Part 2
Heden overleed de Heer Jonathan *** in den ouderdom van *** jaren moet bericht worden, met een volstrekt verbod er bij, om te bepalen, dat door de nabestaanden geen rouw zal gedragen worden. Foei! ik word altijd boos, als ik die hatelijke woorden lees. Noem het vrij bijgeloof, ik heb dien krippen weduwsluier, ik heb die donkere kleederen lief. Het is zoo natuurlijk, als de vader zijn doodskleed aantrekt, dat ook de kinderen het gewaad van den vorigen dag ter zijde leggen. Wij zijn van den zak en de assche der Israëlieten toch reeds ver genoeg afgeweken. De mode had immers overvloedig uitzonderingen gemaakt, om het eentonige zwart behagelijk af te wisselen! Maar nu begint zelfs het laatste uiterlijk teeken van rouw te verdwijnen. Ik zou ongelijk hebben daarover te klagen, indien in onze dagen de inwendige droefheid geene uiterlijke symbolen meer behoefde, om te worden levendig gehouden. Maar hoe weinigen zijn er, die met den Oosterschen dichter van een geliefden doode vragen mogen: „Zou hij een ander graf hebben dan dit hart?” Voor de overigen dan veroordeel ik het, dat men reeds in het gezicht van het lijk zich het vergeten gemakkelijk begint te maken. „Ga vrij naar het bal, Mejufvrouw! Gij draagt immers geene rouwkleeding. En wie weet zoo juist, of de tijd, voor de rouwdracht over eenen vader bestemd, nog niet voorbij is?” Neen, die mijne kleine bezitting verdeelen, zullen ook zwart moeten dragen, of, ik waarschuw hen, mijne schim zal hen alle nachten in een donker lijkkleed komen ontrusten, totdat ze een gewaad aantrekken, waarvoor ze nog erger terugbeven.
By het doorloopen der doodsadvertentiën schiet mij somtijds nog eene andere gedachte te binnen—eene gedachte, niet aan de dooden, die hier vermeld staan, maar aan degenen, wier naam ik hier niet vinde—aan de arme dooden—of liever, aan de doode armen. Hun overlijden gaat, even als hun geboren worden en sterven, onopgemerkt voorbij. Men stopt ze in eene greenenhouten kist, draagt ze, alsof—de Hemel vergeve het mij!—alsof hun overschot een kreng ware, waarvan men het gezicht aan anderen behoort te sparen, langs achterstraten naar een afgelegen bolwerk, en ontzegt hun ten slotte een plaatsje in de Haarlemsche Courant. En natuurlijk! er is immers toch niemand, die in hun leven of sterven belang stelt. O armoede! armoede! ik heb een open hart voor uw lijden; alles, wat mij u herinnert, wekt een pijnlijk gevoel in mij op. Als ik u ergens aantref, bloos ik over u, en waar ik u niet zie, vraag ik: „Waarom niet hier?” Voorwaar, de dichters zijn ellendige leugenaars, die iedere menschelijke smart, en dus ook de jammeren der armoede, bij hun idealisch lijden dragelijk noemen. Zij beschilderen zich met de wonden en litteekens, die de arme onder zijne lompen verbergt. Want zie! aan de ellende der behoefte is alle poëzie vreemd. De armoede bedroeft niet alleen, maar verlaagt; zij schokt niet, maar knaagt; zij wekt geen beklag, maar verachting; zij is geene wonde, maar een kanker; zij sloopt niet, maar vermagert; zij laat het niet, even als iedere smart, bij enkele alsemteugen, maar verbittert voor altijd den smaak; zij is te ondragelijker, naar mate zij zorgvuldiger moet ontveinsd worden; zij maakt den vader- en moederzegen tot vader- en moedersmart; zij rust als een vloek op de woning, waarin gastvrijheid en mededeelzaamheid balling zijn; zij verkort de genoegens der vriendschap, en vergalt het genot der liefde; zij onttooit voor haar slachtoffer de schoone aarde, waarop voor hem geen lente of zomer aanbreekt, als die voor hem geen bloemen of vruchten voortbrengt, maar waarop in zijn oog altijd winter, dorheid en onvruchtbaarheid heerschen; ja, zij verengt voor hem het aardrijk, en doet het inkrimpen tot het plekje, waar binnen hem de behoefte bant; zij boeit hem aan zijne woning, zonder hem er het verblijf te veraangenamen; zij brandt in de hitte des zomers, huilt in het loeien van den storm, en snerpt in de koude des winters; zij doorweekt zijn brood met tranen, en schudt zijn leger hard; zij leert hem iedere bede veronachtzamen, om die ééne: „Geef ons heden ons dagelijksch brood!” Zij maakt hem wars van de aarde, zonder hem van het aardsche af te trekken; zij maakt iederen dag den anderen gelijk, en lost alle wenschen en hartstochten in den enkelen zucht der begeerlijkheid op; zij is de algeheele vervulling van den vloek des Heeren: „In het sweet uwes aenschijns sult ghy uw brood eten.”
