaarne zou ik in den heldendood van Van Speyk—de wedergade van den dood van Claessens, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den dageraad van eenen nieuwen morgen begroeten! hoeveel liever dan den avond, die den dag in denzelfden purpergloed ziet ondergaan, waaruit hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet toegeven; ik zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons gelooven, dan ligt de schuld aan.... ja, aan wie niet al? Aan Oranje voornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons zeewezen het voorwerp van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de geschiedenis niet anders leerde; ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de zijde zijns Koninklijken Vaders, aan den voet van De Ruiter’s standbeeld verscheen, niet bewees, dat Koning Willem II een echt nakomeling van de Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden is! Overigens onderneem ik niet, over de billijkheid van wederzijdsche grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat de geest van de zeventiende eeuw, de geest van De Ruiter, van ons volk geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche Leeuw verzonken is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort ontwaken, nog droeviger dan of hij in het geheel niet ontwaakt ware, bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden is. Vergeefs geklaagd en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond en geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout, waaruit de vloot gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die ze bevleugelden; hare dapperheid niet in het ijzer, dat ze beschermde. Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid huisde in den geest van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of, nog liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning voortkwam. Wat was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid eskader, eene vernielde vloot zelfs? Weinige dagen—het wonder is gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol wrakken in eene geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren in dien tijd tien helden, in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een viel, stond een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de Vice-Admiraal of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan. De Ruiter mocht bij het lijk van Marten Harpertzen Tromp uitroepen: „Ware ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling was bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in budgetten of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs het in schepen of scheepsvolk gezocht;—de natie moet herboren worden, zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht is de zenuw van den Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft.

Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen geest in ons volk doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een verjongd leven opwekken?

Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan. Mijn antwoord zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot beantwoord worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven.

Michiel adriaanszoon de ruiter! Het Vaderland, in bedevaart rondom uw standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad te vragen, gelijk de oude volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij bezochten. Welaan, wij vragen:

Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook wij wederom tot vorigen roem en bloei kunnen geraken?

Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag van Schoonefeld gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd:

„Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.”

Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van het De-Ruiters-feest: leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen, geen vertoogen, geen verzen; maar leest eenvoudig Het Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven door Gerardt brandt. Hoort daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands Staten! hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen! het woord vroomheid was toen nog één met dapperheid—hoort den toon van godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk, van den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd is. Waant daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene andere taal te hooren, een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan nog, of het orakel geantwoord heeft!

Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook niet in den geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de gunst en hulp van den Heer der heirscharen, die den geest der natiën verheft, en zij worden machtig, die den geest der volken wegneemt, en zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de benaming van God van Nederland: wij willen om geen namen twisten. Maar wat wij ons niet laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk en noodzakelijk verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde. Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis des Vaderlands leeren.

Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men de Ruiter een beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den verjongden bloei van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de stoffelijke middelen daartoe zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons, die geene geschiedenis verstaan, dan gelijk Bossuet haar schrijft, als de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze; het is die, welke onze provincie op hare munten voert: Deus fortitudo et spes nostra. God onze sterkte en onze hope!

NEDERLANDSCHE TYPEN.

I.

DE ZEEUWSCHE ARBEIDER.

