Waarheid en droomen

Part 19

Chapter 193,708 wordsPublic domain

De keizer van het Blauwe land (ik neem de verschillende kleuren van de landkaart, om niet personeel te wezen) heeft de koning van het Groene land bezocht; ze hebben elkander op de hand beloofd om samen vrede te houden. Na het rooken van dien vredepijp heeft de Blauwe en passant op de werf te *** eenige nieuwe oorlogsschepen besteld en de Groene in de gieterij te *** een partij allerbeste getrokken kanonnen laten aanmaken.... waarom? Wel natuurlijk, om als pleizierjacht te dienen en vreugdeschoten te lossen, als zij elkaâr weêr zulk een vredelievend vriendenbezoek komen geven!—De vorst van het Roode land ligt over hoop met zijne ministers, en de ministers met de Kamer, en de Kamer met het volk, en het volk weer met den Vorst. Ze twisten voornamelijk over de financiën, over het uitschrijven van belastingen op de lucifers en van een hoofdgeld op honden en katten.—De President van het Zwarte land wil graag keizer worden, maar het roode volk wil den President wegjagen en een Commune stichten, waarvan de tijger uit den Jardin des plantes koning en de salamander uit de fabel eerste minister zijn zal!... Ach! ach! en zoo gaat het altijd voort; en intusschen worden jaar op jaar een steeds grooter aantal courant-artikelen met bloed geschreven. Was het in den laatsten tijd niet soms, of de drukkerij van den Haarlemmer voor politiek nieuws roode, in plaats van zwarte letters gebruikte? En toch zitten de mannen van het Vredeverbond trouw op den wachttoren, waarop de witte vlag waait; maar op de vraag: Wachter! wat is er van den nacht? is het antwoord nog gedurig: De morgen is gekomen, en nog is het nacht. Waarlijk, ook met den steeds vooruitgaanden Haarlemmer in de hand, is het toch soms moeielijk, aan den gestadigen vooruitgang van den menschheid in ’t groot te blijven gelooven. Wel geloof ik nog steeds daaraan, omdat ik aan eene hoogere Macht geloof, die het scheepje van de menschheid over den grooten oceaan voert, en die niet alleen over het roer en de zeilen, maar ook over den stroom te gebieden heeft, zoodat het vaartuig ten slotte, dwars door stormen en onweders heen, den koers inslaan moet, dien zijn vinger het vóórtrekt... maar het is misschien omdat mijn oogen slecht beginnen te worden met de jaren, ik zie van de voorwaartsche beweging soms niet veel, en indien ik durfde, zou ik een enkele maal haast willen vragen: De stuurman is immers wel aan boord?

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

En ligt gij daar ook nog, mijn eigen lief Album, met uw handschriften- en portretten-verzameling van den ouden tijd? O wat ziet gij er uit! Niet van buiten; daarvoor heeft men trouw genoeg gezorgd; maar van binnen! Hoe zijn uwe beelden verkleurd, uwe teekeningen verflauwd, uwe manuscripten tot onleesbaar wordens toe bleek en geel geworden! En, ach! wat het ergste is, niet alleen hebben de beelden hier vóór mij van den tijd geleden, maar ook hier, in het binnenste, zijn ze, althans voor een deel, niet meer zoo helder en frisch van kleur en omtrek als voorheen. De dichter heeft het wèl gezegd:

Les morts durent bien peu; laissons-les sous la pierre! Hélas! dans le cercueil ils tombent en poussière Moins vite qu’en nos coeurs.

Willen wij oprecht zijn, laat ons het erkennen: we zijn vergeetachtige, ondankbare en liefdelooze schepsels. Nu ja, het is waar; we kunnen met de dooden niet leven, dat is vaak genoeg gezegd; maar dat rechtvaardigt de toepassing van den egoïstischen regel niet: Uit het oog, uit het hart! De ouden waren gewoon hunne lijken te verbranden om hunne asch in een lijkbus altijd nabij zich te kunnen hebben; de Chinezen leggen hun begraafplaatsen aan in hunne tuinen om telkens de graven der hunnen te kunnen bezoeken; ik zeg niet, dat ik een genootschap zou willen stichten met het doel om dit gebruik, zoo mogelijk, bij ons ingevoerd te krijgen: misschien kreeg ik het met de een of andere Gezondheids-commissie te kwaad, en daar blijf ik maar liever buiten. Maar toch, het denkbeeld, dat daarin en daarachter ligt, lacht mij wel aan. Waarlijk wij moesten niet zoo gereed zijn om onze dooden, die ons eenmaal afgestorven zijn, nog eens te laten sterven. Non bis in idem, zeggen de juristen.

