Waarheid en droomen

Part 22

Chapter 223,902 wordsPublic domain

Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen. Zóó veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek naar het vers, door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der Vorstin gemaakt. Het was in den rechten zin des woords een mijmering, eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden dwarrelden bont en grillig voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den trein van het paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en drie voeten breed, meer niet, en dacht aan het woord van Juvenalis: Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula, zóó klein kwam mij dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen tot woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht op haren weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef alleen achter. Toen daagde ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren deden, geheel het volk op, om over de Doode recht te spreken. Nog bleef ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen haar in. En toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize uit deze wereld vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van hemelsche Serafijnen, en haar juichende binnenleidden in de eeuwige tabernakelen.”

Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ik mijn lief kamerke verliet, zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend maakte, dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen. Ik was over mij zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie onopgemerkt had laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond mijner weigering om naar den Haag te gaan,) ik zag er tegen op, om mij in de drokte van het volksgewoel te begeven. Reeds vroeger was ik meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over de sombere plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan geven) was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning. Men sprak er over als over een publiek amusement. En ik denk, dat wie de menigte op de naar den Haag loopende wegen opmerkzaam heeft gade geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit pelgrims naar het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in overeenstemming was met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter de passende houding van een pelgrim kunnen leeren en hen doen blozen over de gejaagdheid, over de verwachting, over het genoegen zelf, dat op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een kruidje-roer-mij-niet is en voor elke onvoorzichtige aanraking schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet in zulke een hinderlijk gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan ik te midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij zeker boos gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik mijner medegenoodigden ter begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had mij bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend schouwspel niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik had geknord tegen de onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot een rustpunt nam, of tegen den arm van mijn naaste, die op mijn schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel honderdmaal van dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen van anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven. En daar ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de wijsste partij koos met te huis te blijven?

De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne gedachte bij de plechtigheid van den dag.

Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk een scherp kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw, met het gewoel dat zich om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan, of zij zelve, indien zij recht van kiezen gehad had, hadde verkozen, in den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, zonder andere rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder anderen lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden bijgezet.

Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand. Hofdwang benauwt het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang klemt den dartelenden voet van het kind in den looden schoen der etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer naar het geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot der gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie voor onverschillige oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld in processie onder het gapende volk rond te dragen.

Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen, al de verplichtingen der tiara te vervullen.

Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt opgeroepen, om den troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot nu toe in half kloosterachtige afzondering versmachttet, wordt gij op ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. Duizenden verdringen zich op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken u de woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te vertellen: glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te weten, hoeveel karmijn zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen mompelt onder elkander, alsof gij geene ooren hadt, het vonnis zijner voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen als speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen, elkander in de ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming. Dit is nu uw echtgenoot, uwe Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw uwe koninklijke schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen van honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een weinig tot bedaren komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk worden voorgesteld. Daar staat gij aan ontelbare onbeschaamde blikken bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik uwer schoonheid—lieve Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij moogt het tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men wacht u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet, men drinkt niet, men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij komt niet tot u zelve dan in de armen van den man, die u zijne vrouw noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange dag.

Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene heeft de spitsroeden der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat haar in hare vertrekken met rust. Zij heeft den tijd zich met haar te huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan wien men haar heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft hem moeten nemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid te weeg brengen, die anders uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd paar ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok gevoelen, die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen heeft? Hare moeder moet weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar dit verlies eenigermate vergoeden? Zij had onder hare hofjuffers een vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen niet—maar toch een lieve bekende gevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat aarden? Zal zij hare lippen aan de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met de zeden haars volks kunnen verzoenen?

Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de Hofcourant gestaan: zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem lief. Zij is zijn landgenoot geworden: zij heeft zijne taal en zijne zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd.

Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen voor mannen geschikt. Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat dragen van een zware kroon en een klaterend kleed, dat bekleeden van een middelpunt van dienaars, dat treden door laag gebogen rijen, dat ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, als van den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat wonen in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult de borst des mans met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om zijn purper beminnen. Maar de zachte, ingetogene, kuische en vrome vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of aan het hart haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief heeft; die schuw is voor lof en siddert voor afkeuring—kan zij gelukkig zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen opgeheven en tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar, indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen doen, vrouwen, die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den weg gaan; mannen, die in de dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, door den dwang der etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid en hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins verheven, dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te deelen, uit te breiden, over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: want hare grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de vertrekken der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van klei en harten van steen. Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de groote mannen, die zij bewondert, de schoone geesten, die zij lief heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem der genie wordt niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon praalt. Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuw voortbrengsel der schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in een vergulden band worde aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; zij moet, binnen haren vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan het dier in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn eigen borst richt.

En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet: overal dezelfden nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om een luchtje te scheppen. De Koningin gaat een luchtje scheppen, herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, het gansche land spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene ongelukkige paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods vrije natuur. Eindelijk is zij op haar lustslot aangekomen. Het weder is schoon, de natuur in bloei, het bosch verrukkelijk. Maar wie geniet daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? En de Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers is zoo helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder! de vogels zongen zoo lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de hovelingen, die eene aria uit de nieuwe Opera neuriën. De menschelijke echoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de echoos in het bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad weder, zonder een enkel uur van vrij en zuiver genot van de natuur te hebben gesmaakt.

