Waarheid en droomen

Part 18

Chapter 184,030 wordsPublic domain

Waarlijk, dit komt niet alle dagen voor. Ziet gij, ik wil het wel erkennen. Op één ding had ik, toen ik mij voor de eerste maal in het openbaar presenteerde, wel een weinigje gerekend. Er bestond toen—bij al de onbeduidendheid mijner geringe gaven—tusschen mij en een deel althans mijner lezers één punt van aanraking. Ik was min of meer een kind van mijn tijd. Die tijd nu had zijn eigenaardige fysionomie. Misschien was het wel een weinig een Janus-aangezicht, een hoofd met twee tronies, dat hij droeg. Maar één van die tronies dan toch had tamelijk hetzelfde uitzicht als ik. Er lag iets van den fantast, den droomer, den mijmeraar in zijne trekken. Chateaubriand’s René en Byrons Harold waren nog niet uit de mode; Lamartine mediteerde en harmonieerde uit al zijn macht en Victor Hugo botaniseerde feuilles d’ Automne met volle handen; de mindere goden volgden, als het gaat, van zelf, en, om in den toon van den tijd te vallen, hadden ook de vroolijksten van nature q. q. hun „Zwarten tijd.” In die dagen trad Jonathan in het karakter van Penseroso op. Is het wonder, dat hij niet alleen binnengelaten, maar ook heusch nog al wèl onthaald werd? Hij was immers met een goed deel zijner tijdgenooten een vogel van gelijke veêren, en zong zooals hij, maar ook zij, gebekt waren? Het was maar natuurlijk, dat het koor hem inhaalde:

Dignus, dignus est intrare In nostro docto corpore.

Maar, ziet gij, dat is sedert vrij wat anders geworden. Welke gezichten Janus nu heeft, durf ik niet bepalen, om niet met de toongevers over hoop te raken; maar dit weet ik, dat hij zijn Yoricks-gelaat bepaald kwijt is. Als hij mij nu aanziet—nu, daarvoor kan ik wel ruiterlijk uitkomen—keert hij mij een volle realiteits-tronie toe. De „hartstocht der werkelijkheid” bezielt hem tot fanatisch-wordens toe. Arme Jonathan! Dat lijkt u niet. Zulk een mensch, zulk een positivist der positivisten is uw man niet, evenmin als gij de zijne. Pak dus, hoe eer hoe beter, uwe biezen. Procul hinc abite, profani. Gij zijt een antiquiteit, een reliek, een mummie. Naar de zaal der Etrurische of Egyptische oudheden, naar de collectie van werktuigen uit het vóórhistorische steenen en bronzen tijdvak met u!....

En toch! en toch!..

Misschien staat de zaak nog niet zoo volkomen wanhopig. Op den bijval van het gros valt niet meer te rekenen. De dubbele deuren zijn en blijven gesloten. Misschien echter is er nog een achterpoortje. Misschien is er hier of daar nog een enkele vriend verborgen, die mij door een spleet er van binnen laat. Ja, misschien heb ik in stilte nog meer vrienden, dan ik zelf wel weet, of mij onderwinden zou te hopen.

