Waarheid en droomen

Part 21

Chapter 213,844 wordsPublic domain

Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder heeft mij bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken. Er is dus zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin is dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte ketting, waaraan het op een schalm of wat meer of minder niet aankomt, daar zij toch bestemd is spoedig te breken. Anders is het gelegen met het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. Dat is als de keten van den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo ook door de Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien anderen oever te komen, en dan het strand te kussen, en daarna opgerezen in den kristallen stroom zijn eigen beeld te zien, en zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in dit kinderportretje herken.... welk een verwachting! Toen men in der tijd dit kindje wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de kleine armpjes omhoog, zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag.... het kleine schepsel! het kon niet hooger. Maar vraag nu het kind van God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat kan hij u nog minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen, alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat: ze sullen Hem gelijck wesen.

En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie weet, hoe dicht? Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt. Ik weet nog, hoe het mij te moede was, toen ik het eerst den Montblanc zou gaan zien.... ik was de wereld te rijk! en ik heb hem gezien en uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had verbeeld! Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar ook te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te bewonen. Gelukkiger dan De Saussure en zijne navolgers, die na een kort verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten in het Dal, in den herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de Chamounix-vallei stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo koel laat? Nu zou ik toch haast weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens een blik op den Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner toekomst:

Ik ken twee schoone dalen, Waarop ik blik met stille vreugd: Het eene vol bloesem en stralen, Is ’t groene veld der jeugd.

Het eene is doorgetogen! En schemert reeds in ’t wijd verleên: Toch wendt er de Grijsaard zijn oogen Met dank’bre blijdschap heen.

Het tweede ligt daarboven! Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee! Maar eeuwige gaarden en hoven, Aan kristallijnen zee.

Wel tintelen en bloeien De bloemen uit mijn jeugd nog schoon. Maar die uit den Hemelhof gloeien Wel driemaal dubbel schoon!

Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar worde:

„Wie zou dat schoone kindje zijn? Gij speelt er altijd mede!”

Ten laatsten maal—

Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms.

Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her- en derwaarts in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom noemde: op mijn erentfesten Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn stamboom; als behelzende op zijn eerste bladzijde de volglijst mijner Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der mijnen, een en andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo menigmaal voorkomt is toegevoegd: „Deze en die werd geboren, gewon kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen van mijne vaderen, van den eersten, dien we kennen, tot mijn eigen lieven vader en moeder toe, en onderaan het open plaatsje voor Jonathan ... dat nog open is. Tot hoe lang? ... neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen. Één ding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt allerminst van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die dagen was zeven, achthonderd jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er reeds een andere rekening op na: Aangaende de dagen onser jaren, daarin zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, tachtentig jaer—Jonathan, hoort gij het?

Laat het zoo wezen. Jonathan worde ouder en ouder, zoodat het witte graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom zijn. En wel beschouwd, wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van den Bijbel een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf, waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong, maar eeuwig jong is en blijft!

En dat blijft hij!

Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr. Hoe zien wij elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd schreef in rimpelen zijn voortgangen op mijn voorhoofd aan; ja ze staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke van mijn lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde. Ook uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den kloeken zwarten letter, en de platen van Luyken, bijna even duurzaam als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!”

Welk een verschil tusschen hem en mij!

Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven van Alexander van Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriend Bonpland in Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom, Saman del Guere—meen ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werd Alexander bedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijl Bonpland lang dood is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die vlucht van jeugdig enthusiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en rondom, opstijgen deed!...” Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. Wat Alexander voelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden boom, gevoelt de verouderde Jonathan, staande tegenover zijnen altijd jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte gewaarwording verschilt. Humboldt werd droevig, ik gevoel mij gelukkig en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen wij: Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft in der eeuwigheid.

Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om het te staven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij machtige saman-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798 tot 1858, over uw kruin zijn heengevaren; ontzettende onweders zullen uw stam hebben bedreigd, en misschien ook wel vreeselijke aardbevingen uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt staande gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar! Welnu, niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm, gelijk wij er een in 1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken ontwortelde en nederwierp, wat zeg ik? onderscheiden zulke Pinksterstormen zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem te knakken of neêr te slaan; maar het is niet gelukt. Hij heeft geen blad verloren, geen bloesem laten vallen, geen vrucht afgeschud.... hij staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij hem nadert, reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te gemoet!...

Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit beste der Boeken verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan? En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, wat hebt gij den menschen gedaan, dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo gaarne zouden verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden gekonnen?

Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook in het jongst-verloopen tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt gij duizenden, en tien- en honderdduizenden onder de menschen geleerd, gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze gesterkt: gij hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche verschijning, als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een broeder of een zuster van het Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en een zacht verband, en een verzachtenden balsem in de vingers, en vooral met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting sprak tot de verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben beproefd, dat hebt gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords! in kracht beoefend en volbracht. Gij hebt in het groote hospitaal des menschelijken levens, waar de zichtbare, maar vooral de onzichtbare wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, en lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien mannen van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods, een engel der vertroosting en des levens geweest: gij hebt u dien Benoni’s een Benjamin, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men er u ooit genoeg voor danken? hoe zal men er u voor begroeten en zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!... Maar neen! neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De geschiedenis van het Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt, dan ziet men dat weinige lijders in deze negentiende eeuw moeielijker dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, dat het ons soms wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, dat aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken worden.

Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote slagveld des geestes gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes fresco’s van Kaulbach in het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende zes hoofdtijdperken uit de Algemeene geschiedenis der menschheid, heeft de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld. Het tafereel geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in de velden van Catalonië tusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is een geniale greep! Beneden ziet men het slagveld zelf met zijne gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven is er strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna krijgsgerucht in de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder daaraan een schoone dichterlijke gedachte. De geesten zetten daarboven in de lucht den strijd voort, dien de lichamen der verslagenen beneden hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft ook in onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak der zwaarden in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand die gelooft. Wij zijn als Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen als hij: Wie met ons is is meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van den slag der victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den een grootspraak, bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een had Parijs wel niet kunnen, de ander heeft Berlijn niet mogen zien. Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen licht en duisternis, tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij voorraad en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan weten wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, de Waarachtige en Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds geschreven: het is in de Apocalyps geboekt.

Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd aanziet, dat aan dezen strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken heeft; daar hij jaren opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat schip door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de handen brak; de groote en edele strijder Guizot heeft er van gezegd: „Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en vrees vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde wereld doorgaat, oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien; sterker dan wij zelven het denken, wij, die er reeds de meest verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden, uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die volkomen valsch en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van vooruitgang en een afschuwelijk werk van verwoesting volgen elkander in de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft de menschheid in zulk een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij is niet bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet, omdat we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden, dat hoe dreigend zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan dat, en dat is: een volkomen rust.... namelijk de rust van het kerkhof, de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze strijd ontbrandde. Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen stillekens werden opgehoopt, die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben, dat nu het bliksemlicht niet van den hemel is. Vraag een wakker kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men, al is het dan dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat tijd, geld, lust, geduld, moed, alles verloren.—En ziet gij, er was vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. Het zeil van het scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op het water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen; men kon niet voort. Later begon de wind op te steken..... het woei.... het woei hard.... het woei harder.... het waait nu erg hard.... het waait soms een stoker... om het even! Beter zoo, dan in ’t geheel niet. We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, we weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons doorslaan, en de haven halen!

Als nu maar alle man zijn plicht doet! Nelson zeide voor den slag van Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen zal. En zij deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van den kolonel der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch blaast. Alle man zijn plicht. En dat is niet: hard geroepen! luid geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! en moet het wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het daaraan zoo dikwijls ontbreekt! Jonathan, gij ziet hier toch niet bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: Zie in u, en spreek uw peccavi!

