Waarheid en droomen

Part 13

Chapter 134,066 wordsPublic domain

Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar buit in den bek over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt, waar zij in vrede haar roof genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom. Vroeger schaakten de minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van, of zij ze nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over kop, als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den huwelijksweg ziet ophollen, zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk „met goedkeuring van wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde van menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten adem te loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk een schat is, door den Draak van den Drachenfelz of den Berggeest van het Zevengebergte bewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen, dan of het een gouden kleinood ware, dat, even als in de kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard verborgen ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O, ik weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander voor het eerst geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar gij zult mij toch vergunnen het er voor te houden, dat er voor dat geluk een beter tooneel is, dan een reiskales op den straatweg. „Zoo zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet waar ik ben!”—„Halfweg! hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van ... hots hots—(hier is het gelukkige paar op een opgebroken straatweg,) van zaligheid ... hots-hots ... druk ik in u ... hots-hots ... aan mijn ... hots-hots ... hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder het stralend licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een geluk te genieten, dat, zoo het een waarachtig geluk zijn zal, een stil geluk zal moeten wezen?

En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te maken, van den kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een stem tegen blijven verheffen. Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen in zijn vreugde te laten deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader zou geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een verrukking hun moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid zou geschept hebben? Weten ze dan niet, welk een aangenaam, vroolijk hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart het gezicht van een gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen zij ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven ja zelfs toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en liefelijk naar buiten! het is het openspringen van den knop des genots, waarvan zij ons het gezicht ontrooven. Zie, hoe treurig wij achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek verdwenen, het geluid van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.... wij keeren naar binnen terug. Hoe treurig is het daar! Zijn dat zoete vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen biggelen? Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de lippen speelt? Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de droefheid des vaarwels.—En wij allen—wat staan wij vreemd en stijf tegenover elkander! Overal missen wij de bruid. Sedert zij vertrokken is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden schreeuwt nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar uitgestrooid, springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot zitten. Het is nu toch een feest; men moet het vieren. Nu ja, men viert het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men eet, men drinkt, men praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs over. Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde vluchtelingen. Men staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den reiswagen, dan men achter de tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu zijn ze daar!—Nu zullen zij er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig vieren van het blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg, dat het kwalijk van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te bederven!

Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de Geboorteberichten, waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij heb.

Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de woorden uit, die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen beseffen, dat daarin is uitgedrukt? Zoo iemand, zeker alleen een vader of moeder zelve, Jonathan niet. Maar toch heb ik gevoel voor het gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het mij wilt toestaan, vaders en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik weet niet wat het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven, zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in eens anders polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des Volzaligen, die genoemd wordt: Alvader! Maar ik kan toch bevroeden, wat het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan men met het geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van uw schoot te zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis vervroolijkt; dat aan uw verouderend hart een jonge liefde, en aan uw stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend doet gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is: Volzalige, zaligmaker! Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de uitstorting des vaderlijken gevoels in de ure des vaderzegens leze. En wie zou ook koel kunnen blijven bij de gedachte aan zoo vele gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben? Of spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen der dankbaarheid aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een vader, die zijn zoon Godgeschenk noemt, want, voegt hij er bij, ik heb hem van den Heer gekregen.—Daar is het een ander die terstond van zijn dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden: Och dat Ismael mochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander, die, in de vreugde zijns harten, van zijn vreugde een altaar der getuigenis maakt om in de volgende donkere dagen ter bemoediging aan te zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid ademen, welke het hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft:

Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn lieven zoon Johannes, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik weder af te staan.

Met het terstond daarop volgende:

Hier ben ick!

van Abraham.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die zijn kind duur heeft moeten koopen,—al te duur, zegt Borger,—en den Zoon der smarte, Ben-Oni, met den Aartsvader Ben-Jamin noemt: Zoon der rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent, dien ge bij mijn naam vindt: Beter is de dagh des doods, dan de dagh dat yemand geboren wordt.—O, het zijn slechts korte woorden, die ge hier aantreft, maar woorden vol zin en beteekenis, die een geheel karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar is wat men zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn, waaruit men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte opschriften uit de gewichtigste uren des levens even als zoovele familieportretten van de verschillende leden des geslachts, schoon in die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en dezelfde leus voerende: Soli deo gloria.