De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens zoo vol en tweemaal zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen; handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten zijn in beweging. De Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien zich niet, haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar cavalier zou verplicht zijn het voor haar op te nemen. Maar de Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw als iedere andere; men behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. Het stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het tooneel gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de representatie van den avond in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt zich in den lastigen toestand van eene actrice, die debuteert; zoo wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men zegt: zie, zij lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoel zachtkens in haar oog, zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De acteurs zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten deele het gevolg van het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer; een beschaafd publiek, dat zijne bewondering in luide goedkeuring te kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar het koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande, behalve die zich in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft ook zijne claque. Eindelijk is de vervelende avond om, de menigte schaart zich in de corridors, om den stoet te zien vertrekken. Met gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan, en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten: De benijdenswaardigen!

En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een wandeling door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten des Lands. Nu zwijg ik nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven, om de kinderen te bezoeken, die de staatkunde aan het hart der moeder ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. En wat is dit alles nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, om de groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd haars gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te bewijzen van Aäron en Hur aan Mozes, daar zij de tegen Amalek opgeheven hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders te laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken man nederbuigt?

o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden, welk een Ilias van lijden zouden zij te verhalen hebben!

En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings behoeft te zijn, in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den zetel alleen te bekleeden. Arme bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen drukken! Welke een jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, om een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong, en reeds zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige schepseltjes, over wie ik soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf of zes jaren oud, gedwongen worden op de halsbrekende hoogte van een koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat springt men meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van Londen langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat eene jonge beschroomde, die, bij de uitgelatenheid van ’s volks geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van angstvalligheid niet verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij de opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning, onverschillig hebt blijven aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog had doen zwellen, moest op u noodzakelijk een onaangenamen indruk maken en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna vernomen hebt, dat uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk geweest is (plectuntur Achivi!) en dat het bloed van een jong wicht de wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, hoe beklaag ik u over den rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele duive, Koningin Victoria!

Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren koninklijken oom, of reeds twistte het Parlement, wie bij haren dood moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige te verdeelen.... zie, dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers Harer Majesteit de zwarte verbeelding van Byron hebben, die zich ergens beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar in zijne fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de Courantiers te haren opzichte het lastig gebrek van la vieille fille hebben, om haar met geweld aan een jongen partner te willen koppelen. Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste geheim elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt gij ons uwe doorluchtige voorgangster, Elisabeth, te binnen”!

En ware zij nog als Elisabeth! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij eene vrouw als deze, die onder hare kanten muts mannelijke hersenen verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar vergelijk eens den staatkundigen toestand van het toenmalig Engeland met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd van den staat te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods nog door eene vrouwenhand voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de regeering: onbeperkte ruimte van middelen maakt het heerschen gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw van Elisabeth! vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de voeten eener edele jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig Engeland onzer dagen. Vergelijk dien galanten hofstoet van Staatsraden en Ministers bij den ongeregelden hoop der vertegenwoordigende kamers! Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen den hoofschen Leicester en den hooghartigen Burleigh ontstaan, met de noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepzieken O’Connel over te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als een éénig man onder de monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige bende, die zich nu in allerlei partijen verdeelt. En beken, dat men eene Amazone moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en zijden handen te kunnen breidelen.

En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen meermalen in haar vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel toepasselijker is dit nog op de regeerende Vorstin! Waar zal ik beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen de plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter moeten opdoen? Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van den Edel-Achtbaren Lord Mayor en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt er het onnatuurlijke en stuitende niet van? Welk een verschil met den tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen schildknaap de gouden spoor aan den hiel bond! Koninginnen der schoonheid te wezen en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene vrouwelijke taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om hem—even als Blount in Kenilworth met een geleend zwaard—door onhandigheid misschien over de ooren te houwen, ziedaar eene onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen twee kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het paleis van Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall. Dan liever de tranen, door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de feestdronk op den Souverein Victoria!

Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf terug, Wilhelmina van Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw afgemat hoofd en afgefolterd lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op u zal de kroon in het graf niet zwaarder drukken, dan zij op de levende woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. Het dankbare volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de hemel, en niet langer de aarde, u onder de Gekroonden telt!

DE KONING KOMT.

(3 Augustus 1842.)

De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet, wien bij deze tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan te voren. Trouwens, ik voor mij geloof niet, dat er veel zulke harten zijn. De eerbied voor het koningschap is in ons, onderdanen van den Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap in iederen vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets instinktmatigs, had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in eene wolfshuid, de gouden kroon in een ijzeren, en de schepter in een dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor de verachting en afkeer plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is.

Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel om dit gevoel ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige eeuw door Marat en Robespierre geleerd, en door hen met proeven op Lodewijk XVI en Maria Antoinette bloediger gedachtenisse gestaafd is. In die school, waarin men begint met den Koning des hemels te onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de koningen der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken weg van gevolgen, tot de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is, maar een onderdaan; een onderdaan zijner onderdanen; een knecht der knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van den staart des volks is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, in de gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst boven gezet en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter den adel, de adel achter den middelstand, de middelstand achter het gemeen, en het gemeen van het gemeen op den zetel geraakte, die de guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den Hemel zij dank! na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan: maar er is toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging overgebleven, die bij de minste irritatie met eene wederinstorting bedreigt. En het zijn deze heimelijke sluipkoortsjes, die zich hier en daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop men de vorsten weêr begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, die dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance, waarmede de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat „de Koning komt.” Merk op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den nek werpt, u met een spotachtig lachje aanziet, en een gezicht zet, zoo onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt van onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen staat, dat hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van zijn buurman op zijn erf gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen in zijn oog evenveel waard zijn als de erfelijke koningskroon en de verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. Maar zoo als ik zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en aangeleerde, die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen, met kunst- en vliegwerk uit het hoofd naar het hart gepompt is, en daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. Het spreekt dus van zelf, dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, daarvan niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen van ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting voor het koningschap, eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als hij haar niet moedwillig verbeurt, liefde voor den persoon des konings.