Och ja, peccavi! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn Bijbel, die mijn stamboom, den stamboom ook mijner vrome vaderen bevat, als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat ik misschien soms wel eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste mijner zonden aanrekenen—maar ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb gewaakt en gewerkt. Dat is toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten en ridders der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt V.D.M.I.A. Verbum divinum manet in aeternum. Dat voorbeeld moeten we volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen op ons kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen geheelen uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden Bijbel hebben, maar ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de Heilige Geest niet met inkt, maar met vuur, zijne geboden schrijft, om tot een brief van introductie en recommandatie voor zijn Evangelie bij anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet van het Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is. Zelfs invaliden moeten in dezen strijd zich nog blijven oefenen, als jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons maar bij het vaandel, op onzen post vindt. Als we maar met Bossuet, in het schoone slot van zijne lijkrede op Condé, ons door onze witte haren indachtig laten maken aan de rekenschap, die wij eerlang hebben af te leggen, en aan de vervulling onzer taak tot den einde toewijden les restes d’une voix qui tombe et d’un ardeur qui s’éteint.

Negen—tien.—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te eindigen. En dat kan ik ook doen: mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als een enveloppe om een brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde van den omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een vriendelijk gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te twijfelen. Ik zeide het reeds vroeger: het groot publiek is van ouds goed, en meer dan goed voor Jonathan geweest. Ik had die goedheid vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar nu zou hebben verbeurd. Ik wil er het beste van hopen.

En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen neder.

Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde uitgave van de eerste scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die mij het eerst door hun goedkeuring en toejuiching verblijdden en bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land van Droomen in het vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar de vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al schrijvende en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd. Daarentegen is een ander geslacht opgestaan, en omringt in zijn jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder wordenden vader van dit papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van de welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders, genoot? Ik mag er althans niet op rekenen.

Andre tijd, andere oogen, een andere kreet, En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet!

Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering wensch ik dankbaar te zijn.

En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne tijdgenooten, die nog in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden, maar het is, Goddank, toch nog niet geheel gebroken: het is nog een kringetje: tres faciunt collegium. Hen moge de oude bekende stem nog eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. Een Requiescat voor de dooden: een hartelijk Salve voor de jeugd; maar dan ook een trouwe handslag met een hartelijk: Semper idem! voor de vrienden! De dichter heeft gevraagd:

Maar de mannen, in wier hairen Wij een grijzen vlok ontwaren, Daar zij zich in ’t hoekjen scharen, Waar zij uit de drukte zijn, Prijzen luide d’Ouden Wijn, Geurig, keurig, uitgelezen.... Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen?

De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles wat in mij is daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo is het! Zoo blijve het! Zoo worde het steeds meer en meer!

En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den geest samen een Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den leunstoel terzijde, ik sluit de boekenkast dicht, ik sla een laatsten blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik wuif een groet toe aan het Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare zegenbede aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de sleutel uit de deur.... heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik hier niet weêr. Andere stemmen roepen elders heen. De weg leidt voorwaarts....

Voerman! rij in Godsnaam voort!

VERSPREIDE STUKKEN VAN JONATHAN.

GEKROONDE VROUWEN.

(26 October 1837.)

Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden en rossen. De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers. De veerschuiten zijn tot zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van voetgangers. Het is of de aarde op ééns in een hellende richting geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar éénen kant gedreven wordt. De stad is half verlaten.

’t Kinderschool is leêg geloopen; De Invalied komt aangekropen; ’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel.

Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit vergeven, dat ik heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders gebruikte, dan om den grooten stroom te volgen. Ik ben toch reeds meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men met open mond en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag te wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!”

Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk daarom mijn Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij mij op den morgen van heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne weigering hebben verzoend. Ik had mij voor dezen dag van alle dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag van Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende mij tot huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de afgestorvene vierde. De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde mijne illusie:

Von dem Dome Schwer und bang Tönt die Glocke Grabgesang.