Waarheid en droomen

Part 14

Chapter 144,106 wordsPublic domain

Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De hemel beware ons! Wat zou er van zulke vertroetelingen worden? Ellendige kasplantjes, die geen tiende van hun natuurlijken groei en sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige bloesems en niet een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat wij mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen zouden blijven. Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van daan en in de open lucht kunnen, dan is het ook niet meer dan billijk, dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen. Wordt het ons daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten vergoeding, aan de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht hebben gedragen, indien zij ons voor geen twintig jaren strijdens hebben voorbereid!

Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te wekken. En dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij drukt, verlies ik mij in de herinnering van het genoegen, dat ik gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, mij in de eerste vaag des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan zijn, indien dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid gevallen ware: dan denk ik, hoe ver de rampen des mans er van af zijn tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd op te wegen; en onder deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht in den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost zich met het lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de dankbare uitboezeming: Ja, ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze man! Was ik die knaap niet geweest, ik ware deze man niet geworden; en was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap niet geweest zijn.

En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn onkunde en onbewustheid van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende of zij altijd beneden hem, en den hemel, of hij altijd boven hem zou blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen er van hem worden moet: een kind van God, een blinde voor de wereld, een doode voor de zonde, een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels op aarde, en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in die gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het wordt mij duidelijk, dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid moet worden, een school van werkzame oefening en strenge tucht moet zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, dat dat kind dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog verliezen moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor het portret tredende, zich zelven niet meer herkent en er hem ongelukkig om rekenen zou, indien het anders ware.

Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in mijn lot kan ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik mij overstelpt van dankbaarheid bij de gedachte aan zoo vele leidingen Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren van immer geheel uit den staat des kinds uit te vallen. Al denk ik alleen aan de lieve moeder, van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit werd die naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde door een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner kindsheid was, die van haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn peluw maakte; die mij ’s avonds met haar liederen in slaap zong, en mij ’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; wier bijzijn in den vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. Maar veel meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de beschermengel van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer borsten, ook met de melk haars harten, met al wat er ooit zachtst, mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde zij mij op. Zoo boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen omvat, dan mijn armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als van mijn geboorte dien geest van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo gelukkig, als de moeder begint met het geheele hart des kinds in te nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich anders al spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der liefde in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op, slaat haar vezels in zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet zij zich uit naarmate de borst ruimer wordt, en ofschoon het opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft in het hart geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij leert spelende, wat de eerste plichten zijn zullen; hij neemt als een lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt door de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die nu nu den boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een ruimeren kring te omvatten, zooals het klimop, dat begint met zich om de scheut te slingeren, zich later van zelve met den zich uitzettenden stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter, of ik had mijn moeder lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik later gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar dat haar liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming voor den Christen gediend had, toen zag ik eerst recht in, welk een geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde voor mij geweest is!

Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te gedenken heeft, zal er mij niet hard over vallen.

Toen de doos van Pandora openging, stroomden daaruit allerlei rampen, maar de hoop bleef op den bodem liggen. Toen het hart der menschen zich voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het menschelijk hart, maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel hangt er van af, hoe het behandeld wordt?

Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen zingen te krijgen is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat men niet weet, hoe hem tot stilte te brengen. Daar is het een lijster, die alleen helder fluit, als het slecht weêr is. Daar is het een kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht zit te krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als voor Petrus, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het een nachtegaal, welken men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in het donker komt, en wiens gezang den nacht vervroolijkt.

Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel. Oorspronkelijk behooren alle species er van tot het nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet dus van hoeveel belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw nachtegaal een uil maakt.

Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij liet het niet enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp het een weinig op den weg, zoo als men de kanaries met een kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet. Van daar verhief het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het ’s avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het een aard had.

Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden gevallen zijn, indien men, even als mijn moeder, hun geweten meer als een afzonderlijke faculteit van de ziel had aangemerkt, die mede kon en moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind een vreemde taal minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de stem in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was, nam mijn moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij ongeruster, dan dat het zijn natuurlijke teederheid verliezen zou. Wetende dat het, als een speeltuig, helderder klinkt, naarmate het reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn zuiverheid te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende zij mij, de zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen reeds een vastheid en sterkte van stem gekregen, die maakte dat ik het niet licht meer van de wijs had kunnen brengen, al had ik gewild.

En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht bleef. Dikwijls was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij van het kwade terug te houden, dan toch om mij tot het goede aan te sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve. Dit was vooral dan het geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop had geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te streng; althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om de hand ter verzoening te reiken. Dit ging veel beter door hare tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord, veel zachter dan mijn conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij was zoo liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen vergiffenis! Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem, en nooit werden zij eerder afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik wist te heiligen door, naar Borgers uitdrukking, den boetvaardige op te beuren, maar op te beuren tot God in den hemel; hoe zij, als ze mij vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij aldus van de weekheid mijns harten gebruik maakte om er het teeken des kruises dieper in te drukken! O, gij kleine knaap, indien de zonde van dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel heeft kunnen wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten, dank er haar voor, die het eens onder de vonte hief!

Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit gehoorzaamheid aan een maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met de inschrijving des jonggeborenen op de registers van den Burgerlijken stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart boog zich op de vrage of zij beloofde, „dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn, in de voorseyde leer na haer vermogen te onderwijsen.” Aan niemand stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle zegeningen, waarmede God de wieg eens kinds omringen kan, geen grootere, dan een vrome moeder. Moeders zijn de ware kinder-apostelen! Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het hart van haar kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken knaap werkt het gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den boventoon voert, veel sterker en gelukkiger, dan het meer verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging des mans uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld van den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst, welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle Christusbeelden hetzelfde karakter van grootheid en liefderijkheid ademen. Maar zooals evenwel de Christus van Rafael hemelscher is, dan de Hemelsche op de tafereelen van Correggio of Da Vinci, vond ik den Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—gezien, nooit stond hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed aanschouwen. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den Eenige van die van anderen. Men kon zien, dat haar hart het penseel bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: Die niet lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is als het orgaan, waardoor men God leert kennen en aanschouwen!—bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart kan gezegd worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar geheugen, maar veeleer kwam zijn beeld allengskens, als een hostie uit haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn. Van daar dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik, onuitwischbaar!

Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven. Allen verwachten wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien ieder het denkbeeld dat hij van zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden voorgehad dezelfde plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die van anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch en zinnelijk, gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij geen hemel voor menschen blijft. De hemel van mijn moeder was eerst recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding heerlijks, wat haar vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond zich in de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand, die hem van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem voor het oog verborg! Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als voor haar oog aan den gezichteinder, liefelijk en harmonisch ineen. En dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet gij, ik heb allen eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde van het het hemelsch Jeruzalem op den kansel gegeven. Maar wanneer ik hem daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie vestigen, zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van ingenomenheid of verlangen naar boven richt: hij vergeve het mij, dat daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen dan de vinger, dien hij telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat ik van het tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel anders ging het mij onder het gehoor van dien vromen grijsaard, dien menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg herkennen zal, die nooit van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo vroolijke verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest aardschgezinde er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal eener hoogere vervoering verlicht, zag men als het ware den hemel weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de lofzang der Engelen, waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te zweven!—Evenzoo ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is waar, zij kende geen enkel dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid, en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers niets dan een onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar ziet; dat de hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in haar voorstelling van den aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets aanstekends, dat te gelijk overtuigde en meêvoerde! en ik vond in haar de spreuk van den vromen man, van wien ik straks sprak, bevestigd: dat een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid, dan het beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze lief, die hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen!

En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver zou vergeten hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot een hemelburger moest gevormd worden. Ook in dit opzicht kon mijn opvoeding in geen betere handen gevallen zijn. Niet dat ik hiermede aan de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader was ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer hart of godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd, niet gewenscht hebben, dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen ware overgelaten geweest. Hij was er te koud en te steng toe. Groote ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig vroeg uit het paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd, er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw. Hij bouwde zijn verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde, nooit op de drijvende wolken des hemels. Hij beschouwde het leven enkel van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks in zijn ziel sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat mijn vader zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn moeder in het vuur des gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een teêr hart als het mijne, wat ware er van mij geworden, als hij nu en dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich mijn geest verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot tijd als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het werkelijk leven als een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen zijn. Doch ook aan den anderen kant, hoe zou het mij gegaan zijn, indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien hij, in de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, als Don Quichot op de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond mijn witte vleugelen, evenals haar dat te lang is, had afgeknot, en mij zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd! Neen, dan ware ik zeker niet de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen maken. Hij zou gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling getreurd hebben. Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn moeder stond aan de andere zijde naast mij: zij was het, die met teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten waakte, en als een wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is, als men in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich verschuilen kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt, vreesde zij voor niets meer, dan dat dat toevluchtsoord, even als bij mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht. Daarom daalde zij met mij in het Elysium mijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker wel met het gevoel van een Cicerone, wien zijn wandeling verveelt, omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar evenwel, zij getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan mijnen hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd, dat gij, zonder misschien de grootheid van dit offer te gevoelen, er de waarde van erkennen zult. Althans ik erken die dankbaar. Daardoor toch is de invloed, die mijns vaders positieve richting van geest op mij uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden. Zij heeft de veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn staart, die driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif haar vleugels, die zij uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die zij onder ’t loopen zoo netjes langs haar lijf plooit, dat niemand ze merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het hoofd te schudden of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven zet, is het een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als dit artikel af is, en gij zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op twee beenen hebt zien loopen, dan den vogel zonder veêren, dien ge nu in de lucht ziet.

Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij niet ten kwade duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn portret te scheiden.

Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief, onnoozel kinderkopje; te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal, dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft, het dit geweest is. Neen, lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet. Zooals ik u daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is; men kan het aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande roos, zien, dat er nog nooit een bijtende traan van boete langs is gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog, dat het zich tot nu toe nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid ligt als een ongerept waas over het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af, en slaan een blik in den spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit kind geworden! Als een vergiftigende adem heeft de zonde zijn voorkomen verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een effen stroom beroert, zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare voorhoofd in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die hem hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal verloren en lichten nu met het beneveld schijnsel van het lemmet eener lamp, waarin de olie troebel geworden is. Gelijk men in Arabië op het eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengende simoun gewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is de zonde langs gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met purper van schaamte kleurt, en mijn hoofd als een geknakte bieze op den schouder doet zinken.

En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was het daarom, dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam woonde, als helder water in even helder kristal;

Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde, Gepaard in dubble maagdlijkheid.

En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij en de wereld plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het daarom, dat er zoo veel zorg besteed werd om mij tegen de besmetting des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan de mij geschonken voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag aan u begaan! Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uwe onnoozelheid, die zoo teêr, zoo zacht, zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust van menschen en engelen was! Maar hem kon zij niet bewegen! Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide, hoe zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar langzaam, zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar toch zoo zeker, dat zij nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam rust als een doode in het graf. Kind, lach mij zoo niet aan!

Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken met het lot van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op de aarde bezoedeld, zinkt dan weg in den grond, en vergaat zoo geheel.... ten zij, ten zij! het zonlicht enkele heldere droppels uit het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden wij slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond. Maar het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een enkelen klaren drop, dien het ten hemel opneemt.

Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden worden.