Waarheid en droomen

Part 23

Chapter 233,721 wordsPublic domain

Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker bericht ontvangen hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte aller hart en glinsterde aller gelaat van vroolijke verwachting. Men sprak elkander niet, zonder van het heugelijk nieuws te gewagen. Ieder maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze te ontvangen. De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan, Ommeêdoogend hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen en wat naar bloemen geleek werd zonder deernis afgeplukt. De lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want lijsterbessen tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen besje over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog geen lijster geproefd heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger dan de andere. Men durfde in al die dagen niemand de hand geven van den boomharst, die er aan kleefde van al de taxies, gelijk men bij ons de sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet lang, waarin de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld, even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk van er den duimstok bij gebruikt te hebben. En vlaggen? Die konden, ontboden ze van elders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van gekleurd papier, oranje, blanje, bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud in eene haringkroon. De ijverigsten richtten bogen op met eene kroon er in, want dat is boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft is het feest der feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen opschriften op een half vel papier, beschreven door den ondermeester van het dorp, in alle soorten van letterformaat, groot, middelslag en klein, met lettertrekken er rondom, die de Koning van zijn rijtuig moet kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en dat zegt hier, aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór den grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een enkel dwaallicht zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen dorpeling, die, eer hij ging slapen, zich het genot nog eens gunnen moest om het door hem gebouwde Babel met zijne hangende tuinen te bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker voor uilen en bietebauwen maakte.

Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen morgen wakker. Was het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het ontwaken was: de Koning komt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst en tierigst opgetooid. Een keurige taxies-krans slingerde zich als eene reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige bochten, van den ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den grond naar beneden. Editha had er hare kleine handen met honderd „eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje van Z. M. aan verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en vergulden vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage stulp, en daarom nog verscheidene ellen vluchts gekort, die een mijner vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet welk aanzienlijk college bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met een langen wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen uithouden. Nadat ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar buiten, om nu het geheel der versiering nog eens op te nemen. Het was een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om het mooie nog mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, met eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te strikken, en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met den een, dan met den ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends over zijn goeden smaak, die in deze of gene bijzonderheid vooral schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten van zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen renden de rijtuigen met menschen beladen als in wedloop naar de stad, om daar getuige van den Intocht te zijn; en ieder blik van opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen geworpen, werd met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld.

Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan God, die zijne menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde schenkt en gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land, mijn koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór mijn huis op en neder. Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel buiten de kom van het dorp in de eenzaamheid bevond. Deze was mij nu niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn hart ook iets, dat zich liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht mij reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te doen. Zoo kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt. Altijd zou mij die komst belangrijk en aangenaam geweest zijn, maar heden bovenal. Het was de derde Augustus. De derde Augustus, gedenkwaardige en roemrijke dag in de jaarboeken van ons vaderland, inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, dat voor elf jaren Willem, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het hoofd van een getrouw leger, den eersten voet op Belgischen bodem zette. Die geheele veldtocht met al wat hem was voorafgegaan en gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon op die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje genaamd werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand beseffen dan hij, die met mij de wapens in dien veldtocht droeg. Wie Willem II niet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien. Niemand verdenke dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij met vrijmoedigheid op de bezadigdsten onder mijne wapenbroeders. Kon ik er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich niet beschrijven, de aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd zijner dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot ons komen, op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer dragen zou, maar bij zijne verminking vóór Leuven hem een dier schoone woorden in den mond geven, die de geschiedenis van de lippen der dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie ik hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den bijzonderen en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg wees, die op zijne edele borst gericht werden, maar tevens, als de beroemde pluim van Hendrik den Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem met het prachtige zwaard aan de zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup van den vorstelijken echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan heeft! smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor de voeten leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige houding, die rust inboezemde ook aan de bekommerdste, moed aan de versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, die van de vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken deed: „Heerlijk dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond op, en dartel in zijn overmoed, gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst niet terug voor het zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en lans. Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der trompet. Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt den strijd van verre; des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!” Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning telkens bij zijne komst een luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, waaraan hij door een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op te leggen.

Ja, ik herhaal nog eens: wie Willem II niet als Veldheer en in het veld gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En in die gestalte trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest. Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden Veldheer zien; mijn Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer, die mij in den strijd en uit den strijd geleid heeft, en aan wien ik het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn jong leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor mijn ouden dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een zedige schaduw op mijn hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder het gedenkkruis, dat ter eere van den dag mijn knoopsgat versierde; het kruis van metaal, dat de hand van den Vorst ten aandenken aan hem en den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl hij het wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met mij zijn vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik wederzien, na elf jaren scheidens; wederzien, nu niet meer als Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, maar als Koning. „Leve Willem II!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen gooien. „Leve Willem II”; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! Leve Willem II, de Held van Hasselt en Leuven! Leve Willem II, voorheen mijn Veldmaarschalk en opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!”

Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was het wonder, dat uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor mijnen geest verrezen? Ja, het was, als had ik door dien eenen blik in de wereld, die achter mij lag, die geheele wereld voor mij geopend, en als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. Al wat sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag gebeurd was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de verstoring van onze heirvaart naar Brussel, door de wapenen van den (nu ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) Hertog Van Orleans, als schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit. Vervolgens de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel langen weg! Van daar het noodlottig stelsel der volharding, geboren uit dien eigen geest van standvastigheid, die bij alle groote mannen, en zoo ook bij Willem I, het snoer om den bundel hunner deugden en de moeder aller groote daden is, maar die, even als elke andere deugd, in het gevaar van VERharding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het stelsel der volharding, na de aftreding van diens Hoofd, met onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders alleen aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het stelsel des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware, zelfs toen de rookende puinen der citadel en het lauwe bloed der vestinghelden er tegen scheen te roepen! Het stelsel der volharding, eene dwaling misschien van Willem I en zijn volk, maar altoos eene Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks taaie standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat daarop rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een volk, dat de schoone dwaasheid had van niet van zijn tijd te wezen, dat is, van in eene eeuw van diplomatie (men vergunne mij dit diplomatieke woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de heiligheid van een eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; de dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den vaderlandschen grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en dammen het ontwoekerd hadden, dan van vreemde oogen de wet te wachten. Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus getrouw, heeft pal gestaan; het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke willekeur, die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het heeft pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang opgehouden had een voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan voor zijn Vorst, wiens dwaling het uit liefde deelde, toen andere volken, uit oproerigen haat, op de goede daden hunner vorsten spuwden; het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het eens den Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk dierbaars en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin, zijne dammen doorgestoken, en zijn grond aan de wateren prijs gegeven. Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld en bedolven, en door den stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld begraven, waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het ligt daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het onderschrift: Luctor et emergo. Maar het ligt daar, als die Zeeuwsche leeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het kan zonder zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen: „Mijn vijand was sterker, maar niet beter dan ik!”

En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van den Man, die in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan vijfentwintig jaar aan ons hoofd stond, ons vertegenwoordigde, en trouw alle goed en alle kwaad, alle verhooging en alle vernedering, alle verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over het hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze oogen van de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding was, en hoe kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld, indien er schuld was, boette met het roer van het schip te verlaten, dat hij niet voor alle klippen had vermogen te beschermen! Geen Wee over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, om onzer vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner kinderen heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige ballingschap, en wien wij niet te hard mogen vallen, omdat hij die gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar al te duidelijk getoond hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou hebben gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de dienst voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van ons vraagt dan een weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan heeft, een weinig vergetelheid voor het kwaad, dat hij tegen zijn wil mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het goede, dat hij heeft willen doen!

Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee, Willem I, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij bezig zijn een gedenkteeken onzer hulde en liefde te stichten. Rondom uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij als Koning voor ons gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom de asch zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken, gedachtig aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en gebrekkigheid. Ja, met herinnering daaraan spreken zij, voor hunne menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch de eere der gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den grooten dag der verantwoording van koningen en volken, u gratie verleenen moge, Koning der Nederlanden, Willem de Eerste!

Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie. Want het was niet Willem I, dien ik heden aanschouwen zou, maar Willem II; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is ingetreden. En toch, laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of het draagt de litteekenen van het oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste taak is om de wonden te heelen, die het uit het oude heeft meegebracht. Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder ongunstiger omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der Nederlandsche Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die van het grijze hoofd van Willem I op den heldenschedel van zijn zoon nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder gevallen zijn, mijn Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt, dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien gij zoo licht en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn gebleken, een volk te bestieren, dat van zijn Vorst zoo veel te eischen heeft, en zoo licht te veel eischen kan, dan het u was, uwe dapperen aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, zoo gedwee op uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe! Wel mag het u eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na dagen van mistrouwen en onzekerheid, onder geen al te gunstige verwachting den veldheersstaf opnaamt, in weinige dagen de weifelende gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, te heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die geboren werden, toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de rechterhand ophieft, en met de linker op de grondwet zwoert: „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”—Willem II, Koning der Nederlanden! Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: het antwoord zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de toekomst, die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd heeft. Zooveel mogen wij zeggen, dat wij van u het goede verwachten, omdat wij zeker zijn, dat gij het goede bedoelt. „Ik heb slechts één hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat woord van uwe lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie het met hem gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En eigenlijk steunt dat vertrouwen niet eens op dit, of op eenig ander menschenwoord, maar op het woord van den God van Nederland:—zoo noemen wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af aan Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God van Nederland, die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner handen. Want zie! indien daar iets het werk zijner handen is, het is het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, Nederland! het is het land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij het, even als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft opgetogen en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs allerlei wonderbare wegen en leiding uit eene aanslibbing van rivieren en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend sprak, tot de meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers gekoesterd, totdat het sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te drijven. Het is het land, straks van de ketenen bevrijd, waarmede zijne voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: bevrijd, dat wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het land, met de Nassau’s gezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizer Karel leunde, toen hij deze gewesten aan Philips overdroeg, weinig vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het land, met schaarsche en schuinsche stralen door de geschapen zon belonkt, maar met den helderen warmsten gloed van het ongeschapen licht bestraald. Het is het land, tot op dezen dag, ondanks Engelands naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, ondanks eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen van de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God koos, toen het op zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord ten steun gaf, met de spreuk: „Hac nitimur, hanc tuemur”: op dien God, de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach, ware het slechts, dat het volk.... maar neen, hier geen klaaglied, schoon het er misschien de plaats voor ware: want het is heden een blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning der koningen geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. Leve Willem II! Hoezee!

Leve Willem II! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging. De koning kwam. Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de dorpelingen liepen toe. Daar was hij! Lache er om wie wil, ik gevoelde mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voor Oranje is bij den waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des Vaderlands gelezen heeft,—bij Bilderdijk of Wagenaar, het doet er niet toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie van Oranje als eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen stroomt, zegenende als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt of afgeleid wordt, en wederom zegen met zich voerende als zij terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk en wien zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het verstandig, of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den zoon der Oranjes tegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters het treffend genoemd heeft, het is de stem van het bloed in ’s lands kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat anderen er tegen verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den hoed wuivend in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte mede: „Leve Willem II! Hoezee!”