Ziet gij, men kan wel, o ja! als een recht geaard kind van het achtste tiental jaren der negentiende eeuw, een man der realiteit, zelfs in de tweede macht, zijn... Werkelijkheid hier! Werkelijkheid daar! Werkelijkheid overal! maar dat neemt toch niet weg, dat men, qua mensch, onder het koude harnas van de wetenschap en den ijzeren maliënkolder van het empirisme, in de linkerborst iets zachts, iets weeks, iets menschelijks heeft, dat zich niet te best beschrijven laat, maar dat ieder, ook zondere verdere beschrijving, na dezen wenk genoeg herkent: iets, waarvan Chateaubriand zoo schoon zeide, dat men het heeft van God of van zijne moeder. De mannen van het Heden mogen nu, als de bekende dokter van Molière, die het hart aan de rechterzijde van den mensch plaatste en bij een protest daartegen uitriep: Nous avons changé tout cela! zij mogen nu het hart hebben zoeken te verplaatsen, of, zoo dat niet ging, het dan toch inwendig hebben zoeken te verstalen of te versteenen; een mensch kan, zelfs in 1871, maar niet alles wat hij wil. In een van de geestigste kleine stukken van Scribe beveelt de Oostersche Vorst, de Pacha, al zijn hovelingen op een zekeren dag vroolijk te zijn, aangezien de Vorst vroolijk is, en al wie nu niet terstond vroolijk wordt, dien zal zonder genade het hoofd op kommando voor de voeten worden gelegd!—maar daarmeê is de vroolijkheid nog niet dadelijk present, en zal zich misschien ook verder nog wel wat laten wachten. Welnu, zoo is het met de realiteits-passie. De Romeinsche blijspeldichter heeft in een bekend woord geleerd:

’k Ben een mensch, en deel in alles wat eens menschen is als ’t mijn.

En waarlijk, als zoodanig, als mensch, leeft en trilt er bij ons, tusschen alle spieren van onze volle werkelijkheidskracht, toch ook hier en daar een enkele zenuw van poëtisch gevoel. Wij hebben staal in ons bloed, veel staal, erg veel staal—maar toch ook een dropje of wat melk. En die melk doet soms, als het staal goed gewerkt en tijdelijk uitgewerkt heeft, wel eens voor een oogenblik haar verzachtenden, verzoetenden, malsch- en weekmakenden invloed gevoelen. O ik weet het, Jonathan is maar een sober citerspeler op dat verhevenste, dat meest hemelsche van alle instrumenten op aarde, het snarentuig van het menschelijk hart. Maar toch is het hem soms wellicht een enkele maal gelukt, met zijn ongeoefenden vinger, bij het beproeven van zijn eenvoudig deuntje:

Al de eendjes zwemmen in het water,

of wat nog eenvoudiger is dan dit, een liedje uit de verre kindsheid, uit de leer- of speelkamer, een enkele snaar bij enkele harten zoo te raken, dat zij antwoord, dat zij geluid, harmonisch geluid gaf—welnu! om dien enkelen toon is er sympathie tusschen luit en luitenspeler! en daaraan alleen dan ook wijt hij het dank, dat men hem niet reeds lang als een miserabelen straatmuzikant, als een ondragelijken liereman of orgeldraaier van de deur heeft weggejaagd,.... wat zeg ik? dat men hem soms heeft laten binnenkomen, in het kantoor bij mijnheer den reeder, in de werkplaats bij mijnheer den fabrikant, zoowel als in het salon bij de mevrouwen en jonkvrouwen, met de boeken van de hoogere burgerschool op den schoot en de handwerkjes voor Arbeid-adelt in de handen, en hem gezegd heeft: Kom aan, zoon van de citer! wij maken een kleine pause. Maak het niet te lang! maak het niet te zoet! maak het niet te treurig! Maar terwijl ons werk een poosje rust, ga uw gang! laat hooren, welke aria gij op uw speeldoos hebt. Stem uw speeltuig, en zing uw lied!

Gij ziet, waarop ik reken, waarop ik speculeer. Ik zoek mijn bondgenoot in het hart, dat, minder dan de geest, de kleur van den omringenden atmosfeer, blauw of grauw, bloedrood of scharlaken, naar het valt, aanneemt en minder onderhevig is aan variatiën van de mode dan hij. De mode! Ik heb daar een leelijk woord genoemd. Want, ach! uit de mode en buiten model, dat is Jonathan gansch en al, van top tot teen! Verouderd, mijnheer! totaal verouderd! van het jaar nul!

Ik weet het, mevrouw! en is het wonder?

Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat ik als auteur mijn intreê in de wereld deed. Denk eens, meer dan dertig jaar! bijna tweemaal de leeftijd van uw lieve oudste dochter daar naast u, die reeds met den jonkman, die daar ginds het venster voorbijgaat, teedere blikken wisselt. Het is een eeuw! Hoe zou het mogelijk zijn, dat in dien tijd niet het een en ander, buiten mij of aan mij, verouderd zou zijn? Ik weet het ook wèl. De heeren dragen in mijn boekje geen knevel en de dames geen chignon. Van de muziek van Offenbach geen spraak en Mijnheer en Mevrouw Bebé—totaal onbekend. De naaimachines nog in het hoofd van den uitvinder, en het Roode kruis nog achter den horizont. Ik kan het niet helpen, Hildebrand is gelukkig genoeg geweest, de onderaardsche Schietblaasbalg in een visioen voor uit te zien en te voorspellen; maar ik, kortzichtige, ik heb zulk een fortuintje niet gehad. Ach, ik ben, om met Bilderdijk te spreken, maar een „Jasper ouderwetsch,” en zal het, vrees ik, blijven. Al draag ik geen pruik, wat erger is, ik ben zelf een pruik, een pruik der pruiken. Ik was het reeds zooveel jaar geleden—hoe zou het er nu beter op geworden zijn?—„Alzoo niet modern? niet modieus? niet naar ’t model? weg met u!”

En ook de bezem en de bijl Verheffen samen hun kritiek: „Uw speeltuig is van d’ouden stijl En geeft gantsch nutlooze muziek!”

Aan spaanders moet het! en op ’t vuur! Dan dient het toch nog ergens toe! En gij, onbruikbare nabuur! Op straat! Wij zijn de wildzang moê!

„Het hakmes geeft den waren toon; De bezem is de levenskern Van ’t huis, en houdt den drempel schoon: Dat’s zuiver praktiesch, en—modern!”

Bravo! Maar, wat volgt er?

Alleen het kinderlijk gemoed Zucht, daar ’t een stillen traan vergoot: „Gij, schoone zwerfster, wees gegroet! Treê binnen! zing! en—deel ons brood!”

Het al te prijzende bijvoegsel: „schoone”! bij de Zwerfster zullen we daar laten. Maar verder, op den spreker, en met name op den naam, waaronder hij wordt opgevoerd op het „kinderlijk gemoed” leg ik de hand. Zulk een gemoed, zie, dat vindt men nog wel hier en daar; dat vindt men aan alle plaatsen; onder een pruik en onder een Brutuskop; achter een chinesche kamerjapon en onder een jurk naar het model van la Gracieuse van Januari 1872 in paulo post futuro. Er zit in sommige oogen, zwarte en blauwe, oude en jonge, achter een bril en achter een binocle, zoo’n zekere elektrieke vonk, die uit het hart komt, en waar die vonk haar werking doet, zie! daar is de telegraaf aan ’t werk—’t is slag en weêrslag—vraag en antwoord—de communicatie is daar!