Rust zacht, arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje op het doodenregister te erlangen! Ziet, dit is de laatste vernedering, u aangedaan. Drie voeten onder de aarde bestaat er geen verschil tusschen fatsoenlijk en onfatsoenlijk meer, en al ligt uwe kist ongedrukt door een steen, zoo als die, welke ginds, op den lijkheuvel van den hooggeborene, naam en blazoen ten toon draagt, de Engel der opstanding is geen heraldicus. In zeker opzicht wordt ieder adelijke met zijne wapenen begraven; onder de doodsadvertentie van elk edelman zou men, even als in de stamboeken bij het uitsterven des geslachts, een uurglas en zeisen kunnen teekenen. De dood casseert allen; hij verbreekt den degen boven het graf des krijgsmans, den schepter boven het mausoleum des vorsten, het wapenbord boven het cenotaphe van den baron, en boven uw zandhoop den bedelstaf. Rust dan zacht, arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje in de Haarlemsche Courant te erlangen!
Ik ben ondanks mijzelven te ernstig geworden voor de mededeeling mijner gewaarwordingen, onder het lezen der verschillende aankondigingen; misschien vertel ik u daarvan een en ander bij eene volgende gelegenheid. Voor ’s hands is het mij genoeg, als ik u slechts heb overtuigd, dat ik voor mij voldoende reden heb, om iederen dinsdag, donderdag en zaterdag morgen, terstond na mijn ochtendgroet, mijne dienstmaagd te vragen: „Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?”
DE HAARLEMSCHE COURANT.
Vervolg.
Willen wij de Haarlemsche Courant nog eens opnemen en haar met elkander ten einde lezen?
Wij zijn gekomen tot de gemengde berichten.
Welk een gewoel is hier! het is of wij in het drukste van de markt komen. Hollanders, Franschen, Duitschers, Zwitsers loopen er dooreen. De een komt er om te koopen, de ander om te verkoopen; de een om te huren, de ander om te verhuren. Het is een geraas, dat men nauwelijks hooren kan. Hier is iemand, die u zijn waar zoekt op te dringen; maar dadelijk is er een ander naast hem, die hem op zij duwt en u nog goedkooper bedienen wil; inmiddels steekt een derde zijn hoofd tusschen beide door en belooft u nog beter te helpen. Ik denk er wel eens bij aan het versje van Huygens:
Ick handelde met Klaes op twee, dry koppel honden; Hy sei, daer wasser nooit geen betere gevonden Dan ’t eerste en tweede paer, en zwoer my by gans bloed, Het derde was op ’t minst wel sevenmaal zoo goed.
Gij kunt geen voet verzetten, of men roept u aan. Sommigen houden u zelfs bij uw kleed met hun: „Lees hier!” loterij-Joden loopen u met hun briefjes achterna; kwakzalvers maken u doof met hun geschreeuw; als gij hun gelooft is iedere zieke een gek, die zijn kwaal niet langer behoeft te houden, dan hij zelf wil; in hun hand hebben zij eindelijk de panacé, waarnaar men sedert zoo vele eeuwen gezocht heeft. Nauwelijks zijt gij hun ontkomen, of daar valt u een kiezen-trekker op het lijf, die van zijn breekijzer spreekt als of het een kolombijntje is, zoo zacht zal het u in den mond zijn! Intusschen trekt ginds een troep paardrijders of koordedansers rond, en werpt u zoo veel mooie Grieksche en Latijnsche namen naar ’t hoofd, dat het u geel en groen voor de oogen wordt. Ge kunt nauwelijks hooren wat die omroeper daar te zeggen heeft, die na een poos op zijn bekken geraasd te hebben, als of het het aes Dodonaeum ware, de eerlijke vinders oproept om hun eerlijkheid met een „genereuse belooning” te laten betalen. Ge zijt blijde als ge u uit het gedrang gered hebt en eindelijk op de stoep van een boekwinkel kunt uitblazen, waar ge de nieuwste boeken en platen voor de glazen uitgestald ziet.
