Part 15
Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren onschuld weenen zou. Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is voor altijd weg; maar beween geen gestorvene, die weder kan worden opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret. In navolging van den Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op: Indien ghy u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in het Coninghryke der hemelen geensins ingaan.
Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo was ik uit de natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil weder worden. Het afgelegde gevoel van afhankelijkheid, de verloren eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid der onderwerping, de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving verkregen, moet mij bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving opgedaan, moet worden afgelegd. De wonderspreuk des Apostels moet aan mij worden vervuld: Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt!
Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen. Zij rouwen over hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij zitten er bij neder; zij vertreuren hun tijd en hun krachten; indien zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen! maar te vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken roepen een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet gehandeld, er moet geleden, er moet gestreden worden. Met het beeld eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid met het kind streven. O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar maakt; in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik altijd aan Luther, die, toen zijn kinderen eens onder elkander krakeelden en spoedig daarna zich weder verzoenden, zeide: Lieve Heere God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk leven en zulke spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden.
Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik zie, hoe het knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar vertellingen luistert, en, wanneer hem daarin iets ongeloofelijks treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is dat zoo, moê?” dan schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag was om te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders onwaarschijnlijk voorkwam, en ik vermane mij zelven: So wie het Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal hetzelve geensins ingaan.—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht van de smart, die hij zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in de armen vliegt en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het niet weêr doen!” dan voel ik mij vernederd door de gedachte, hoe dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen tegen mijn goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener ootmoedige belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die belofte: „Ik zal het niet weêr doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had durven bidden, zonder mij te hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor de geboete zonden te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen van hunne liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan bloze ik over mijn gedurige bekommeringen tegen den volgenden dag, en bestraf mijzelven, dat „ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille gehouden, ghelyck een gespeent kindt bij syne moeder!”—Eindelijk, wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld bevindt, zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin verkeerende als een witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik over mijn vatbaarheid voor alle besmetting, en neem mij voor „een kindt in de boosheydt” te worden.
Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij van Luther niet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken leeftijd had willen gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen, vader Luther, daarin kan ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten mogen, de taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen kinderkens op zich nemen, en het Christenkind tot een Christen vormen. Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen, dat het beter was, een leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij dunkt, boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet wezen. En zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om zulk een wensch te doen. Gij, die tegen het booze strijdende als een held, echter dien heldenmoed onder de karaktertrekken eens kinds verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der kinderen! Ook verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om het hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders wenschen zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan u van verre te volgen, en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik zou die daarvoor gaarne willen geven.
En spreek gij nu eens, kind-Jonathan! en zeg, hoe het met den man-Jonathan staat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen? Vindt gij allengskens in hem die trekken van nederigheid en liefde, van gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die u eigen waren? O, ik wilde, dat ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde. Neen, het is nog niet in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en dáár niet!—Ik schaam mij over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren; dan zal ik wel verder komen. Even als Garrick, die voor een portret staande, zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek, wil ik met het oog op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld met mij hebben, en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding voltooid is, hoop ik.
En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij biedt een liefelijken aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche sluier over het aardsche beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo weinig als ik u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts wedergeboren en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het lichaam wel volgen. Welk een vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw lichaam! Beide, als de phenix, uit haar asch herboren; beide met onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou ik u eens in beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.... Maar foei! ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te wachten!
DE BIBLIOTHEEK.
** graden Fahrenheit—dat is de rechte hoogte!
Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen.
Ik ben.... ik durf het haast niet zeggen.... ik bid u, als gij in een kwade luim zijt, lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een tegenzin tegen mij inboezemen. Maar, als gij eens in een buitengewoon vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt kunnen hooren zonder boos te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, sla dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der vreemdste vergissing, waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte.
Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur!
Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn physiologische zwakheid een psychologischen draai te geven. Ik spreek niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. Ik bedoel vuur in den eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom vuur, zoo als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik zou zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door de ontbranding van hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen wordt voortgebracht.
Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven zulk een zinnelijke gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen heeten, sedert het geen elementen meer zijn) weten te verheffen. Men moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los te maken. Men moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag legt, die zich aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst, daardoor verwekt, met sneeuw van den St. Bernard verslaat. UEd. en zeer Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû of warmte te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste menschelijke privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te zijn, en den contrôleur onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons bevinden, te regelen. Maar UEd. en zeerGel. is Philosophiae Doctor, en ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe geroepen, een impermeable van ongevoeligheid om mijn gevoelige leden te slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik heb een natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor betaald, zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij den regisseur van het groote wereldtooneel voor het karakter van overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, eer ik dat engagement breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dan sybariet zijn, en tegen een gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist, zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. een Philosophiae Doctor is.
Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur, of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men van de zon der fireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt van onze bleeke dagmaan [3] plaats, met het gevoel van een wrange October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt, dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! ik ben hier een exotische plant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen, waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op aarde te komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.