1840–1871. Inderdaad! het is een heele sprong. Een sprong om haast den hals bij te breken. Maar toch ook tusschen die jaren was er eenige gelijkheid. Zoo hebben wij ook in 1871 lente gehad, al kwam ze wat laat en was ze wat koud. Wij hebben lente gehad; een heusche lente, zoo goed als 1840 maar durfde denken. De seringen geurden, de tulpen bloeiden, de hyacinten zonden uit haar blauwe en roosverwige wierookkelken haar geuren omhoog, de nachtegalen zongen, de leeuwerikken kwinkeleerden, en, onder den bloeienden Meiboom en tusschen het slaan van de nachtegalen zat Romeo met Julia in het priëel, en spraken ze samen teederen liefdekout—precies zooals in 1840. Zulke dingen veranderen, zulke dingen verouderen niet. Ik las ergens van een graf, waarin men, vele eeuwen geleden, oude Celten begraven had, te gelijk met zaden van granen en bloemen, die, bij het openen van hun tomben, in de lijkkist gevonden werden. Men zaaide die zaden—en zie! terstond ontkiemden groeiden en bloeiden ze, na een rust van meer dan twee duizend jaar, tusschen het stof van graven en doodsbeenders. Elders las ik van een stuk geurend hout, dat men in de diepte vond, mede eenige duizenden jaren oud, en toen men het op het vuur wierp ... zie! daar ging de damp als een wierookwolk naar boven, en die damp rook, alsof de boom pas was gegroeid en uit den zomer-adem van 1870 of 1871 zijn versche geuren ingedronken had. Zoo is het in de wereld der planten; zou het in de wereld van die denkende planten, ces roseaux pensants, waarvan Pascal spreekt, anders zijn? Neen! neen! spreek den mensch, mits hij waarlijk mensch en kompleet mensch zij, spreek hem aan met een woord uit het woordenboek des echten menschengevoels: spreek hem van poezij en kunst, van vriendschap en liefde, van geloof en hoop, en hij zal weêrklank geven, in 1840 in 1871, in 1971, in 2071 en al de jaarhonderden die volgen, zoolang de Darwin’s-theorie geen omgekeerden loop neemt en de mensch een mensch-aap, de Johannes of Maria een broeder-Jocko of een zuster-Gorilla wordt. Reken daarop gerust, oude liereman en, in die bewustheid, grijp uw strijkstok, tokkel uw snaren, en speel uw lied!

Nu, waarlijk! dat is een buiging naar de mode, als met een sleepjapon, die nog op den trap is, als de draagster reeds lang bezig is haar kompliment voor de gastvrouw te maken—welk een staart! Als we zoo voortgaan zouden, kwamen we met ons artikeltje in geen halven dag klaar. Maar daarvan is geen nood. Ik geef u in bedenking, om van stonden aan alle komplimenten af te breken, en het gordijn wêer achter den uitgekomen acteur (of auteur) te laten vallen. Wat meer is, ik stel u voor met hem op reis te gaan.

Waarheen?.... Het zal u spoedig blijken.

Toen ik beloofd had, een nieuwen druk van mijn Schetsenboek te helpen bezorgen, nam ik het natuurlijk wêer eens opzettelijk in handen. Niet om te zien, of er niet wat aan te verbeteren viel. Daarvan kon in geen geval de rede zijn. Het boek moest blijven wat het is. Gij zult ook een kinderportret van u niet nemen om het door een schilder in een zwarten rok te laten steken, in de hoop, dat het dan beter op u in uw tegenwoordige gestalte en voorkomen gelijken zal. Bij de afbeelding van den jongen behoort een jongenskiel; men noemt dat thans: „het beeld in de lijst van zijnen tijd.” Maar al wil men een oud boek niet moderniseren, dit belet niet dat, als men voor het publiek verschijnen zal, men zich toch even voor den spiegel plaatst en een oog over zijn toilet laat gaan om er het stof af te schuieren, en een vlek of smet te doen verdwijnen, die er bij ongeluk op gekomen of op gebleven is. Zoo las ik mijn eigen boek nog eens door, alsof ik, in plaats van schrijver, een gewoon lezer ware.... Zonderlinge gewaarwording! waarbij haar te vergelijken?