Wonderlijke wereld! denk ik wel eens. Welk een zee van behoeften! Welk een stroom van genietingen! En daar plaats ik dan in mijn verbeelding de huishouding van den eersten mensch naast; een loofhut voor woning, de boom die er zich over welfde voor voorraadschuur, de rivier die er langs vloeide voor laafbron—ziedaar alles! Vader Adam! hoe zijn uwe kinderen veranderd! Ge zoudt ze nauwelijks als uw geslacht herkennen in hun weelderige woningen, in hun prachtige gewaden, in hun verfijnde manieren. Als ze naast den Mensch-aap voor u stonden, zoudt ge waarlijk twijfelen, wie van beide uw nakomeling was. Als men voor u de Haarlemsche Courant in uw eerste-menschen-taal (de lezer ziet dat ik mij zediglijk van alle linguïstische gissingen onthoud) kon vertolken, hoe weinig zoudt gij er van begrijpen! Misschien zoudt gij er u over bedroeven.
Ook ik dacht wel eens, dat het leven te ernstig was voor al het spel dat men er van maakt; altijd troffen mij die doodberichten tusschen dat gewoel der volken aan den aanvang, en dat gewoel der menschen aan het einde van mijn Haarlemmer. Ik heb het wel eens vergeleken bij een begrafenis, die over de markt trekt. Wonderlijk is het, hoe weinig de omstanders zich daarvan aantrekken. Men gaat op zij om de kist niet voor zijn hoofd te krijgen, maar dadelijk sluit zich de hoop weêr, even snel en ongevoelig als de lucht waardoor een pijl vliegt. Even zoo is er iets treffends in het gezicht van al die aanplakbiljetten, loopende over koopen en verkoopen, tijdkortingen en ontspanningen, gemakken en genoegens, aan de zwarte poort van het algemeene kerkhof. Vinniger satire heeft nooit de hand van een hekeldichter geschreven. Ja, de Dood is de grootste satiricus; men kan geen genot smaken; of hij heeft er zijn schimpscheut op. Misschien is hij daarom zoo algemeen gehaat. En toch de hand op het hart! Zeg mij, als gij die lijst achter de Haarlemsche Courant overziet, met al die eeuwig terugkeerende advertentiën, en die eentonige afwisseling van andere schouwspelers op hetzelfde tooneel, valt het u dan nooit in, dat de wereld toch al te ijdel en het leven al te nietig is, om het er op den duur in te kunnen uithouden? Ik voor mij denk daarbij met Young: Hier altoos te leven? wat hatelijk denkbeeld! En waarom zouden wij hier altoos leven? om met moeielijke schreden in onze vorige voetstappen te treden? om het scheprad des levens gedurig te doen omgaan en niets nieuws meer op te halen? om iederen ellendigen dag den vorigen te doen bespotten? om te zien hetgeen wij gezien hebben? om dezelfde oude bekwijlde vertelling te hooren, tot dat wij die in ’t geheel niet meer hooren? om het gesmaakte weder te smaken, en wel hetgeen bij ieder wederkeer minder smaak heeft? om telkens onder ons verhemelte een ander wijngewas door te gieten? om—ohe! jam satis est! Lieve Hemel! als dat altijd zoo blijven moest, als ik altijd de Haarlemsche Courant moest blijven doorlezen, en nooit iets anders zien of hooren dan hetgeen ik reeds gezien of gehoord heb, dan zou ik kunnen wenschen, dat men mijn naam nooit onder de geboorteberichten gelezen had; en het is genoeg mij dit schrikbeeld voor te stellen, om mij met liefde naar het plekje te doen zien, dat mijn dood vermelden zal, en daarin mijn vrienden te kennen geven, dat ik nu al de ijdelheden, die mij zoo verveeld en vermoeid hebben, te boven ben en mij reeds op een plaats bevind, waar het leven zijn harlekijnspak heeft afgelegd.
