Waarheid en droomen

Part 16

Chapter 163,875 wordsPublic domain

Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning terugkeerende niets te vragen heeft, dan: Judith! is mijn kamer in orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later sta ik voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn speelpopjes, mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite van mijn dagelijkschen arbeid beloonen. Die moeten door hun gesnap mij den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het mislukt hun wel eens. Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand waaraan het geopend boek ontzonken is onder het hoofd, en in diep gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos de handen naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn maar enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen heb ik mij over mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen. Veeleer heeft zij alle reden van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een boekvertrek is—nooit dringen er dartele gasten binnen, om van mijn folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijn duodecimo’s beschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen, dat er onder het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij staat, die met een zachte hand mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen zoo licht een geheele stoornis in de lektuur veroorzaakt.—Neen, als ik eens haar drempel ben overgetreden, sum totus in illo. Dan ben ik enkel boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin zij mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een Bibliothekaris geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester hebben kan, dan mij.

Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor liefde. Ik zou vruchteloos beproeven u een denkbeeld te geven van het genoegen, dat ik haar te danken heb.

Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn reispak aan te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon met driekleurige sjerp, fluweelen kalotje en saaietten pantoffels, door de hand van Editha gewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een hooge stoel met breeden rug, lage zitting en bekleede armen. Na mij alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het teeken van vertrek.... het boek valt open.... en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom ik dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De zevenmijlslaarzen uit de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien iemand tegen mij zou kunnen reizen, moesten het de heksen van den Bloksberg op haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo doe! De hoogste hoogte van den Montblanc wordt door mij betreden, tot in de diepste laagte van den Vesuvius daal ik af; nu wasch ik mijn handen op den Chimboraço in de wolken, dan zoek ik in een duikersklok op den bodem der zee de schatten, waarvan de Peri’s zingen. Nu nader ik tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” dan zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren wordt; nu zie ik de aarde à vol d’oiseau, dan à vue de taupe. Vreemde en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel met den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op arenden en klipgeiten, ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer aloë’s en kokosnoten, en antiquariseer pyramides en andere kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien van mijn reisgenooten, zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzen Van Braam in de audiëntiezaal van den Keizer van China; Lamartine opent mij den toegang tot de Koningin van Palmyra; Byron leidt mij in bij Ali van Janina; zelfs ontsluit Lady Montague mij den harem des Sultans. En dat alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze zon der Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de Noordpool mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er kalm onder. Ik ben getuige van de vreeselijkste stormen, hoor de verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste dampen in, drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten aard-oven, zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk! Er bestaat tusschen mij en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van sympathie. Ik zou haar willen vergelijken met die van Meleager voor zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit onderscheid, dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan een pleizierige warmte veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen dreigen te verscheuren, kittelen de mijne op een aangename wijze; de angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken het mijne een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoete voluptas tragica gedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed doen.

Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij is en haar bewoners zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een aarde zoo als er geen is, en bewoners zooals er niet zijn. In haar schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met een tooverslag uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst. Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te verschalken; de Gelukkige Vallei is voor haar niet verborgen; de hal van Eblis weigert haar geen toegang; het eiland van Prospero daagt voor haar uit de zee; het paleis van Mahomed ontsluit zijn gouden poorten; de Cherub van Eden draagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de Engelen ontzeggen haar niet een enkelen blik in hun zalige verblijven te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde wel schoon en goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel van Gods almacht en liefde: de vrome Camphuijzen heeft gelijk:

Och, waren alle menschen wijs, En deden daarbij wel, Deze aarde ware een paradijs.

Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder reikt dan zijn oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter schepping te verplaatsen, waarvan het onvolmaakte der oude aarde is afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in een zuiverder aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een eeuwige lente over de winters der aarde te troosten. Toch is het een wellust voor iemand, wiens verwachting verder reikt dan zijn gezicht, zich de nieuwe aarde te droomen, „nederdalende uyt den hemel, als een bruyt die haren manne verciert is;” of als Mozes in verrukking de woning in de lucht te aanschouwen, die men later in wezen hoopt te zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt ontwaken, dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een luchtreis te geleiden. Gelukkig wie Dante en Tasso, Shakespeare en Moore, Vondel en Bilderdijk, Klopstock en Schiller kan oproepen, om hem op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie tot die hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart, door zijn ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie zich door hen moge laten omhoog voeren, als de schildpad door den arend in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef mij gaarne en gewillig aan hunne leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne droomen, ik smaak hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een heerlijk lustoord veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe gordijn visioenen verbergt, waarbij al wat er ooit schitterends van achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel is. Niemand zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om ten hemel op te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een aarde, die een verloren paradijs beweent en een herwonnen paradijs verwacht!

Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere gewesten, maar zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En welke menschen! Onder de wijssten, de edelsten, de grootsten, de welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen op een rij geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met mij te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun geest, den bloesem huns harten en het merg van hun vernuft te voeden. Gelukkige uren, die ik, onwaardige, in den kring dezer voortreffelijken doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling bieden zij mij aan! Nu is het mij, of ik mij op de markt van Athene bevinde, en de donders van Demosthenes tegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij onder het gehoor van Tullius over den schuldig-onschuldigen Ligarius; straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in het stof wentelende Hecuba; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik ontspan mij met de snakerijen van den groot sprekenden Thraso; elders wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch worstelperk omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die de kroon des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen, ik ben getuige van de onschuldige dartelheid van Nausikaä, de ondeugende schalkheid van Eunika, of sta als rechter over de zangen van Menalcas en Damoetas. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den klassieken bodem, om mij met mijn geest in later dagen te verplaatsen. Dan vergezel ik Dante op zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij door Racine in de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine verbeelding zich opende; dan dool ik aan de zijde van Schotland’s Meistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des dichters met een tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met bewondering in Göthe’s Ifigenia den geest van een jong leven in een beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan verrukken mij de heerlijke scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek over Hoofts luite heengebogen, de balsemluchten van Florence; dan hoor ik, aan Vondels lippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen kerstnacht klinken; dan roepen de zangen der Van Harens, als een droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij met Bilderdijk in den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ik Tollens onder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag mij dus niet, of ik tot eenige, en tot welke school ik behoore. Vergun mij geen school te kiezen, maar een eclecticus te blijven. Waar ik het schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden. In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die van 1815. Aristoteles verbroedert zich met Shakespeare, Socrates met Mirabeau, Horatius met Victor Hugo, Quinctilianus met Jean Paul. Kan het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook mij tot onpartijdigheid stemmen?

Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt, terwijl ik mij in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten verdiepe. O, het hart kan mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het met geen woorden beschrijven, wat ik gevoel, wanneer ik zoo dikwijls bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording uit mijn ziel gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart gelezen. Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker zie uitgesproken, dan ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij mij omgedragen, en beurtelings aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag bevestigd vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de droomen van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd, aanschouwelijker gemaald en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond van anderen het voor mij onuitsprekelijke hoor uitgesproken en alleen zeggen kan: Anch’ io!—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen dadelijke overeenkomst van gedachten tusschen mij en mijn Auteur bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de voeten dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun lippen op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen wellust vindt, grooter zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder spiegels, waarin het verheven-goddelijke en schoon-menschelijke helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het hemelsch-majestueuse en het aardsch-bevallige lichter en welluidender geroerd worden; zuiverder wierookvazen, die voor het eeuwig-heerlijke en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. O, wanneer ik alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft zich mijn geest bij de gedachte: „Wy syn Godts geslachte!” Hoe hoog klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van menschen-adel! Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een ander leven, maar het krijgt tevens voor mij als ware het een herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in moedeloosheid afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen daarvan reeds eenige trekken ontwaarde. Wanneer een Bossuet, zoo met recht de adelaar van Meaux genoemd, wiens arendsoog een blik op de ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig te worden, mij tot voor den troon des Eeuwigen voerde. Wanneer Fenelon, zoo treffend de zwaan van Kamerijk geheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden scheen gevonden te hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der hoogste liefde. Wanneer onze Chrysostomus, wiens naam eerbied op mijn lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd wordt, het aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn menschenkind voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn Aartsvaderlijke tafereelen mij in den Schepper van hemel en aarde den God, wat zeg ik, den Vriend van Abraham aanschouwen en beminnen deed. Wanneer een Klopstock in zijn Messias de verhevenheid van den Ziener van Patmos met den liefde-ademenden geest van den Zebedeus-zoon scheen te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch beeld ineensmolt. Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die menschen het hemelsche nader tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die zij predikten omtrent de onlosmakelijke verwantschap tusschen God en den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. In hunnen boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende gedachte!—bij den troon des Oneindigen eindigt!.... O, noem het overdrijving, noem het dweperij, zoo ge wilt, ik zal er niets anders op antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste eenmaal dat gevoel kennen moogt, als ik!

Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het menschelijke in hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, als door zulk een beschouwing het geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat daar buiten wel eens een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie dat er nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in wier bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier tranen nog vreemde smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen drogen kunnen. En waarom het ontkend, dat ik daarbij niet vrij van partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig schouderophalen Humoristen noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier van mijn hart die snaren het eerst en zuiverst klinken, die door hun vingers worden aangeslagen? O, Yorick! Yorick! hoe meesterlijk verstaat gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen en dalen, door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn; gij kent toch den weg door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uw rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik mij er aan, of hier en daar een enkel woord uw radde lippen ontvalt, dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? Juist dat uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is, met de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons omkeert en leêgstort, juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook niet om onze bewondering en vergoding; gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend met al uw grootere en kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij een heerlijk man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En het is voor mij altijd een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen is:

Kom, bij ’t vuur de koude ontweken,

Zal vriend Yorick voor ons preken.

Vriend Yorick! helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit door mij gezien of gekend! Een vriend—ik hoop het—later door mij te zien en te kennen! met zoo vele anderen, met wie mij hier reeds de gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte viel hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote geesten, die hier in het afgietsel hunner schriften voor mij vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar als levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw hemel en onder hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de aardsche menschen dikwijls reeds zoo wèl kan wezen!

Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast dragen dien naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene onder, die het niet beneden zich geacht hebben, Jonathan een nederig plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch iets eigenaardigs, het werk van een vriend te lezen of te genieten. Daarvoor gaat het hart nog geheel anders open dan voor de stem, die wij nooit levende hoorden. Bij het openen van hun schriften is het alsof zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof hun stem ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van bewondering dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O, het is zoo gelukkig, met de hand op een bladzijde, waarop een groot talent schittert of een schoon gevoel spreekt, te kunnen zeggen: Deze is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, wat Tollens in zijn heerlijken rouwzang op Borger zoo wèl uitdrukt:

Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten, Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd, En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten, Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd.

Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn Bibliotheek, en gij zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, dat ik ten uwen opzichte mijn naam niet verloochenen, maar voor u een Jonathan zijn zal, die zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en de kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw vriendschap, die mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig maken! uw genie staat u borg voor de mijne, mij bevele een liefhebbend harte aan!

En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek vermeerderd worden—ik durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven. Welnu?... Zullen de overige schrijvers, die ge bevat, mijn heeren en meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? Zullen zij mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring verstooten? Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn vermetelheid in de uitgave van dit boekske heb in te brengen, bij hen voor een verontschuldiging gelden zal. Er waren er, die meenden, dat de uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart kon vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas, dat ik aan die inblazing gehoor gaf.... toch was het, geloof ik, geen ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven hierin vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn eenzaam leven niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als ik.... gewenscht had, daardoor toch nog eenig nut stichten mocht. Kan ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men wijs en billijk handelen met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen niet belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders uit.... lieve lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele bloemen, die gij daardoor zult gestrooid hebben op het anders niet al te bloemrijke pad van Jonathan!

OUDE VRIJSTERS.

Ik kan zeer galant zijn.

Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt om naar de gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een van die overjaarde petit-maitres ben, die van hun leeftijd een schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige onbeschaamdheid bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk een wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige haren weten te behoeden: of liever—want wie kan zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, of eenigen anderen trek van overeenkomst met Betsy had. En indien ik, door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat niet minder haar dan mijzelven vereerde.

Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer galant kan zijn.