Het was mij vreemd te moede. Hoe dan wel ongeveer? Ik zou zeggen: Omtrent zooals iemand zich gestemd zou gevoelen, die na een langdurig afzijn in zijn eigen huis wederkeert. Verbeeld u bijvoorbeeld een Landjonker, die op een kasteel is grootgebracht, en daar al de liefste herinneringen van zijn kindsheid heeft liggen; daar kind, knaap en jongeling is geweest. Maar later heeft hij dat Buiten verlaten; hij is buitenslands gaan reizen. Hij heeft een goed deel van zijn leven in een anderen streek der wereld doorgebracht. Na een geruimen tijd echter roepen buitengewone omstandigheden hem in het vaderland terug, en bij die gelegenheid bezoekt hij ook zijn oude ouderlijke en voorouderlijke woning. Hij vindt het alles zooals het hij gelaten heeft; men heeft alleen de kamers schoongehouden en de meubels nu en dan wat opgewreven; maar anders alles geheel het oude! Wonderlijk gevoel. Zie, hoe hij, het huis ingegaan, het geheele gebouw doorloopt, van voren naar achter, van boven naar beneden, van den zolder tot den kelder. Eindelijk keert hij op zijn vroegere dagelijksche woonkamer terug, zet zich daar neer in zijn eigen leuningstoel, legt de hand onder het hoofd, en peinst, peinst, peinst.....

Zoo Jonathan met zijn eigen boek in handen. Ook hem is het als keert hij, na een betrekkelijk lang afzijn, in het oude huis terug. Waar hij sedert geweest is, wat hij intusschen gedaan, maar ook wat hij gedacht en gevoeld, genoten en geleden heeft,—dat alles wordt hier niet beschreven. Het is in den Jonathan nooit om een biografie, maar eer om een prosopografie, vooral inwendig, om een afdruk van indrukken te doen geweest. Maar genoeg, Jonathan, wie hij overigens vroeger was en nu zijn moge, hij is thans voor het oogenblik weêr thuis. De tijd, waarin we nu leven is er recht geschikt voor. Terwijl deze regelen ten papiere komen, leven wij in den Advent. Kerstmis nu lokt als van zelf uit tot een bezoek naar huis. Rondom den kerstboom verzamelen zich gemakkelijk en gaarne al de hier en ginds verspreide leden van een familie, en als men dan bij de lichtjes van dien boom de oude lieve gezichten uit zijn kindsheid en jeugd terugziet, is het alsof men zelf weer kind wordt met de andere kinderen meê. Iets dergelijks gaat ook mij nu door het hart. Bij het weerzien van de oude woning met al hare lieve herinneringen wordt Jonathan wel geen kind,—zulk een halsbrekenden sprong zal hij wel niet doen—maar hij gaat toch in zijn verbeelding een geheel tijdvak van meer dan dertig jaren terug.

Somtijds in mijn dier gezin, ’s Avonds aan mijn haard, Haal ik weer de droomen in, Reeds zoo vaak verjaard.

Dertig jaren dring ik door, Drijf ik uit mijn oog, En herroep den tijd er voor, Die zoo ver vervloog.

dus zingt hij Tollens na. Zie hem, hoe gelukkig hij zich in die herinnering, in die verjonging voelt. Hij doet even als de straks beschreven Landjonker; hij loopt het oude huis op en neêr, van kamer tot kamer, en terwijl hij de oude lievelingsplekken bezoekt, is het hem of hij het oude, daar eens doorleefde, leven nog eens overleeft. Eindelijk komt hij weêr in zijn bekende eigen lieve woon- en boekenkamer te land. Zie, daar ginds staat ook de oude fauteuil, waarin hij zoo dikwijls nederzat; wel wat verkleurd en wormstekig geworden, maar toch nog altijd even zacht en gemakkelijk als altijd. Zoo strekt die hem dan ook als van ouds de beide armen uitnoodigend en uitlokkend tegen. Hij valt er in en.... daar zit waarlijk de oude Pythia weêr op haren drievoet... de heilige dampen stijgen op uit den grond... daaruit vormen zich weêr beelden en gestalten.... de Droomer droomt als in de dagen van ouds!....