Zoo sprekende bemerk ik, dat ik aan het einde van mijn boekje gekomen ben, hetwelk ik bezig ben te doorbladeren. Mijn boekje.... namelijk zooals het was, toen ik mijn daaraan gewijd artikel besloot. Als de verzameling in dien band sedert trouw was bijgehouden—o! hoe groot zou dan het getal namen niet zijn, waarachter ik het bekende teeken † zou vinden. Geen wonder. Dertig jaren. Het is een geheele menschenleeftijd: zegt men niet, dat drie menschenleeftijden een eeuw vullen? In zulk een tijdperk nu, hoeveel dooden! Inderdaad, het leven is als een reis met den spoortrein. Men gaat van het station op het punt van vertrek af: het rijtuig zit vol. Het zijn de vrienden, die men meêbracht, of men maakt met de overigen kennis op reis. Maar telkens, te midden van het gesprek, daar klinkt het fluitje... de deur gaat open.... een der reizigers stijgt uit.... een ander komt in zijn plaats. Zoo verandert gaandeweg de helft, drie kwart van het personeel, en, als gij bij de aankomst op de plaats der bestemming rondziet, is het mogelijk? Is dit het gansche overschot van het reisgezelschap, waarmede gij uw tocht begont? En, ziet gij, naderbij beschouwd, het beeld gelijkt maar half. Want de passagier die het rijtuig verlaat, gaat gezond en frisch, en met een lachend gelaat, en met een: tot wederziens! op de lippen, van u weg, maar die andere passagier, die op den reisweg des levens u voor goed verlaat, gaat heen in een lang wit kleed, even wit als zijn lang en bleek gelaat,—of hij gaat eigenlijk niet, maar hij wordt gedragen, en het: vaarwel! of het: tot wederziens! zoo hij het nog zou willen stamelen, is onder het spreken bestorven op de witte lippen. En die eerste passagier, als hij gaat, neemt ten hoogste genomen bij zijn vertrek een deel van uw gezelschap, een stuk van uw conversatie, een zoetigheid uit den trommel van uw reisgenoegen meê. Maar de reiziger, op wien ginds de zwarte Omnibus, (ja wel, Omnibus!) wacht, neemt, weggaande, een stuk van u zelven mede, een stuk van uw leven, een stuk van uw hart, een stuk van uw hemel op aarde. We sterven alle dagen. Als men oud wordt, sterft men lid voor lid. In de oogen, die gaan schemeren, in de ooren, die zich sluiten, in de beenen, die beginnen te waggelen, in de handen, die onvast en bevend worden, en, het ergste! in het hart, dat koud wordt. Maar er is nog een andere, een nog bitterder dood, dien wij sterven in de onzen. Als een gewond soldaat op het slagveld zijn been ziet begraven, dat moet hard zijn; maar als men zijn hart, althans het beste deel van zijn hart, in het hoogste voorwerp van zijns harten liefde begraaft, dat is eindeloos erger. Dan zou men bijna wenschen, het voorbeeld der Malabaarsche weduwe te kunnen volgen, en er zich zelven levend bij te begraven...

