Part 17
Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten met een voorkomen van ernst en gewicht, of het de Rostra van Rome zelve waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring, waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over andere goede huismoeders hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek, op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en beleefdheid toewijdende aan—een oude Vrijster!
Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht vergeven, dat ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog uitbundiger meê vermaken, het zal u niet gelukken mij van daar weg te spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur van geestige en bittere aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril bekend en laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men.
Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, een bizarren smaak heb en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij vergist u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens zoo lief, als anderen van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel liever met een moeder. Als ik mij tot deze wende en haar dadelijk met belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, dan is voor mij een bron van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag het moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende uitdrukking van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig, welhaast een deelnemend toehoorder. Niet, omdat de kinderen, waarvan zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij zijn niet beter of slechter dan andere kinderen; maar, omdat de moeder mij boeit en wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste en edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende liefde, uit het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt; als het verheven symbolum van den verhevensten godsdienst, de pelikaan met de bloedige borst, voor mijn oog gestalte en wezen verkrijgt; als de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en meer naar den achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen klapwiekt; o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens, welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben! Want de vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen tegenover plaatst, en haar Pietjes behendigheid in de schaduw stelt door van de nog veel grooter vlugheid van zijn Jantje te spreken. Zie, het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting.
En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon buitengoed had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen, zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, dan is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en gevoele. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel de gansche Opera féerie van mijn jeugd nog eens over, en scheide niet van de bezitters van mijn verloren Eden dan met het gevoel: „Hoe jong en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik jonge menschen en vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief. Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor mij zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de heldere wellen van menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de zilveren stemmen hooren klinken, die de harmonie des levens scheppen, en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner werken op aarde—een onschuldig vrouwenhart!
Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren; maar zij zijn verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan mij leed doen, als ik in een gezelschap verschijne, haar terstond aan de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê men haar behandelt, al herkende ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar voorkomen. De Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames sluiten ze als invaliden uit haren kring; de Heeren, indien zij van pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen zich bij voorkeur tot de fauteuils, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan de oude Jufvrouwen worden alleen de kruimelkens van den gezelschapsdisch toegeworpen.
Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters voorbij, en vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij dunkt, dat is haar goed recht. Bilderdijk heeft in zijn dichtstuk Oude Vrijsters, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en in hare eer gesteld, om al het vuur zijner verontwaardiging te richten tegen die vieux garçons, die door hun ongeregeld leven de orde der maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, dat zooveel onschuldige schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder huwelijks- en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht onder het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een zijner medeschepselen voor zijn rekening had. Ik heb gezucht als ik dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame meer was, dan er behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij niet te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken.
„Lieve Jufvrouw X!
„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden. Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken.
„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens der diepste achting
„Uw onderdanigen Dienaar Jonathan.”
Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met mijn partij mijn rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen, Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid voor uw bevalligheden, talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk zijn, uit u allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever.
Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar iets anders, iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is vaak haar voorkomen onbeduidend, haar kleed eenvoudig, hare manieren zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde maagd is een jong meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. Als ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de anderen van den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke muren van hun blaauwe klimop-bloempjes berooven, holen en kelders van hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door de schietgaten steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende aan den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op, overdek de openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren met beschotten, vul de ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor stemmen galmen, bekers klinken, en ben in een andere wereld overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, daarop heeft een bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar het karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het knekelhuis weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan menschelijk-gevoelig, den omvang en grootheid van een ruïne alleen met het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst terug te komen: ik zie nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens naar mijn smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats haar op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare verschietende wenkbrauwen zwart, laat van haar hoofd lange zijden krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte en houding, en plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan.... maar neen! gij zoudt mij, droomer, uitlachen, indien ik voortging. Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige jeugd, even rijk aan liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en zoek voor de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is bekroond geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk in mijn oogen hoogst interessant door wordt. Zeker schrijver zegt van een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van al deze gebroken harten kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen te verhalen hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets anders te lezen is, dan het altijd wederkeerende: hic jacet. Maar wat er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en gestreden, daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets; maar dat zegt mij mijn warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen er zijn onder haar, die het slachtoffer van mannelijke ontrouw en mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd door de hand, die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende weduwen, maar die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als zulke bejegent; dan breekt mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren, die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten contribueert, ook bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed te maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn, die den dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze gewonden hebben recht op uw olie en wijn!
Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt, of zij dan niets is, dan in zooverre zij iets geweest is. Stel u gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er enkelen zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van haar speelgoed niet scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel verschaalde bekers, die uit ergernis van onaangeroerd gebleven te zijn zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, die het al te veel doen gevoelen, dat Minerva een gewapende godin is; of wel ... St! st! Jonathan, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de oude vrijsters meer karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een groote en moeielijke les, waardig de hoofdinhoud van de tweede Tafel der goddelijke Wet te zijn: „Gy sult uwen naesten liefhebben als u selven.” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De getrouwe huismoeder, wier geheele bestaan zich in dat des geliefden Mans heeft opgelost, en voor wie het nog meer geluk dan plicht is alles te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer het beste vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich buiten het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot de nakoming van dat gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan de oude vrijster, die geen eigen plaats in den grond beslaat, maar zich als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, of als een muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als een soeur de charité de voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde bewijzen wil; zij is in gevaar van, als „de Priester en de Levijt” in de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij te gaan, indien zij zich de les niet herinnert: „Gaat henen en doet gy des gelycx.” Maar indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een voorwerp gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien zij al de kracht van hare in één punt saamgedrongen genegenheid op een uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is het iets roerends, iets verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en buigbaarheid der rank alleen om den geliefden boom te vaster, te getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, dan wordt haar groen de bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering van zijn stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar verwijdering, haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter schrijft:
Ze is groot en schoon en door zichzelve levend, Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend, Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien; Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.
Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de menschen tot Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls heb ik er om getreurd, hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden begrijpen, en dan wel eens getwijfeld aan de verzekering van den grijzen Apostel: „Ende sijne geboden en sijn niet swaer.” Maar dan waren meermalen oude vrijsters mijne apologeten. Ik riep ze mij voor den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der liefde, echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „niet en is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen,” en die om onzentwil „is arm geworden, daer hij rijck was;” wezens, in wie de zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woord IK, anders de radix van alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die het zooverre gebracht hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „so wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren,” en „so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten,” en „so wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan;” goede geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief heeft. En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood over den twijfel van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met verdubbelden eerbied en liefde naar het goddelijke boek, dat tevens het menschelijkste aller boeken is, dat niets dan een liefhebbend hart eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik mijzelven, dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn zouden.
Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op mijn papier, mijn goede, lieve Editha!
Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleen Marthaas, „die haer bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ook Mariaas onder, die „het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben uytgekozen.” Zij zijn Johannessen onder de vrouwen, en rusten altijd aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij hebben de aarde vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen en verlaten toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der wereld afsterven, om alleen voor den hemel te leven. Zij sluiten zich hier op aarde aan dien blinkenden stoet van Engelen aan, „die niet bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam volgen, waer het oock henen gaet.” Zij zijn het, die zich „toebereyden, om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelick Christo.” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is geworden van dat schoone lied van Lodensteyn;
„Hoog, omhoog, het hart naar boven! Hier beneden is het niet.”
Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u getuigen van het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag u wel aanbevelen, als gij den drempel van zulk een heiligdom overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb een afkeer van kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig Bethanie op mijn weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik het wierookvat mijner vereering hoog in de lucht!
Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het altaar eens harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet wel, dat de wierook, daarop geurende, niet altijd zoo onvermengd en zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer aardsche banden heeft moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik weet wel, dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de „Rabbouni” dezer Magdalenaas werd; maar ik weet ook, dat onze barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd eischt; ik weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele vrucht, naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook, dat hij tot een zondaresse, die zijn voeten met hare tranen baadde en met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: „Uw gheloove heeft u behouden, gaet henen in vrede;” ik weet ook, dat Petrus een boeteling en Paulus een van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „datter blijdschap is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en hebben!”....
En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren.
EEN AFSCHEIDSBEZOEK IN 1871 [4].
Het is dus beslist.—Jonathan! Of gij wilt of niet, gij moet er aan gelooven. Men laat u geen rust. Gij moet de wijde, wijde wereld nog eens weder in! Nog meer! gij moet uwe stem nog eens op nieuw laten hooren. Het is een vaderplicht, zegt men, dien gij aan uw papieren kind schuldig zijt, en waaraan gij u niet onttrekken kunt...
