Part 20
Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig jaar wijzer—Dertig jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig jaar dichter bij het doel. Maar, ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel hoorder, een traag discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht: Una ex his. De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde gedaan, maar de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens vergeten: hij stond wel eens stil, en haperde, terwijl zijn kleiner broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk een hapering kan men niet zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust van het menschengeslacht, als wijlen Titus, maar dit toch heb ik met hem gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een dag heb uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als ik van u een kerfstok wilde maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange kast veel te kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den kostelijken tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde rivier, den rijken Pactolus, langs ons heenvloeien, en bukken ons menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, die de stroom met zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen maakt. Uit hun lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt zonder ooit stil te staan, en het marmer is daar, lijdelijk, koud en geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden stroomval tegen te houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die zonder vrucht voor mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom samen vergaderd werden, welk een bassin zou daarmede worden gevuld! En zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, een kenbare stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en niet gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein de Lethe ware, en dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken kon. Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar beneden, die niet weêr zal opkomen, als een water-ader, die hier van de bergen stroomt, om ginds in het dal uit den grond weer op te komen en op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als ik u aanzag en, rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen gedurende mijn afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag geslagen, die herinnerden aan het groote Consummatum est, dat der wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den dood verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij gaan den eenigen, eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al wat te kort is zal worden aangevuld, maar ook al wat ten deele is zal worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes op uw wijzerplaat, niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de Schoone haven van het eeuwig T’huis!
En andermaal—
Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als vroeger, de ettelijke planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn eenvoudig kamertje wel wat pompeus met den naam van Bibliotheek versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, die ze als een sanctum van den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie, het is niet zonder een onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een schilderijen-tentoonstelling hangt men boven het werk van een in den jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar inderdaad, indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in het laatste Derdendeel der eeuw gestorven zijn, inmortellen kransen wilde ophangen, mijn boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling krijgen.
—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de plaats. Om uw eigen beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1 ontbreekt!”....
—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een jongen was, die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf” kreeg, moest ik leeren: Consules fiunt quotanis—
Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij; Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij.
De dichters groeien niet als de spinazie in de lente of de bloemkool in den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk wel te gelukken pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van misgewas. Welke vruchtbare tijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) drie dichters als Göthe, Walter Scott en Bilderdijk verliezen kon! Toen had men er nog eentje voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote Maaier nu met den besten wil niet kunnen slaan. Les rois s’en vont: dat geldt ook van de koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen en nu—exceptis excipiendis,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu en dan een kleinvorstje, of, dat op hetzelfde neêrkomt, een grootvorst van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. Toen de koning van Frankrijk na den dood van Turenne acht maarschalken in diens plaats benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk tegen zilvergeld verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, die op de poëtische pers geslagen wordt.... In vredes naam, als het niet anders kan! als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen Russisch zilver wordt!
Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker moeielijker te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het is smartelijk, als men de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw jaar een nieuw groot dichter bij de overigen kwam, dat men nu den eenen dichttroon na de anderen ziet ledig worden, zonder dat er legitieme opvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel: Le roi est mort! Vive le roi!—Jean Paul verhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De Prins Van Esterhazy had zijn geheele muziekkapel, en Haydn als kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een muziekstuk, waarin elk muzikant, de een na den ander, een solo speelde en aan het einde er van den blaker op zijn muziek-lessenaar uitdoofde en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument na het andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat verhaal wel eens gedacht, toen ik Bilderdijk, en na Bilderdijk Loots, en na Loots Staring, en na Staring Tollens, en na Tollens Da Costa, en na Da Costa Van Lennep zag aftreden, en voor de meesten te vergeefs naar een plaatsbekleeder, en dat vooral onder de jongeren, zocht. Toch willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest gelukkig nog niet; er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu gaan als bij Haydn te Weenen, waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en de afgedankte kapel weêr aanstelde. Toen kwamen, in de omgekeerde orde, al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één voor één weer terug....
Va-t-en voir s’ils viennent, Jean, Va-t-en voir s’ils viennent!
Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook op het punt der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost der armen” (de bekende balsem) te zijn. Groote dichters heeft men nu minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel tegenover. De poezij is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl der goede Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is dichterlijker geworden, Humboldts Kosmos is, ook literarisch, een meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden conversatie-toon ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het niet geheel ontkennen. Maar de troost is schraal. De honderdduizend boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, wanneer ik, als bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike stamroos zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor een enkelen nachtegaal.
Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode geworden is, kan mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw, ik weet het, zijn in onze dagen voor een modieuse Dame onmisbaar: een Album met visite-portretten en een Poezijboek, vooral een Poezijboek, roodfluweel, met verguld slot en verguld op sneê! En dan van binnen tal van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model met bleeke inkt half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de inhoud: luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch, vooral Engelsch, dat lieve Engelsch! En als men er dan een handschrift van een heuschen dichter, van „mijn dichter” bij krijgen kan, dat verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat is of men zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg.
Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er nu de poezij zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem des volks bij die Album-manie veel wint,—ik zou het niet durven verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het reeds vroeger te kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in de natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het zien opvoeren der Fedra van Racine vragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, waarbij het stuk krijt in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. Het meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen van brood; zoo kan ook een ziel niet alleen van proza leven. Ik heb een harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een geluid, dat men in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem; als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men Poezij. Nu kan ik de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.... o ja! evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster een menigte monnikken zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook de vox humana op de lijst der objets de luxe hadden gebracht, waarvan ze zich, ten genoegen van de engelen en den hemel, liever passeerden. Maar, ziet gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, en zulk een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij als een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt. Och ja, uw uitvlieg-duif blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve kleine vriend! en hij leeft alleen van de duivenboonen die gij hem geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar in zijn kooi opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair, en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht te doorstreven en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een arme invalide op zwart zaad geworden, waarop de dikgepropte doffer van uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, met deernis of verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren, beteren, etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op pensioen zetten; dat kunstje wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd en geoefend; maar men noeme zich dan ook geen kompleet mensch meer. Die halben und die ganzen, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder „halve” menschen waren! Dan....
Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds ingebracht.—De tijd deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk, te woelig, te volhandig! Er wordt te veel in het bosch geschoten: daarom kunnen de nachtegalen niet zingen.
—Ei zoo? Dus; de meest poëtische tijden zijn die, waarin de tempel van Janus gesloten is? de tijden, waarin de menschheid, als de wijn, die belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, waarin de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn? Dit had ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De historie althans schijnt er anders over te denken. Er is een eeuw geweest, die men, evenals men de eeuw van Saturnus de gouden, zoo deze „de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was de eeuw in Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarin Turenne, en Condé, en andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, en Colbert den handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende zeilen der schepen, steeds nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarin Corneille en Racine zongen, Boileau de wetten op den zangberg gaf, Pascal zijn gulden wijsheid tot goudstukken vermuntte, en Bossuet en Bourdaloue stemmen uit de hoogte deden hooren, die het kolossale paleis van Versailles op zijn grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnen Körner niet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den Tyrteus uitzag, die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te mogen ontbreken? De driehonderd Lieder der Schutz und der Trutz toch, waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden, kunnen even weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten theater-ballen, waarmeê Victor Hugo voor zijne Franschen den oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig voor de Duitschers, dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan en Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn!
Men vergunne mij dit elegietje op den Chute des feuilles van den laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig een oratio pro domo; misschien pleit ik min of meer voor een familiebelang; ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar ik geloof toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij komt. Ik geloof waarlijk, dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel aan waarachtige, verhevene, groote poëzij heeft. Thorwaldsen heeft eens een basrelief gemaakt met het opschrift A genio lumen. Het vertoont een vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de voeten heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil, die als de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet, dat we zonder uilen niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u zoo bukt om den uil te streelen, trap dan bij vergissing de lier niet stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, gij harp en luit! Victor Hugo! eens te recht Victor, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u, laat nu de Travailleurs de la mer eens een weinig op hun eigen hand travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij zit toch nu niet meer aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw gulden tijd. Laat ons nog eens hooren: Ce qu’on entend sur la montagne. Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige Klok
Chante l’amour au coeur et le blasphême au front!
En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten vaas, die de Muze u voorhoudt... A genio lumen.
Nogmaals—
Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
Ei zoo.... Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid, miniatuur-exemplaar van den tegenwoordigen Jonathan! O zeker, u ziende, gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo voor u stond, en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligen Jonathan reeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter geworden. Een leeuwerik onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, die niet voor niet Rosalie Loveling heet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een gedaante-verandering geboren, aardig uitgedrukt:
In grootmoeders kamer, daar hangt het beeld Uit hare kinderjaren: Een lachend mondje, peerlenoog, En bruine kroezelharen.
