Waarheid en droomen

Part 24

Chapter 243,903 wordsPublic domain

En Willem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte zijn gelaat de gelijkenis van een Oranje uit; nog altijd zweefde om zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een burgerkoning. Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid van de gezindheid der aanwezigen, van het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op eens, als schoot er eene wolk voor dat licht, op veelbeteekenenden toon uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, had ik willen zeggen, lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! Leve Willem II!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van dankzegging en welbehagen van de andere—en daar reed hij heen. De Koning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en wel-aangename verschijning, de verlevendiging van het beeld eens Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer liefde voor den Koning, dien niemand, wien Neêrlandsch bloed door de aadren vloeit, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van het Vaderland vermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden, voor hem op te zenden; en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en onschuldige vreugde, en onzer vreugde vóór en ná die vreugde, die mij nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen schrijve. O, wie nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver die zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te dragen, dat een hart heet.

Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen volgden hem. „Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna. „Vaarwel! Voleindig uw zege- en liefdetocht door de gewesten van uw goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel op de bloemen, die de burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten uit haar midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning teruggekeerd zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op de schouders valt, moge dan de geur dier bloemen u als eene herinnering omzweven, en u eenige vergoeding schenken voor de doornen, die op het hooge pad der koningen gezaaid zijn!”—Wèl den vorst, wiens pad een dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! En ook hem bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de keizerskroon van het Heilige Roomsche rijk! Leve Willem II!

Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo spoedig verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet alreeds onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten helpen vergoeden. Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op aanstaanden Zaterdag de voltrekking van het hooge huwelijk tusschen Karel Alexander Augustus Johannes, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, en Wilhelmina Maria Sophia Louisa, Prinses der Nederlanden aan. Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen klinkt niet vreemd, vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op het veld van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke Hertog, die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van Leuven voor den voet van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide: Willem van Oranje en Bernhard van Saxen-Weimar, een Vorst zulk een Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van jeugdigen Vorstenadel en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die echt den knoop legt. Duitschland, sedert het ons zijnen Nassau schonk, pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te wisselen. Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken hebben gehad, Wilhelmina de Gezegende!—Nu zendt het ons weder een edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam hem prijst, om van de verhevene Paulowna het evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot van zijn voorvaderlijken troon te vragen. Nederland geeft niet alleen door den mond zijner vertegenwoordigers, maar ook met zijn hart, zijne goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, Vader Willem en Moeder Anna!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis omsluite, het omsluit toch ook eene vreugde, die het met alle lagere daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste vreugde, naar men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de vergoeding voor hun verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de verloren paradijzen van alle Adamskinderen. Gewis, er wordt veel leeds verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede purper af tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort van gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo rijk als de koning, en de koning zoo rijk als de arme, die het gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb vroeger het lot der Gekroonde Vrouwen betreurd, en bij het graf van Wilhelmina het lijden der hoven geschetst: maar nu, bij Sophia’s bruidskrans wil ik het geluk verheffen van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw van een aartsvaderlijk hof, onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van den erfgenaam eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de bruidskroon op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat mij, den nederigsten van Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van eenige orde ben, dan die der zestigduizenden van Hasselt, de toegang tot de feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het bevallig bruidspaar niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn onfeilbaren looper de hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van de feestvreugde te zijn: ik bedoel mijne Verbeelding, die met vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en kamerdienaars en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der Czarendochter en Vorstinnenmoeder de kroon op het hoofd der bloeiende bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen van den welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met bewonderenswaardige kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven kleedt, en bij iedere koninklijke vreugde en bij iedere koninklijke smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, het heiligend kruis op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk de honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks verkonden, zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke gelegenheden bewaar, een hartelijken feestdronk instellen, en wie zijn koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke paar! Leve het Koninklijk Gezin! Leve de Koning!

DE KONING GAAT TEN GRAVE.

(Maart 1849.)

„Mijne broeders! God alleen is groot!” Aldus luidde het woord, bijna anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker bij het graf van den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne broeders! God alleen is groot!”

Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen der aarde, ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van mijn vleesch en been van mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch van mijn asch zijn, en dat ook voor hen de ure komt, waarin zij, die zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad hebben, tot elk van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, op hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te spreken heeft: „Keer weder, gij menschenkind!” en hij keert weder. Maar wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, dan in de laatste tijden, die wij hebben doorleefd.

Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in de Champs Elysées te Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam aan. Ik zag, en zie—het was een koning. Het was Lodewijk Filips, de koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de zoon van Philippe Égalité, bezitter van den troon van Lodewijk Capet. Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar zijn koninklijk paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid eens konings, in zijn met acht paarden bespannen rijtuig, te midden van den hem omringenden gouden hof- en scharlaken ruiterstoet en den bonten stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn weg schaarde. Daar snelde hij heen, de erfgenaam der Carolingen, der Capets, der Valois, der Bourbons, der Napoleons; daar snelde hij heen, de vorst, wiens voet op de leliën trad, die voor de Bourbons ontloken,—om wiens hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelen Napoleon hadden gedragen. Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen en prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te Versailles;—het schoonste, dat menschenhanden voor een koning hebben gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste is, dat menschenhanden hebben gebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van Versailles, waar alles schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! wie van de koningen der aarde kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.... Drie maanden verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór hem verdreven Bourbon en Napoleon, om zijns levens wil vluchten moest uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen aan zijn oog hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd.

Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe koninklijke paleis. Het is waar, het verschil tusschen Versailles en Tilburg is zoo groot niet, als het verschil tusschen het paleis van Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, ook het paleis van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne bestemming. Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dien Willem II bij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare herinnering aan zijne in Engeland doorgebrachte kinderjaren moest zijn! Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg als koninklijke woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch vond mijne verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste bijzonderheden, naar het door hem gemaakte bestek daargesteld, weder; hem zag ik in al de grootheid van zijn koningsluister, in al de waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling niet alleen van het door hem beweldadigd en verheerlijkt Tilburg, maar den wellust van een geheel volk, dat hem met het hart beminde; hem, die zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht een der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.... Drie weken verliepen, en koning Willem II was een lijk, dat onder de tranen der hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste rustplaats werd heen gevoerd!

Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In gindschen doorluchtigen val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God is groot! hoe grooter de koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, des te verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te boven gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij is, en de mensch is niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.”

Wie had het gedacht? Lodewijk filips, de groote koning, viel; Willem II, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon gezeteld, ja, zat daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk de dichter terecht zeide, wij konden juichen:

„Stort elders oproer en verraad De vorsten van hun wankle troonen, Hoe bleef de trouw van d’ onderzaat Hier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!”

Maar helaas!

„Wat oproer noch verraad vermocht, Dat heeft de magt des doods gewrocht!”

Koning Willem II is niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en feller dan de klokkenklepels, die straks te zijner eer alom begonnen te kleppen, door den lande heen! De ijzeren tongen, die van stad tot stad en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven gezamelijk in de hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag, waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning is gestorven! Willem II is niet meer!”

Willem II is niet meer! Die rouwgalm klonk ook in de plaats mijner woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. Wat Oranje voor mij is, wat Koning Willem II voor mij was, wat elke vorst uit het huis van Oranje—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat huis den troon moest zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb het meermalen kenbaar gemaakt; ik heb er bepaalder van doen blijken ook in die nederige veldbloem, die ik vóór acht jaren, ter begroeting van Willem II, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de provinciën van zijn land en de harten van zijne landgenooten heb gestrooid: „De Koning komt!” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo luttel jaren elders dezelfde stem, maar op geheel andere wijze, mijne ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd heen te gaan: „De Koning gaat ten grave!”

De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in mij ontwaken om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien, gelijk ik bij zijn eersten tocht als Koning een enkel rozenblad op zijn weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood zich gereedelijk aan. Op den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, de plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar verder naar zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij langs een niet ver afgelegen heide gaan. Hem van die heide af ten grave zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. Aan het gedrang eener opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der toeschouwers en de stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te stuitend zijn geweest. Maar onder Gods vrijen hemel, in de stille natuur, op eene eenzame heide te midden van weinigen die gevoelden als ik, kwam mij de gedachte om getuige van den laatsten gang des Konings te wezen niet alleen dragelijk, maar zelfs aanlokkelijk voor. Had ik den Koning niet zien komen? Ik wilde hem nu ook zien gaan.

Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten. Het rijtuig bracht mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner bestemming. Daar stapte ik het rijtuig uit. Het overige van den weg legde ik wandelende af.

Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk helder. Was de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch telkens koesterend door de wolken heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de stem van den leeuwerik uit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan anders opmerkte, ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken gehoord. Van alle zijden opstijgende, zongen zij het lied, dat hun God hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding der natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets contrasteerends, en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang op dezen morgenstond. O, hoe verschilde dit contrast van het contrast met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! Het was een contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den cirkel heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet!

Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en dierenwereld wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille gepeinzen daarheen. Op eens wordt die stilte afgebroken. Hoor! het is een klokkentoon!

„Klagend klinkt heur traag geluid Ten bemosten toren uit, Waar de streng in wordt getrokken; Zuchtend is heur klank en dof, Als een toon van rouw en smarte, En zij valt hem zwaar op ’t harte, Wien zij de ooren trof.”

Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren: het is ter eere van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber uitvaartlied begint. Bij dat geluid werd mijn geest al meer en meer in den geest der plechtigheid van dezen dag verplaatst en gestemd. Ik wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder van het kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te Tilburg het teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot, het bracht mij als door een tooverslag op het tooneel des rouws over. Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten der koninklijke weduwe; ik vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den toon van smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den zwarten stoet deed klinken.

En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.

Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats kon zijn, waar ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten nutte, door in mijn geest voor mij te laten heengaan al de beelden, die de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen van het verledene, voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik als uit den grond zeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een heidegrond, die eertijds een legerkamp was geweest; de heide van Rijen, die de landlieden uit den omtrek nog heden het kamp van Rijen noemen. Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831 en later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door de legeroefeningen en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die later in de gevechten voor Hasselt en Leuven werd behaald. Zonderlinge afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna een woelig legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier vroeger heerschte! Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken van leven werd bespeurd, hadden binnen een klein bestek duizenden—en welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen hadden er geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmen Davids waren er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat in het legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden. Ook hier had op elken eersten dag der week de stem des Evangelies aan de zonen van den krijg Vrede door het bloed des kruises verkondigd. Ook hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij het geluid van horen en trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim en Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping en der menschen:

Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen; Men loov’ hem vroeg en spâ!

Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de overwinning van Waterloo op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd; een ander dacht aan de wapenschouwing, die het uitspreken van het „Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit alles denken of er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling van geheel het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den overwinnaar van Quatrebras, den mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat zich op dat groot en schitterend tooneel in die dagen al grootsch en schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer de altijd groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de nog in al den glans der populariteit blinkende koningskroon van Willem I niet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe lief had hij op zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp, hoe lief was hem geheel het krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim dier betoovering schuilde, die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg scheen uit te breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de jaren van ’s Prinsen krijgsmansleven, aldaar en daaromtrent gevoerd. Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en menschelijke deugden onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen drang en dwang der hof-etikette, van alle streken en treken der hof-diplomatie vrije soldatenleven was een leven naar zijn lust. Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning noch in zijn prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw te s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de veldtent in het kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk hare herbergzaamheid aanbood. Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare herinnering aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem een Sans-souci in de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner ruste in de ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt.

Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende werking van Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen weg langs gereden, en nu klonk hier het gebulder van het kanon, dat de nadering van zijne lijkkoets langs dezen zelfden weg aankondigde.

En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.

Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp van het sterfbed binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen van den veldtocht, van

„den strijd, die minder dagen Dan verwonnen steden telt.”

Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt en Leuven behaald. Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik gedacht aan de zwaarwichtige ure, toen met de kroon en koningsmantel van Willem I de last der regeering op de schouders van Willem II was overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik toen met het oog op des Konings eed ten dage der kroning, en de verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!”—Willem II! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die verwachtingen voldaan?