En evenwel—maak uit het gezegde niet op, dat ik daarom als een dolende Ridder tegen de wezenlijke wereld te veld trek, en begeeren zou dat ieder mensch zich in zijn eigen kluis opsloot, om daar boven zijn geopend graf bittere wortels te kauwen. Het tegendeel is waar. De Fransche revolutie heeft geen vuriger kloosterbestormers opgeleverd, dan ik ben. Daarom alleen zou ik een Christino zijn, ofschoon anders mijn natuurlijke voorliefde voor Pretendenten mij tot een Carlist zou kunnen maken. Eere dus aan die raderen van handel en nijverheid, die het werktuig der menschelijke maatschappij in beweging brengen, waarin de zee, bestemd om een middel van scheiding te zijn, als een drijvend molenwater bruist! eere aan die broederschap der gezellige samenleving, die bruggen over stroomen en sporen over bergen slaat en de moeder is
Van sooveel kostelycks soo konstelyck verwrocht, Van sooveel heerlyckheyts tot sooveel nuts gebrocht.
Indedaad zou het er bij de tegenwoordige overbevolking treurig uitzien, indien men zich wederzijds tot het volstrekt noodige wilde bepalen. Waar zouden duizende monden brood vinden? Maar toch zou ik aan den anderen kant wel eens willen weten, waar het op deze wijze voortgaande heen moet? Zullen de kunstbehoeften nog gestadig vermeerderd worden? Zal de weelde nog altijd blijven toenemen? Zullen er altijd weêr nieuwe takken van handel en nijverheid worden uitgevonden? Ik ben geen voorstander der zielsverhuizing, en hoop, als ik eens de aarde wel en goed zal verlaten hebben, er niet weêr te komen, maar erkennen moet ik het toch, dat ik wel eens de Haarlemmer Courant van 1939 zou willen zien: niet om de politieke berichten, want die kan ik mij verbeelden: „het is zoo even vrede geworden en het zal zoo straks weêr oorlog zijn”; nog minder om de geboorte-, huwelijks- en doods-advertentiën, want daarin zal nog minder verandering komen; maar om de aankondigingen, waarmeê het blad eindigt. Dat zal een rommel wezen! Mij dunkt, ik zie daar de aankondiging reeds, om de menschen even als een ledeman gansch en al uit elkander te nemen en weêr in elkaâr te zetten; dan zal men, vermoed ik, ook de kruiden wel weêr ontdekt hebben, waarmeê Medea haar vader verjongde; dan zullen de Dames wel zoo bont als wapenschilden en de Heeren zoo fantastisch gekleed gaan als de Wildemannen, die ze vasthouden; dan zal de vogel struis wel op de kruk en de olifant op de koord geleerd zijn; dan zijn er zeker theaters waar de apen voor menschen en de menschen voor apen spelen; dan ... de rest vindt gij in de Opregte Dingsdagsche Haarlemsche Courant van 1 April Ao 1939.
Ik wenschte wel, dat er geen bankroeten meer waren; want dat is voor een zwaarmoedig Courantlezer, zooals ik ben, een leelijk artikel. Het zet mij altijd tusschen twee schroeven, die mijn menschlievend hart even veel pijn doen: de smart namelijk dat de menschen zoo slecht of zoo ongelukkig zijn. En zoudt gij het gelooven? Over het eerste punt stap ik nog het gemakkelijkst heen. Ik kan mij tegen slechte menschen nooit zoo boos maken, als ik, volgens sommigen, wel moest; misschien omdat ik zelf weinig slechte menschen ontmoet heb. Onder mijn bekenden zijn er, die mij dit zeer kwalijk nemen, en meenen dat ik daardoor de deugd te kort doe. Het kan zijn, maar ik kan er nog maar niet toe komen, om van het beetje deugd, dat ik het mijne mag noemen, een steen te maken om daarmeê mijn naasten te gooien. Ik denk altijd, zoo iemand zal toch wel gehekeld en geroskamd worden, al hou ik mijn rust. Dan kan ik op een anderen tijd weêr wat vooruitkomen, als een ander achterblijft, b. v. bij gelegenheid van rampen en tegenspoeden. Zoo moet ik bekennen dat ik veel meer medelijden gevoel met een ongelukkigen bankroetier, dan gramschap tegen een moedwilligen schelm. Bij dat enkele woord „Faillissement” staat er somtijds eene geheele aandoenlijke geschiedenis voor mijn geest. Ik zie den vervolgden huisvader die te midden van zijn verarmd gezin het voorkomen heeft van een gebroken zuil, die er over schijnt te treuren, dat zij de lijst, die verminkt aan haar voeten ligt, niet langer heeft kunnen ondersteunen; ik zie hem nog meer ter neêrgebogen onder den last der schande, die op zijn onschuldig hoofd drukt, dan onder den toch reeds zwaren slag van het verlies zijns vermogens, even als de vader van Effie Deans, niet anders uitroepende dan: Ikabod! Ikabod! weg is de eere! Ik zie hem door zijne getrouwe gade, door zijne teedere kinderen omringd, die hem in zijn ongeluk dubbel hebben lief gekregen en hem omklemmen als het klimop een omgestorten stam. En als den donkeren achtergrond van dit aandoenlijk tooneel zie ik vervolging op rechterlijk gezag, vervolging op eigen gelegenheid, onbarmhartige bejegening, nijpende armoede en een gebedeld graf, waarop weezen in het bonte kleed der liefdadigheid treuren. En ik wenschte dat de verbeelding van menig crediteur hetzelfde zag, eer hij dat harde woord „Faillissement” laat drukken.