In den winter—
Dan zomert het binnen bij beukstam en veen,
zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan ieder zijn eigen Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn gestarnte rollen als hij verkiest. Dan wordt men door geen tyrannieke wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, zijn corpus altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren (kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd! Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in den dierenriem noch niet dol van hitte, en de kreeft noch niet rood gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met mijn thermometer mijn eigen zodiac, en schep naar verkiezing een Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.
Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn redelijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt, kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles bedriegelijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. Verkwisting put hem niet uit, want al heeft hij den vorigen dag stapels hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die een zeer warm uiteinde hebben.
Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de mogelijke gevolgen van zulk een hartstocht nog een oogenblik op te schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek dat mij van dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook heb ik daartoe geen verzoeking. Want ik bid u instantelijk, mijn vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees voor koude, die sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van hen” een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat spiert de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het metaal de minerale wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de lucht doet; dat verhardt den mensch met den grond, waarop hij gaat. Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden winterdag, wanneer u van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” En een schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel tintelen, als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wij pariëren, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal aantreffen? Gij gevoelt dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken vriend of armen buurman onbezocht zal laten. Herinner u mijn St. Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen de Koning zijn trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen, verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten, zonder omzien, en trok met een warm hart den vijandelijken winter tegen. En ofschoon de Novembermaand van 1830 al een zeer barre maand was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik geen oogenblik om mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie spot, u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn vrienden! die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels aan de sparren hingen, die ons verwarmden, en de soep aan den rand van den emmer bevroor, waaruit wij het maal onzes bescheidenen deels moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht werden, op den omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons Laplandsch verblijf beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier met name zou kunnen noemen, herinnert zich uit dien nacht iets van een wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer niet recht in de verkleumde armen droeg?
Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t voorbijgaan eens prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet toch ook weten, dat ik, met al mijn overgevoelige theoriën, een praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven, Mijneheeren! is de aanhaling in casu van toepassing, daar er mijn kliënt ten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard of vertroeteld wittebroodskind te worden gehouden.
Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen. Maar ik kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en dank gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in zulk een aangename stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan wederstaan, een schoon velletje papier en een nieuw versneden pen te nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht te geven. Besteedt menig Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van de Muze, die hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is. Calescimus illo! En indien gij een menschlievend mensch zijt, die gaarne in eens anders vreugde deelt, dan moet het u goed doen, zoo dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming van een tevreden en dankbaar hart te vinden.
En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangename comfortable kamer. Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige oogenblikken, die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn boezem spint als de poes, die op de warme kruk? bij het vuur ligt. Editha en Judith blijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder, zoo als wel eens gebeurt, als onrustige kometen door het huis te zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en op den hemel van de koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht naar de komedie te brengen, waar voor de zevende maal Raton door Bertram bij den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen worden. Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten, als anderen zich de moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling te dragen. Mijn kachel—doch daarvan heb ik reeds gesproken. Maar waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek!
Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de reden veel gemakkelijker te vinden is, dan lucus a non lucendo. Reeds als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte hoes te loeren, die de causa movens der marionetten voor mij verborg. Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige verbeiding voor het doek, waarop der kunsten God aan ’t Y, veel te lang voor mijn ongeduld, verdiensten en deugd alleen bekroonde. Als jongeling hadden weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende omtrekken op een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige aantrekkelijkheid. Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting op eenig voorhangsel, dan op het dikke groene kleed, dat ginds mijn boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld scheidt. En toch, nooit vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men er u voor waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te vertrouwen. Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of de ijdelheid over de nietigheid der aardsche dingen spreidt. Althans sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, den prijs beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit genomen, voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met het ontdekte en bekende te behelpen. Maar dit moet ik tot eere van mijn Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. Achter haar nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik haar ook immer opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening vallen, als ik den Auteur, dien ik aan haar schaduw onttrokken had, weêr aan haar bescherming toevertrouwde. Ja, mijn eenvoudige voorhang! Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten en droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der wetenschap, tot het Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt als een wolk het Elysium, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen toespreken!
Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook zóóveel voor mij!
„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn de ruime wereld door te trekken met even weinig deelneming, als een vogel door de lucht vliegt, of als Mr. Sharp in zijn reiskoets Italië doorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in hunne studeerkamer, in eene maatschappij van boeken, en de macht verleend om rondom zich een papieren wereld te scheppen, waarvan zij de onafhankelijkste wetgevers zijn.”
Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven, dat mijn kleine boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn leven vervult.
Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis komen, komen op dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter beschreven:
Goeden avond, hartig wijf, Mijn geluk en lust! Dat mij vurig prangt aan ’t lijf, En mij welkom kust. Goeden avond!— Eerst nu ’t wiegkleed opgedekt Van het speelziek wicht, Dat de handjes tot mij strekt, Reeds met de oogjes digt. Eerst mijn kussen omgedeeld. Tusschen al mijn kroost, Dat mij hand en wangen streelt, En mij kust en koost.