Ben ik bezig te klagen? Daarvoor beware mij de goede God! Er is geen reden voor. Hoe rijk toch moet men niet zijn, om zooveel te kunnen verliezen, en hoe dankbaar behooren wij den grooten Vader der menschen te zijn, die ons zoo rijk aan liefde heeft gemaakt. Liefde is ten slotte toch de grootste schat op aarde; het meest goddelijke in den mensch. „Godt is liefde!” heeft de boezemdiscipel van den Menschenzoon gezegd. Ik heb mij zelven wel eens een raadsel opgegeven, waarvan ik na jaren zoekens de oplossing nog niet gevonden heb, en waarschijnlijk ook wel nooit vinden zal: het is de vraag: wat zaliger is, lief te hebben of geliefd te zijn? Maar wat is dat een heerlijk raadsel, en, bij al hare leemten en ellenden, welk een heerlijke aarde is het, waarop men elkaâr zulk een raadsel opgeven kan. Ik wil dus dankbaar zijn voor alles, wat ik gehad heb, al heb ik het sedert ook voor een deel weêr verloren: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft! Één ding weten we: wij zijn maar op reis: en zoovelen wij in de rechte richting reizen, gaan wij naar het groote centraal-station, waarop alle lijnen van de aarde uitloopen. Daar komen eens al de reizigers saam om niet weêr te scheiden. Daar zijn geen Albums meer met verwelkte bloemen of afgesneden haarlokken; daar heerscht een eeuwige lente, daar bloeit een eeuwige jeugd, daar—om met Van Haren te spreken—daar sterft de dood!

Als nu Editha hier was, zou ik zeggen: Editha! speel de Dernière pensée musicale van Weber,—of nog beter, speel de schoone zangwijs van den twee en veertigsten Psalm eens voor mij!

EEN AFSCHEIDSBEZOEK.

Vervolg.

Nog eens—

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Editha—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het kunnen; want waarlijk, daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij zoo vaak voor huiselijke harp heeft gediend. En zeker, ze zou willen ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit iets geweigerd, waarop mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De lieve zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht:

O zusterliefde is de edelste van allen; Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in.

Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele namen van vroeger en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen voege, die in dit Album zouden behooren, al staan zij er niet in, omdat ik op het laatste blad het cetera desunt lees,—Godlof, Editha is nog in het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van mijn hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een troost. Want, ziet gij, na den moederschoot, die u het leven gaf, en den vaderschoot, waarop gij het eerst met verrukking ontvangen en met een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen dierbaarder plekje voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw eerste speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat zwarte jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de eerste streelingen van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw eigen kleinen mond u in het eerste liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur met kinderen samen; maar dàt kind, of dèze kinderen!... ze hebben een eigen plaats in uw hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid? Hebben ze niet uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw gedronken? Hebben ze den zonnestraal, die van den hemel op u en hen scheen, niet broederlijk en zusterlijk met u gedeeld? Het zou wel vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het kind dáár naast u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch uit ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het waarschijnlijk zoo wezen, dat de verschillende sprankels uit die bron later ieder hun eigen weg gaan. Jonathan rechts, Editha links... maar al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om elkander, en als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr alsof ze nooit van elkander geweest waren. Het is één stem in twee harten, de oudste stem van allen: de stem des bloeds.

Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong:

Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluid Der snaar, die in uw boezem trilde, Drong straks van uit de loofhut uit, Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde. ’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied, En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren, Die naar den wildzang wilden hooren, Geneuried op mijn pijp van riet, Hoe Jonathan geen grooter schat Op aarde dan Editha had.

Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die scheiding was bitter, al was de reden zoet, maar die scheiding heeft niets gebroken. Het is toch met den band der liefde, als met den telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang... als de geheele wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken. Niet waar, Editha? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij ervaren. Wij hebben elkander nog lief. Anders dan vroeger? Voorzeker. Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog meer. Naarmate de gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter aaneen. Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van het stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers uit, maar dan reiken ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de hand om de ledige plaatsen aan te vullen, en komen ze zoo altijd dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat leelijke werk van kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des levens is, minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet meer en liever helpen en steunen, naarmate er andere „Nommers ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder niet meer zijn, zoeken de kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, en zoo goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van de uitgebluschte, neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders liefde terug te vinden. En daarom, Editha, geef mij de hand. Wij blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. Wij willen broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den ander goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de eerste wieg hebben gedaan.