De kinderen stonden en staarden ’t aan, En ’t een zeî aan het ander: „Och, waar’ dat schoone kindje hier, Wij speelden met malkander.”
En de oude in haar leunstoel met bril en toer, Keek op bij deze rede: „Wie zou dat schoone kindje zijn?.... Gij speelt er altijd mede.”
Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid is ook zoo erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen kwaad, als maar niet alles aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt. En dat is niet noodig. De dichter Tegner heeft ergens gezegd, dat de ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar ook in het hart. Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, smelt ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm van temperatuur is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste nog niet veel merk. Schleiermacher is de eenige niet, die zich zelven beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en woord hield. Er zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans zevenmijlslaarzen aan hun kleine voeten te doen.
Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd in één zelfden mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam het groene blad, den zilveren bloesem en de gouden vrucht draagt. Een dichter zong er van:
Eenmaal wordt het kind een man, Die veel trefflijks wil en kan; Eenmaal wordt de man een kind, Zwak zooals men kindren vindt! Waart gij lang een kind van God, Grijsaard-Kind! dan heil uw lot!
Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de bekende Kind-Vrouw uit den David Copperfield van Dickens. Nu, wat het grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. Een groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat er sneeuw op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den Grijsaard, Jonathan, hoe staat het daarmeê?
Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar zijn dingen, die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen afdoet. Maar die andere twee oogen, die ik daarbij tegenover mij wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan en mag en wil ik u wel zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, dan het Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg. Het afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het opstijgen! En Kind, in den besten en hoogsten zin Kind te worden, is eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. En geen wonder! Het gaat ook naar een Montblanc, den Witten berg der volmaakte en vlekkelooze heiligheid, op welks top, even als het licht van den zon in den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote eeuwige Licht, waarin gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis gaat met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den gang van sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze van vrijwillige zelfmarteling, telkens na twee stappen voorwaarts weer éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een nationaal beeld? Denkt aan den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere duin op zoudt klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap voorwaarts hebt gedaan, komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s woensdags daarop is het, of het weer de vorige zaterdag ware. Waarlijk, er is volharding en moed toe noodig om den strijd niet op te geven.
Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te sterk in de belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te worden.—Kinderrang bij kinderzin. Het is beloofd. Het zal geschieden. Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het ook moeielijk, al is het ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichter Ovidius heeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van metamorfosen verhaalt. Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al meer. Maar als ik van die mirakelen lees, blijf ik er koud bij: het zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. Maar als de Heilige schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt, die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen mythe, dat is een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is; ik heb het gezien.
Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den hemel verlaten—die gedaante-verandering van den volwassen mensch, die een kind wordt! En zooveel te schooner, naarmate het zielsgelaaat van dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd en leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige Kains-tronie nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals deze er uitzag, toen hij nog levend en blozend als een kind op zijn moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn tweeden en laatsten slaap, met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen genomen werd om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn geweest uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken: dat is ook onmogelijk—althans bij de menschen is het onmogelijk. Adam kan het niet, en Eva kan het niet, en Abel zelf uit zich zelven kan het ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt wil God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert geene andere weg, dan door de tweede kindsheid heen, die wij het kindschap Gods noemen. Om het wonder dier herschepping te bewerkstelligen, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het vreemd? Men verhaalt van Rubbens, dat hij, met een penseelstreek of wat, een schreiende in een lachende tronie op zijn paneel veranderen kon; zou de hand, die Rubbens dit schildergenie in den boezem gaf, niet iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? God heeft uit een handvol klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden en ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen hervormen? Het is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei was lijdelijk in de hand des Pottebakkers; maar de levende aardmensch, in wien de klei van beneden vaak over den geest van boven heerscht, is weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten kunstenaar soms moeite genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk is gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat moeielijk, maar het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel weggestreken, elders een lach of een blosje aangebracht—het gaat. Zie, het wordt reeds een geheel ander voorkomen. Het hangend hoofd heft zich op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe vel wordt glad, en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als een kind bij zijn moeder.... en dat is niet de eenige kindertrek! Het kinderlijke komt gedurig meer boven, en uit, en door.... Ik las ergens van een volksgeloof, volgens ’t welke een mensch, als hij gestorven is, het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr aanneemt... dat is een legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.... dat is geen legende. Dat is een feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij zelven, helpe God! Met zijne hulp zie ik het eens in zijn gansche volheid en volkomenheid.
Wanneer?