—Welnu! laat het dan zoo zijn! hier ben ik!
Mijne heeren en dames!—(Ouderwetsch, niet waar? Of sedert mijn laatste optreding de emancipatie der vrouwen—die arme, witte slavinnen van ons koude Noorden!—niet aan de orde gekomen was, die een eenigszins galant spreker verplicht met de Dames te beginnen!... Ik kan het niet helpen. Ik vrees, dat ik op sommige punten tot de onverbeterlijken behoor, en geef mij als vroeger gelijk ik ben.)—Derhalve nog eenmaal: Mijne heeren en dames! Ik begin—met voor u een diepe buiging te maken, die een uitdrukking mijner dankbaarheid moet zijn.
Uit mijn jeugd herinner ik mij nog flauw, hoe ik, als ik eens een enkele maal in de komedie kwam, er meermalen getuige van was, dat de akteur, die, naar het oordeel van het publiek, zijn rol wèl had afgespeeld, bij het einde van het stuk „teruggeroepen” werd, en dan met vele strijkaadjes een plechtige buiging maakte! als blijk van erkentenis voor de bewezen onderscheiding. Ook mij valt nu van wege het achtbaar Publiek een soortgelijke eer te beurt. Het vriendelijk onthaal, aan mijn boekje geschonken, dat een nieuwe uitgaaf noodig maakt, is een soort van terugroeping. Zou ik daarvoor ongevoelig zijn? Neen, ik buig mij zoo diep ter aarde als mijn stramme rug het eenigzins toelaat, en als ik kon, zou ik u, mijn lezer! die thans met dit blad in de hand zit, als vertegenwoordiger van al mijn tegenwoordige en toekomende lezers, uit de verte erkentelijk de hand drukken.
In allen ernst, ik heb reden tot erkentenis. Zie, dat had de „Meester Droomer,” die Waarheid en Droomen schreef, nu wel niet gedroomd. Nog heugt het hem, hoe het hem te moede was, toen hij zijn eersteling de wereld inzond. Hij, zulk een nieuweling, die maar wat in een huiselijken leuningstoel had zitten mijmeren en peinzen, en wat hem daarbij in den geest was gekomen, in allen eenvoud had neêrgepend, rijp en groen, wijs en dwaas, allegro en andante, major en minor, alles dooreen, en die bij dien inval de nog grooter stoutheid had om zijn salmagundi, zijn olla-podrida aan dien grooten heer—dien grootste van alle heeren—het groot Publiek aan te bieden.... is het wonder dat de bloed beefde en dat hij bij dat waagstuk het voorkomen had—om met koning Filippus te spreken, toen hem eens een smeekeling al bevend een rekest overgaf—van een bedelaar, die een penning aan een olifant geeft? Verbeeld u, dat de olifant dien penning vertrapt en den schenker er van met zijn vier groote pooten vertrapt of—zooals ik meen dat het officiële kunstwoord luidt—vernietigd had! Hoe duur zou ik, arme hals, dan mijne stoutheid hebben geboet! En kon het anders? De olifant en ik! Dat was toch ook waarlijk, als er oneenigheid kwam, geen portuur! Dan had het feit kunnen gebeuren, waarvan de bekende Dichter-Schoolmeester spreekt, dat
—zoölogiesche Jonathans wel eens aan ’t sneuvelen raken.
Maar neen, neen! het viel gansch anders uit. De groote olifant was zoo grootmoedig, zoo nederbuigend, zoo goed! Hij nam uit mijn hand den penning met zijn slurf, bekeek hem van alle kanten, legde hem daarop, zooals men dat wel eens meer in een diergaarde zien kan, in het daarvoor bestemde bakje ter bewaring en keek den gever van den penning, in plaats van hem te verscheuren, met zijn groote, bruine, goedige oogen zoo vriendelijk aan, dat het hart er mij van overliep. Die edelmoedige olifant! Kon hij mij nobeler behandeld hebben?
Ik ben dan ook van top tot teen enkel verrassing en genoegen, enkel erkentenis en dankbaarheid. En dat te meer, omdat de vriendschap tusschen den olifant en mij, door dit klein geschenk ontstaan, sedert even bestendig heeft voortgeduurd en nu reeds de proef van bijkans het derde eener eeuw gelukkig heeft doorgestaan.