Naar een geheel ander tooneel roept mij het artikel Erfhuizen. Dit verplaatst mij op eens te midden van die chaos van verwarring, die een geveilde boedel oplevert. Gelukkig die zich uit zulk een huis weet te redden, zonder een blauwen scheen te hebben opgedaan. Want als of een aardbeving de moeite genomen had van de goederen te schikken, zoo ligt daar alles op en onder elkander. Niets is op zijn plaats gebleven. Meubelen, die bij het leven der eigenaars even als boomen op hun eigen plekje stonden vastgegroeid, zijn nu meêdoogenloos mobiel verklaard en gedwongen den grooten stroom te volgen. Een menigte van voorwerpen zweeft even als verstrooide vogels buiten hun natuurlijk verblijf om. Het witte linnen heeft de zware eiken planken verlaten, waar het zoo vreedzaam lag te sluimeren, en is verwonderd gedurende zoo veel dagen achtereen de zon te zien, die het anders bijna nooit aanschouwde. De vernederde ledikanten-hemel, die eerst uit de hoogte op alles neêrzag, sleept nu met zijn staart in het stof, als een nieuw bewijs dat hoogmoed voor den val komt. Schilderijen, die nooit geleerd hebben op haar rug te liggen, worden nu gedwongen die houding aan te nemen. De verschrikte kanarievogel schreeuwt van angst in den hoek op den grond, waarheen men hem verbannen heeft; en de schichtige poes vliegt, als een levend symbolum van de verwarring die hier heerscht, van den eenen kant van het huis naar den anderen. Het is een treurig gezicht! De lares en penates omgeworpen! de huiselijke haard verstoord! het vreedzaam stof der ruste opgejaagd; de stilte van het penetrale verbroken! de gordijn van het binnenste heiligdom verscheurd! de Heidenen in den tempel binnengelaten! het is een treurig gezicht, vooral voor den vriend des overledenen; hem overvalt een huivering, indien hij moed heeft het huis binnen te treden. Is dit de woning zijns vriends? hij herkent haar niet meer: maar ja, die meubelen zijn wel dezelfde van vroeger. Dat is wel de haard, waaraan hij zoo menigen vriendschappelijken avond gesleten heeft. Ginds staat de zetel, die in zijn oogen meer is dan een troon, want hij was de zetel van een braaf man. Hier staat de feestelijke bokaal, dien hij zoo menigmaal op de huwelijks- en vadervreugde van den verscheidene geledigd heeft. In het verschiet hangen de familieportretten, waaraan zich zoo menige lieve herinnering verbindt. O, er is iets aandoenlijks en hards beide in zulk een schouwspel! Het doet pijn, als men een vreemde zoo ziet roeren in de reliquiën, door de liefde geheiligd. Het is of men doodgravers met de beenderen van zijn voorouders zag gooien. Mij dunkt, indien ik het voorkomen kon, zou ik trachten mijn testament zoo in te richten, dat mijn verlaten nest beter geëerbiedigd werd. Mij althans zou de gedachte onverdragelijk zijn, van mijn kleine bezitting aldus aan de ergerlijke nieuwsgierigheid der menigte prijs te geven. „Ei, ei, en zat Jonathan nu op zoo’n stoel? wel, wel, is dat nu ’s mans boekenkast? ei, zie daar hebt gij de huisklok ook, waar hij in zijn boekje—hoe heet het ook?