Part 25
Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o mijn koning! zoo waarlijk helpe ons God! Willem II heeft dit vertrouwen niet beschaamd: Willem II is een goed Koning geweest. Hebben wij hem als Veldheer bewonderd en met hand en mond toegejuicht, als Koning hebben wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan het gejuich, dat rondom hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door zijne provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van zijn lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders wezen? Liefde is liefde’s wetsteen. Nu! de geheele regeering des Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord uit zijn mond: „Ik heb slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” Des Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij spraken: „Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een vorst, die zijn volk boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans der koninklijke weduwe op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of Koning Willem II zijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene met zich bracht; helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden trager behaald dan die, welke hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht: maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene wonde zooveel mogelijk zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen schatten ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het bloed uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal zijn bloed veil voor zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als hij het wenschte te maken. Kan een koning schooner getuigenis in het graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: ik deed opmerken, welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei koningen bij hun uiteinde! O, hoe verre gaat dan Willem de Goede Lodewijk den Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der grooten, de haat des volks, de vijandschap van geheel het buitenland, en op den achtergrond het schavot van Lodewijk XVI, als slachtoffer vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. Bij het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en hofgezin, de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den landzaat, als van drie millioen kinderen bij het lijk des algemeenen Vaders; de liefde van den landzaat als de beste erfgave op het hoofd van zoon en kleinzoon overgebracht.
Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der landbewoners uit den omtrek een gesprek aan. Het had niets opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid van den dag waren vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit aller mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken op, te onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld van goedhartigheid en liefde in het hart des ontslapen Konings ontdekten; trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is medegedeeld, hoe de Koning nog, weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij zich een geruimen tijd met drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot de kleinen, tot de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke karaktertrekken, die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst. Die nederbuiging was in hem meer, dan eene berekende en afgesproken minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten vindt; hier was zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, dat hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te behouden. Spraken krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van dien mantel, dien hij op zoo ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol liefde sprak uit de plooien van dien mond, waarmede men te recht gezegd heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. Indien hij in meer dan één opzicht aan Hendrik IV deed denken, dien Frankrijk tot op dezen dag le bon Henri noemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze populariteit, die hij zich had weten te verwerven. Zelden heeft een vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des konings met de minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was. Welke koning droeg ooit met meer recht den naam van beschermheer der kunsten? Welke koning had ooit meer aanspraak op den titel van weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar het eerste sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er bijvoegen, indien men de tranen der beweldadigden in eene urn vergaderen en die als eene lijkbus op zijn overschot plaatsen kon, dat dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. O, ik weet niet, of ik niet te stout spreke; maar mij dunkt, Willem II heeft in zijn korte levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon met doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de liefde des volks voor zijn Koning, de populariteit van Oranje in Nederland had geleden, toen Willem II Koning werd. Een vreemdeling, die vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, heeft den toenmaligen staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende eeuw heeft de volharding van Willem den Zwijger Holland gered, in de negentiende heeft die van Willem I het land in groot gevaar gebracht. Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen door al de wenschen, omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche land gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den rijke, zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte zijn naam niets dan een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen hebben hem die voorbeeldelooze populariteit doen verliezen.... Maar welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene edele onderwerping! Welk eene standvastigheid! Toen Willem I de kroon nederlegde, hoorde men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging tegen de verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele klacht Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit begrepen, en het stilzwijgen bewaard. Zelfs vertoonde zich in de bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen Koning betoond, eene zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het volk vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon den schijn zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te wezen”. Maar nu! was de toestand van Nederland zoodanig, als hier door een onpartijdig aanschouwer en opmerker wordt gezegd, welke bezwaren ontmoette dan Willem II niet van stonde aan op zijn pad! Welk een verschil tusschen de stemming des volks bij de troonsbeklimming van den souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden koning!—Wel nu, had Willem I het voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den einde toe in dezelfde mate te behouden, Willem II heeft, als de schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft tot en op den naam van Oranje wederom al die liefde weten terug te brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk verbonden was. Hij heeft alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet is la charte constitutionelle, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam der Nassaus met de spreuk Je maintiendrai, zijne aantrekkende en bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap in Nederland op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen vaststaat, liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des harten gegronde overtuiging, dat „zijn Koning hem van God gegeven is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: hebt gij aan die verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van een Oranje volbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het hulkje, dat zich aan u vertrouwde. Daarom is de dag van uwen dood een dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is de dag van uwe uitvaart een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat nu van Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de kunst des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft uitgestrooid; daarom klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van de Lauwerszee, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft, en die ook in mijn hart boven die allen weêrklinkt.