’k Herroep u hier een droomgezicht; ik zag ’t...... In slaap misschien!—wat iemand sluimrend ziet Kan menig jaar omvatten, en geheel Een leeftijd samenpersen in één uur. [5]

Laat ons rondzien. Ja, wel voel ik mij hier thuis, alsof ik niet weg geweest ware. In mijn verbeelding zie ik al de bekende en geliefde voorwerpen weêr, die mij hier vroeger plachten te omringen, en niet zooals ze sedert geworden zijn, maar zooals ze toen waren. Eerst zien ze mij een tijd lang zwijgend aan, gelijk ik hen, maar straks!.... hoort! hoort! daar beginnen ze te spreken, even als ginds mijn huisklok, die zijn lied speelt wanneer hij heel of half slag zal gaan slaan. Wat ze mij zeggen,—laat ik beproeven, in hoeverre ik het in woorden weêr kan geven. Dat zal dan als een gesprek met de Dooden zijn!

Daar ligt waarlijk nog een exemplaar van de oude Haarlemmer-Courant uit den jare 1840. Welkom, oude vriend! Zien wij elkaâr nog eens terug? Ik ben toch ook blijde, dat, voor hoeveel dooden gij sedert ook het klokkentouw getrokken hebt, gij zelf nog leeft. Met een artikel over u in de hand, ben ik het eerst voor het publiek gekomen; een kramer zou zeggen: Enschedé heeft mij handgeld als auteur gegeven; dit maakt, dat er tusschen mij en die firma een oude relatie bestaat. En daarom verheug ik er mij in, dat de Haarlemmer nog steeds bestaat. Och, er zijn sedert zooveel andere dingen verdwenen, of met verdwijning bedreigd. Denk maar aan Jan Laurensz Koster, van wien het nu schijnt te blijken, dat hij geen Jan Laurensz, en geen Koster, en, wat het ergste is, dat hij geen uitvinder van de boekdrukkunst is; de Duitsche Guttemberg, die door ons, hem ten behoeve, zoo dikwijls voor al wat leelijk is uitgemaakt, en dien wij het half gestolen octrooi zoo vinnig uit de handen hebben gescheurd, zal nu ten slotte nog met al zijne en onze glorie op dit punt gaan strijken. Ten minste, er zijn geleerden, die zeggen, dat er voor Koster zulk een onttrooning en ontkrooning, niet minder erg dan die van Napoleon te Sedan, onvermijdelijk op handen is. Welk een val! Denk nu eens aan 1824 en het Kostersfeest; denk aan de schoone redevoering van Van der Palm en het enthusiastische vers van Tollens:

Neen, vreemden, neen, verhit op Neerlands loof, En die u ’t hoofd wilt met haar roem beladen! Grijpt, tast niet naar die lauwerbladen: Gevreesd, gevaarlijk is de roof, Die zijn bezitter kan verraden! De drukkunst, uw bejaagde buit, Brengt gruwlen en geheimen uit.

Zoo bralden we in ’24; en nu keert zich in ’70 dat wapen zoo akelig tegen onszelven, en staat het geschreven, dat Koster vroeg of laat, als zijn beeld niet van hooger hand wordt gesloopt, zelf van schaamte in den grond zal verzinken, of in elk geval in arren moede de Symbolische A, die hij in de hand heeft, zal opeten of het een Haarlemsche roode letter ware.... het is om bij te weenen. Maar staat Koster, naar het schijnt, op zijn laatste beenen, de Haarlemmer-Courant staat pal. Hij is in die verloopen dertig jaren grooter geworden, en geleerder geworden, en ijveriger geworden: hij doet nu zijn boodschap niet meer drie-, maar zesmaal per week, en hij heeft nu soms geleerde opmerkingen, alsof hij nu en dan in het fundatiehuis van Teyler ter studie ging en er physische experimenten maakte.... waarlijk, men moet wel erg zwartgallig zijn om te beweren dat in de wereld alles, alles achteruit zou gaan. De Haarlemmer, de oude liefde van alle oude vrijsters en van alle andere nieuwsgierigen, die gaarne op de hoogte van het kraam- en trouw- en sterfnieuws blijven—de Haarlemmer gaat bepaald vooruit!