—van spreekt! en ginds hangt zeker het portretje, waarover hij dat malle stukje geschreven heeft! ei zie, dat zal de piano van Editha zijn!” Ik kan koud worden als ik er aan denk. Bij de gedachte alleen gaat mij een gril over ’t lijf, als of er iemand over mijn graf liep. Neen, mijn armoedje, gij zult voor uwe trouwe diensten beter beloond worden, dan met de beschimping van den grooten hoop, dien gij even als uw bezitter altijd gehaat en gevloden hebt. Ik zal u in mijn testament bij mijn neef en vermoedelijken erfgenaam als op een hofje bestellen, waar gij, hoop ik, in stilte aan den houtwurm en de mot uw eerlijken dood sterven zult. Want reeds dit vooruitzicht is mij maar half aangenaam. Ik heb sommige mijner meubelen zelfs te lief om ze aan mijn neef te gunnen. Als het niet te Indiaansch klonk voor een Hollander, zou ik wel wenschen met hen verbrand te worden, en stervende mijn asch met de hunne te vermengen. Over het algemeen heb ik een groot zwak voor alle oude voorwerpen, waaraan zich oude herinneringen hechten. Ik ben het daaromtrent eens met mijn vriend Jean Paul, als hij zegt: Eer het heden nacht wierd, heb ik alle papiersnippers, die van dit boek vielen, bijeenverzameld;—ik heb te gelijk alle brieven dier vrienden, die mij geen nieuwe meer kunnen schrijven, even als stukken van een bij deze wereldinstantie gesloten proces, weggelegd. Zoo iets moest de mensch zorgvuldig doen, en alle bloemen der vreugde, niettegenstaande hare verdorring, in een herbarium vastplakken. Hij moest niet eens zijne oude rokken, jassen en mantels weggeven of verkoopen, maar weghangen moest hij ze, als hauwen zijner uitgepelde uren, als poppenbekleedsels van daaruit gevlogene vreugde, als erfenis ab intestato van gestorvene jaren, die aan de herinnering opkomt.—Het is maar jammer, dat men niet altijd meester is zijn plan geheel uit te voeren. Althans mij is het wel eens gebeurd, dat juist als ik een ouden jas had afgelegd en in mijn reliquiën-kast weggehangen, een arme duivel kwam en mij om bedekking zijner naaktheid bad. En ik moet bekennen, dat ik in zulke gevallen geen humorist genoeg was om het er voor te houden, dat de herinnering mijner vreugde beter was dan de verwarming van een ongelukkige, die in ’t geheel geen vreugde had, noch te herdenken, noch te wachten. Maar de Joden hebben nooit met mijne uitgevallen veêren gepronkt.
Uit dat zelfde beginsel zal ik doen wat ik kan, om mijn dierbaarste overblijfsels uit de handen van de nablijvenden te houden. Ik ben het, even weinig als mijn vriend Hildebrand, met den Engelschman eens, die wilde „dat er ten algemeenen nutte knoopen van zijn gebeente en snaren van zijn ingewanden zouden gedraaid worden.”
Ik weet wel dat dit alles kinderachtig, kleingeestig, kleinhartig, en wat ge meer wilt, is. Maar ik geef mij ook voor geen sterken geest uit. Er is in mijn huis maar één wijsgeer, en dat is mijn hond Dolly, die „par droit de naissance” een weinig Cynicus is. Ik voor mij slacht den ouden Chremes;
Homo sum, humani nihil alienum a me puto.
Uit dien hoofde is dan ook mijn testament recht Malabaarsch in twee deelen verdeeld. Het eerste deel loopt over hetgeen verbrand moet worden; het tweede over hetgeen in stand moet blijven—en de Hemel make er mijn erfgenaam gelukkig meê!
Tot het eerste behoort... maar het zou wezen of ik aan de goede trouw van mijn Notaris twijfelde, als ik dit bekend ging maken. Genoeg, als gij de advertentie van mijn dood in de Courant gelezen hebt, zoek op het andere blad maar niet naar de veiling van mijn boedel.