Alle menschen moeten arbeiden. Ongelukkig zij, die in den grooten bijenkorf, welken wij wereld noemen, niets uitvoeren, dan als luie hommels op den honig te teren, die door de nijvere werkbijen wordt zaamgebragt. De billijkheid vordert echter te erkennen, dat in den aard van dit arbeiden eenig verschil is. Om een voorbeeld bij te brengen, hebt gij, geëerde lezer, die met deze eerste schets uit de beeldengalerij der door mij u voor te stellen landgenooten in de hand mijn opstel zit te lezen, het op dit oogenblik veel gemakkelijker dan ik, toen ik dit opstel schreef; en wederom had ik toen heel wat lichter taak dan hij, wiens persoonsbeschrijving ik het genoegen heb u aan te bieden. Hij toch behoort tot die klasse van wezens, die men gewoon is, in onderscheiding van andere arbeidzame menschen, bij uitnemendheid met den naam van Arbeider te noemen. Een schoone eretitel, dien ik u uitnoodig wat hooger te plaatsen, dan hij gewoonlijk op onze ranglijst voorkomt, waar hij al te verre achter de honoraire kamerheeren, de staatsraden in buitengewone dienst, de professoren titulair-honorair, en de aspirant-surnumerair-ambtenaars staat. Het is zoo, het voorkomen van onzen klant is niet van de schitterendste. De ronde hoed met breeden achteropgetoomden rand op de ongekamde en ongescheiden haren, zet aan het onbeduidend gezicht niet veel uitdrukking bij. Het openhangend blaauwlakensch wambuis met liggende kraag en kort lijf, valt vrij slordig om de ongefatsoeneerde leest. De wijde korte broek van manchester, met een bevallige onachtzaamheid aan de knie losgelaten, zou een vreemdeling nieuwe stof geven tot de spotternijen, waaraan wij arme dutchmen op het punt van dit kleedingstuk ten prijs staan. En ofschoon de beenen, met gladde kousen bekleed en in gestreepte slopkousen gestoken, het zwierigste gedeelte van zijne uitrusting uitmaken, leeft de man op zulk een grooten voet en is op zulk een lompe leest geschoeid, dat ook zijn voetstuk in de veroordeeling van het geheele standbeeld moet deelen. Maar welk is ook het opschrift, dat op dat voetstuk te lezen staat? Het drukt in groote letters het woord: Arbeider! uit. Arbeider! dat spreekt uit het geheele voorkomen en de houding van dezen plompen kinkel; dat spreekt uit dat sterkgespierd gelaat met de forsche jukbeenderen, hetwelk in zijn stompheid ijver en volharding uitdrukt; dat spreekt uit die vierkante schouders, die zelfs in dezen ingetrokken stand stierenkracht verraden; dat spreekt uit die geheele stroeve gestalte, die uit hout schijnt gehouwen te zijn. De klant staat nu in rust te kijken: maar als hij eens die handen uit de zakken haalt en aan ’t werk slaat, ha, hoe het er over zal gaan! Dan zal datzelfde lichaam, dat nu niets dan een logge klomp schijnt te wezen, een veerkracht en buigzaamheid ontwikkelen, waarvan wij met al onze gymnastische oefeningen geen denkbeeld hebben. Men moet geen eend op het land, en geen arbeider op de wandeling zien.

Ik bespreek evenwel voor den borst uwe achting niet alleen op zijn titel als Arbeider, schoon hij er meê zou kunnen volstaan. Ik eisch die vooral op grond van zijn karakter en zeden. Het blijkt wel, dat arbeiden onze bestemming is, daar het den mensch zoowel naar lichaam als naar ziel zoo gezond maakt. Zie dezen man; hij mist vijf en zeventig van de honderd ondeugden, waaraan wij schuldig staan. Op dat ronde gelaat staan eerlijkheid en trouw te lezen. Onder dat lomp stuk vilt broeit geen vonk van eerzucht. Schoon het woord Arbeider den zin heeft van Arbeider voor een ander, op eens anders land en voor eens anders voordeel! weet hij niet wat het is, iemand te benijden. Zijn wenschen strekken juist zoo ver als zijne stulp, dertig voet in ’t vierkant. Achter dat grove wambuis klopt een grof bewerktuigd, maar gezond hart met warm bloed en gelijke rustige slagen. Schoon de weggestoken vuist een geducht wapen is, is het een eerlijk wapen, dat nooit dan in een billijken strijd getrokken wordt. Die groote lompe voeten zullen geen worm vertreden, als zij het mijden kunnen. Het geheele ronde voorkomen van den flinkert is een verpersoonlijking van het spreekwoord van zijn land; goed rond, goed Zeeuwsch.