En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de oude Broadwood, waarop gij zoo vaak de reeds genoemde Dernière pensée en zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die liederen zijn uit de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter is? Ik heb het openlijk en rond verklaard: ik ben geen kenner; het zou mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. Maar er zijn knapper luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, of we, ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden, maar ik zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin de zangvogel zit, zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier van vorm, maar de zangvogel zou er niet op verbeterd wezen. Mij heugt, hoe ik Andersen met eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen van een Oostersch hof, waar men eerst een nachtegaal had, die voor den koning zong, en later een mechanischen kunstvogel, die geleerde liedjes speelde, maar hoe toch ten slotte... doch, het is waar, dat was in het Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet op ons. Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst van Wagner het bijvoorbeeld van Weber met zijn: Einsam bin ich nicht alleine, of zijn: Dernière pensée wint? Ik stel mijn lezers voor, de beslissing van die vraag aan de Toekomst over te laten. Dan mogen mijnentwege de toekomstige Patti’s en Jenny Linds boven Wagners graf den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren!

Één ding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder rijk aan melodiën zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in den ruitijd is, geheel zwijgen, en nog meer, sterven zal hij niet. En gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone kunst van Jubal op onze arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de uitvinding gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar gebruik wel nooit geheel laten ontbreken. Er is een stem, die in den mensch met Jenny Linds beroemd lied roept: Ich musz nun einmal singen! Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de aan den mensch verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij erkennen: Is in den laatsten tijd onze muziek niet beter geworden, wij zelven werden muzikaler dan voorheen. Sancta Cecilia is nu een der eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren en dames neuriën en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken met hunne banieren en medailles triumferende het land rond; zelfs den kinderen op de school wordt, naar een woord van Luther, de wijsheid ingezongen: er zijn enthusiasten, die van de heerschende melomanie de hervorming des volks verwachten. En hoe kan het anders? Als er zooveel harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers ons binnenste, dat daarmede geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al harmonisch worden!...

Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat is een andere vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat de geblazen en gestreken harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale samenstemming in de gedachten en gevoelens der verschillende menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de mooie Grenadier-concerten van Dunkler in het Haagsche bosch belet hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof nog al eens gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten van Verhulst in het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de geleerde hoofden in het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke Akademie onder één hoed te brengen. Als ik met een zachte stem die bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te gemoet gevoerd, dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, ons de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of oplossen kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is dan maar te hopen, dat de dissonanten hunne stemmen niet al te luid verheffen, zoodat ze de muziek, die ze moet helpen verdooven, overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal? Misschien zal aan haar hand de klankladder van Ut re mi fa sol de hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne bestemming langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er menschen zijn, die naar een algemeene taal voor de gansche menschheid hebben gezocht, en daartoe de hulp van de viool hebben willen gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, die van Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de discipelen van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een inspanning zitten te zwoegen om de vreemde talen, die ze aanleeren moeten, onder de knie te krijgen! O welk een vreugde zou de uitvinding en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers en kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus bouwde steden op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus der Toekomst aanstaande, die door zijn Paganini-viool de verdeelde, elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen verandert en herschept. Men moet niet wanhopen.... piano wil zeggen zachtjes! en daarvan komt de derivatie pianissimo!

En wederom:

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

—Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT! Daar slaat waarlijk mijn oude Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander in lang niet gezien. Ik heb u in lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb gehad. Nog meer ik heb gemaakt dat ook anderen u lief kregen; ik heb zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, die mij kwam vertellen, dat hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche klok gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift toe: Una ex his hora mortis. Zoo zoudt gij op het laatst nog haast oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten Haarlemmer een advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. Nu laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij zoo gereed en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders te geven. En dat hebt ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd is er voorbijgegaan, sedert ik ze hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel malen hebt gij twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht, sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of het nog geen tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel toeriep. En sedert zijt gij daar altijd blijven staan, terwijl ik hier en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger van u zoo goed mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatig unisono blijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn hart menigmaal zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok, zoo ik u dat vertellen kon! In Dertig jaar kan er door een menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, stug metaal is, wat worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok aan den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht bij de levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook niet pogen u dat te vertellen. Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe wild het ook daar buiten storme, bij u gaan de scheepjes van de geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen heen en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het schoonmaken past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig jaren zijn in dit opzicht voor u als één dag.