Kon ik nu eens een blik laten gaan over al de veranderingen, die ook in zijnen inhoud hebben plaats gegrepen! Ook daarin zou ongetwijfeld de vooruitgang niet minder merkbaar zijn. Vroeger had men alleen advertentiën, waarin het gelukkige paar bekend maakte, dat zij gehuwd waren; maar nu komt een mijnheer, die lust tot trouwen heeft, en vraagt een jufvrouw of des noods een mevrouw, die weduwe werd, liefst wat jong, en wat mooi, en wat rijk, en wat rijk aan beminnelijke hoedanigheden, bv. vrouwelijke kieschheid en maagdelijke schuchterheid, die een dame zoo goed staat! Welk een schoone verhouding. Nu heeft men de Duitsche en Fransche trouwkantoren niet noodig; men hoeft niet op een schoone uit te gaan en een blauwen scheen te wagen; neen, men blijft t’huis; men laat ze in effigie bij zich komen; als men niet naar het stadhuis moest gaan om voor den ambtenaar van den burgerlijken stand zelf zijn naam te teekenen, men zou kunnen trouwen in zijn leuningstoel. Nog comfortabler is het, dat een enkele maal de trouwlustige dames zichzelve aanbieden. Ik heb wel eens hooren zeggen dat, als de Dames kiezen konden in plaats van de Heeren, het veel beter in de huwelijkswereld toe zou gaan.... we zijn er nog niet, maar we zijn toch op weg. Help kijken, als de emancipatie doorgaat....

De kindertjes worden geboren zooals vroeger, volgens den Haarlemmer. Daarin schijnt minder verandering te komen. Alleen heb ik opgemerkt, dat het bijvoegsel „mijn lieve echtgenoot” langzamerhand min of meer uit de mode raakt; niet het „lieve” op zich zelf, maar het „lieve” in de courant. Sterven doen de menschen ook nog als vóór dertig jaren. Halloway en Malz, de oude Arabische-Revalenta- en de nieuwe Amerikaansche-Condurango-kweekers hebben daarin nog geen doortastende verandering teweeggebracht. Ook de duizend en een koude, heete en lauwe bronnen, met hare levensstroomen hebben het lieve leven zelf nog uit de aarde niet kunnen ophalen; het kruid tegen den dood schijnt nog altijd op onze arme planeet niet te willen wassen. De Haarlemmer verandert nog al eens van formaat, en is ook wel eens een tijd lang kleiner van stuk geweest dan vroeger, maar de doodenlijst op bladzijde 3 is altijd even groot gebleven; die heb ik nooit, als de krant zelf, tot drie kwart van het formaat verkleind gezien!

De overige advertenties wijzen ook al niet onbepaald verbetering en vooruitgang aan. Daar zijn nog altijd hoofdonderwijzers, die maar geen hulponderwijzer krijgen kunnen, en hulponderwijzers, die het voor zulk een kleintje niet kunnen doen. Daar zijn nog altijd—mijn oud zwak—gouvernantes en gezelschapsjufvrouwen, die voor o! zoo weinig loon, soms in ’t geheel geen loon, o! zooveel diensten, met o! zulk een vriendelijk, pijnlijk-vriendelijk gezicht, voor allerlei mevrouwen Waters verrichten willen, die, als de bekende lieve Dame uit den Nickleby van Dickens, om hare delicate constitutie, zulk een bliksem-afleider van haar booze luim allernoodzakelijkst behoeven om er niet in te stikken.

En wat nu de politieke berichten aangaat, ook daar staat de thermometer al zoo, na enkele afwisselende op- en neêrwaartsche bewegingen, gedurig op hetzelfde punt. Het is daarmee als met het slechte weêr in Schotland, volgens een bekende spotprent:

—Regent het hier altijd, jongetje?—

—Neen, Sir! soms sneeuwt het ook.