Welnu, wat dunkt u? Zou onze held, indien hij slechts eenigzins aan de gegeven karakterschets gelijkt,—en tot bevestiging daarvan, durf ik mij op ieder, die den nijveren Zeeuwschen en den geheelen vaderlandschen arbeidersstand eenigzins van nabij kent, beroepen—zou hij dan niet verdienen, een sport of wat hooger in onze schatting te staan, dan de ladder der maatschappelijke inrichting hem aanwijst? Laat het zijn, dat hij tot de voeten van het maatschappelijk lichaam behoort, het zijn toch de voeten, die het lichaam dragen. Hebben wij, beschaafden, de eer van daarin de plaats der fijnere zenuwen te vervullen, vergeten wij niet, dat de spieren het in beweging brengen. Zijn wij er trotsch op, dat wij als kleurige klaprozen en gesternde korenbloemen tusschen het graan in staan, houden wij onder het oog, dat het de eenvoudige eenkleurige halm is, die het gezegend voedsel onzes dagelijkschen onderhouds bevat. Er is meer! In den nederigen boeren- en arbeidersstand, van de besmetting van vreemde zeden vrijgebleven, wordt het degelijk oud-vaderlandsch karakter nog bewaard. Daar worden de voorouderlijke zeden nog in stand gehouden. Daar prijkt vader Cats noch naast den eerwaardigen huisbijbel. Daarheen moeten wij onze toevlucht nemen, om de plaatselijke eigenaardigheden van ons taaleigen op te sporen. En dat ook de aloude dapperheid, die aan de De Ruiters, Evertsens en Bankerts, als vlootvoogden uit deze zelfde streken, mannen leverde om hunne groote daden mede uit te voeren, nog niet onder hen is uitgestorven; bleek het niet treffend in den laatsten veldtocht, toen onze plattelandsschutterijen, door hunne kloeke onversaagdheid, den vijand zulk eenen schrik wisten in te boezemen, dat onze vreedzame Zeeuwsche en Friesche boeren voor krijgshaftige Pruissen werden uitgemaakt? Indedaad indien men den meer en meer afslijtenden stempel van ons volkskarakter naar de oude munt vernieuwen wilde, zou men, even als tot gaafbewaarde legpenningen, tot den nederigen boeren- en arbeidersstand zijne toevlucht moeten nemen.

Doch het behoort onder de voorrechten van dezen stand, dat hij van zulke wenschen en zorgen niets weet. Onze arbeider althans leidt zijn eentoonig en onafgewisseld leven met onveranderde tevredenheid. Schoon wij hem niet kunnen aanzien zonder een onwillekeurig gevoel van medelijden over zijn zwaren arbeid en armoedig bestaan in ons te voelen opkomen, verzeker ik u, dat hij ons daarvoor niet bedanken, maar van al ons beklag niets begrijpen zou. En waarlijk er is geen reden toe. De man heeft alles wat hij wenscht. Zijn klok staat aan den hemel: hij gaat met de zon te werk en te bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebrood, en zijn vochten weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Hij heeft alle dagen een lekker gastmaal: aardappelen, door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na arbeid. Buiten deze dagelijksche feesten heeft hij nog des zondags de wandelingen naar het nabijgelegen stadje, dat gij over ’t water ziet, met een aardig boerinnetje aan zijn zijde. En als het kermis is en hij met zijne uitverkorene voor de vedel staat, dan zou hij niet willen gelooven, dat het mogelijk is grooter pret in de wereld te smaken. En misschien is het ook niet mogelijk! Zoo leeft dan de arbeider jaar in jaar uit, even gelukkig en tevreden, en zou ons uitlachen, als hij wist, dat wij zooveel moeite nemen om hem te beschrijven [6].

II.

DE ROTTERDAMSCHE SLEPER.

Al wie te Rotterdam bekend is, weet dat er geen nijverder, arbeidzamer en onvermoeider menschen te vinden zijn, dan die tot de klasse van het sjouwersvolk aldaar behooren. Te Rotterdam is alles met een geest van bezigheid en drokte bezield; de geheele stad is een nest van nijvere mieren, een korf van rustelooze werkbijen; het is of de pols van die stad eenige slagen sneller klopt, dan die van alle andere Hollandsche steden. Maar van al wat, om met vader Vondel te spreken, daar

Zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet,

is zeker de sleper de eigenaardigste uitdrukking.