En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied.
Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt een roode gloed. Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren der lansruiters. De trein genaakt.
O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik mij bevond, waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein bevond zich bijna niemand. Recht zooals ik het had gewenscht en gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de indruk, dien de optocht op mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; daarna eene afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoor Coets van Baggen, die te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht had hem bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste te mogen aanbieden. Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in floers gewikkelde muziekinstrumenten, die zich, eenige honderde voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten hooren. Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna, door vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar overschot was bevat. Het was een indrukwekkend gezicht. De hemel van den wagen was van somber zwart met rein zilver afgezet, en verhief zich in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: ik dacht aan het schoone woord van Bossuet aangaande de toerichtingen, „die tot aan de wolken de doorluchtige bewijzen verheffen van—ons niet”. Onder den hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een kussen met de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas geplukt, waren die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog niet verdord. Maar dat die kroon met geen enkelen traan van uwe onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zij dikwijls voor u een doornenkroon geweest, dat strekt u tot grooter eer, dan alle lauweren u konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven versierd, het eereteeken van den rang, dien de held op het slagveld verwierf, en waarop de Koning uit dien hoofde bleef prijs stellen. Ter wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, na in Spanje den troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en zonder Waterloo geen St. Helena! Hier de degen, die den Noord-Nederlandschen helden andermaal den weg naar Brussel opende, en die in Brussel het bulletin van Belgiës onderwerping zou hebben geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich tusschen Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den IJzeren Berg als een starre der zegepraal tusschen de wolken van den kruitdamp hebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het veld der overwinning en van daar wederom huiswaarts heeft geleid! Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik zag, kon mij niet beletten meer te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest het lijkkleed van die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin rustenden doode te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar! Dat hoofd, dat zich zoo fier placht op te heffen, roerloos ter nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur verdoofd! Nog altijd diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten, roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen versierd; maar het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het geheel een beeld des doods; van dien dood, „die den geest der vorsten als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, die koningen en bedelaars gelijk maakt, en den eersten recht geeft den laatsten met de woorden bij Jesaja toe te roepen: Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden! Ach, wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen had geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der Zuiderzee, in een ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze stofklomp, die welhaast een wolk van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de hoeven zijner paarden werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!”
Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om zijn laatste peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden gedurende dat tijdvak niet al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee jaren beleefd, toen het reeds in de
„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren, Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.”
Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmede Napoleon hier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn voorvaderlijk erfgoed beroofde, elders den krijgsman in zijn leven bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd uit datzelfde Engeland, waar hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat hoofd de kroon van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te dragen, en nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware beproeving gebogen terug. Wel joeg de zegepraal van Leuven die nevelen weder uiteen, en daalde straks met den diadeem van Willem I de liefde van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de kleinste kroon kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord van de lippen gedwongen, dat uit zijn mond tot mij gebracht werd: het woord, waarbij hij verklaarde, dat men de uitdrukking „zoo gelukkig als een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. Als ter voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener geschokte gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een dagelijksche dood” werd, een leven als onder het zwaard van Damocles. Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was opgehangen.... daar valt dat zwaard neder... het treft dat dierbare hoofd.... dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, heft zich nog eenige malen tot de worsteling op... vergeefs.... het wordt gedwongen te buigen.... het buigt zich voor den laatsten slag... het zinkt voor altijd op de koude borst.... Koning Willem II is niet meer!
Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste zacht op het rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft gespreid. Het ruste zacht in de schaduw der dankbare nagedachtenis, die het graf der Nassaus, als een altijd geurende wierookwolk omzweeft. Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of der veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken des volks rondom het graf stoort zulk een ruste niet?
Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan in alle oostersche specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan bewaard! Slaap zacht onder de lauweren, die eene zachte hand voor uwe lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde traan van Haar, aan wie die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend kroost, dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en der liefde mede.
En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar Delft, dan naar het graf. Rondom dat graf zouden al de dierbaarste betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den jeugdigen man, die thans Willem III heet.
Willem III! Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste kleinzonen des toenmaligen Konings, Prins Willem en Prins Alexander, die destijds kweekelingen der alma mater Leidensis waren. Waarlijk, men had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien droom geworden? Ga naar het praalgraf der Nassaus te Delft, en vraag den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor Prins Alexander werd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te dankbaarder zijn wij voor Prins Willem, dat zijn levensdroom zich aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeft de kroon verkregen, die hem voor de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene vraag, waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zal hij dier kroone wezen? Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. En toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans op hem rust. De dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen: Zie, hoe lief men hem had! Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft! Zou dit hem niet dringen om een goed Koning voor zijn volk te wezen? Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aan Salomo te Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes volks over den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van den Koning der koningen, bij wiens kruis wij heden in den geest staan, en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, als besproeid, ledig tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit als een voorteeken aan!—hij heet Willem III. Accipio omen. Willem III! Welk een naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar te Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen naamgenoot stondt; er aan gedacht, toen gij thans nog overal Groot-Brittanje van den naam van Willem III vervuld zaagt; er aan gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen naam verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en stamgenoot van Willem III waart. Willem III! wij bidden het van God, maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting niet! Wees voor Nederland als Koning, wat Willem III als Stadhouder voor Nederland is geweest. Heeft Willem III voor de republiek het werk bekroond, door de wijsheid van den Zwijger begonnen, door de dapperheid van Maurits en Frederik Hendrik bevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het werk, dat Koning Willem II tot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij uw oog voortdurend op onzer vaderen God, op onzer kinderen Vader gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al zijne zonen?) een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o, mocht gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen. Christus te volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit den ouden tijd eenmaal tot een uwer vaderen gesproken, u toe te spreken, „Christus te volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die op dat pad de voorste is, is de eerste aller menschen, Gode het naaste en alleen een rechtschapen prins.” Amen! zeg ik thans met dubbelen nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, o God der vaderen! doe gij om en door Jezus Christus zoo en zoo daartoe!
Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van de omstandigheden, waaronder Willem III Stadhouder der Unie werd. Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en dood, waarvan die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële proclamatie: Het heeft den Almachtige behaagd Willem II tot zich te roepen.—Willem III is Koning der Nederlanden.
Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk koningschap. Elders worstelingen, die den vrede des lands in gevaar brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, ook bij het behoud des vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, wiens persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp van dubbelzinnige herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang van de kroon des eenen Nassaus op het hoofd des anderen, en wat het schoonste is, de overgang van de liefde, die op des eenen hoofd rustte, althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! moogt gij het nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het behoud van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve van onzen grond geweerd de invloed der voorstanders dier valschelijk genaamde vrijheid, die Karel naar Holyrood, Lodewijk Filips naar Claremont en Lodewijk XVI naar het schavot op de Place de Louis XV bracht. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel vertrouwen en liefde uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in den weg van God uw volk werd. En nooit ontga uw hart het aandenken aan die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de liefde van Nederland voor Oranje te recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands kinderen, dat ’s lands vaderen tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des bloeds, die stem! want zij is geboren uit het bloed, dat de Vader des Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende met dat bloed, als met een onoplosbaar cement, Nederland en Oranje tot één verbond! Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en wij zullen u een volk zijn gelijk gij hoopt. Willem I! Vader der Nassaus! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij het open graf van dezen uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken, verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, verstomme onze tong! Eer wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De koning is gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering zij gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente, die gij weder over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen, dat dezen feestdag der lente viert, moge het de voorbode, gelijk van een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van een nieuw leven vol vrede en voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.... o dan is de laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang opgelost, en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk morgenlied!
TWEE MONUMENTEN.
(1676–1841).