En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De naamgeving krijgt er eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor uitkomen, dat het mij aan het hart gaat, dat zulk een treffend gebruik tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad, dat deden de Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze bovenal verplichten wilden. Zoo was het met Petrus: Ghy zyt Simon, ghy sult genaemt worden Cephas!—Vergat gij het, Simon, in den nacht, toen de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan dacht gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw arduinen moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun gegeven

Een stem der leeringe, en een woord Van wijsheid, op hun pad gehoord, En nooit verachtloosd of vergeten; Een andere inspraak van ’t geweten, Een licht dat voor hun voeten gloort.

Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter, wanneer hij zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam beteekent? En toch hebben de meeste van onze namen zulke schoone beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens door geliefde Heiligen gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alle Johannessen den plicht inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen, wiens naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alle Maria’s dien stillen, vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien naam verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijn Jonathans-naam een Jonathans-hart zoeken te geven; en indien het haar niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen aan mijn wederstrevigheid. Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen en verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij lacht, als uw knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en gij zelf, gij misvormt den schoonen zinrijken naam van uw eigen kind tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onze Abrahams en Rebecca’s, onze Johannessen en Magdalena’s, onze Petrussen en Maria’s? Ik herken u niet in onze Brammetjes en Pietjes, Jantjes en Mietjes.

Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison, D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.

In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen uitvaren:

Neen, dien achtbren naam mij nooit Tot een beuzelklank verplooid!

Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk kon mijn moeder mij toeroepen: Jonathan! Jonathan!—er lag een diepe zin van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld, dat zij mij vermaand hadde: Joontje! Joontje! of Tannetje! Tannetje! zeker ik geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar niet aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont, dat men er nog iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken doop zijn Christelijken naam gaf.

Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het geslacht te blijven, welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval zal zijn. Gij hadt nog met menigen telg uit onzen stam kunnen vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man, die voor u staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij uitsterven. Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op uwe bladen doet vergieten? ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige rust. Nog één naam—gij zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles is voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in te vullen. Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd:

Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt!

HET PORTRET.

Ja, ik ben ook geportretteerd.

Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig schilderstuk van Hodges of Kruseman te denken. Van waar zou mij zulk een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone kunst met mijn onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus volstrekt niet aan de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding van mijn wezen na te laten. Hierbij komt, dat ik te veel eerbied voor de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen. Als ik mijn hoofd ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie, zie ik wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou ik, horzel in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij gaan, zonder in beeltenis te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik ’s zomers buiten wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het spiegelend water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere gestalte zie terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste zulk een voorkomen als de liefhebbers van de schilderkunst, per euphemismum, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de wereld zou ik mij laten uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien, om na vijfentwintig jaren op den catalogus van hun kabinet voor te komen onder de vereerende rubriek:

No. 98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden schilder des onbekenden.

Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eens in effigie op een boelhuis te worden geveild:

No. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg er dan deze Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t behangsel gebruikt te worden.

Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken weêrgalmen zal, en wiens eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden dan door mijn eigen doodzweet, moet het er voor houden, dat de menschen genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn dood toe zijn gezicht verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t origineel, naar de kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, laat hem zijn beeldtenis in ieder vertrek aan den wand hangen. Mij dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in het graf verwarmen. Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze respective artikelen bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn beeld meê in ’t graf, dan aldus zichzelven te overleven.

Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te zeggen, men heeft het voor mij gedaan.

Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij ons kwam, die aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. Geen van beide gevoelde hiertoe lust, maar in plaats daarvan, wist mijn moeder aan vader de vergunning af te vleien, dat de man mijn konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der lieve vrouw, tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam het in mijn bezit, en nu heeft het zijn vaste plaats aan den muur tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat ik niet op kan zien, zonder dat mijn oog er op valt.

Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan doen: het is een lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam, dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn. Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; er ligt zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk een „blijde vonk van kindervreugd en geest” in de lachende oogen; er schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes op de beide wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie het nooit, of ik denk aan mijn vriend Elia: „Ik stem alles, wat gij ten laste van den man Elia opsomt, toe; maar het kind Elia, dat ander IK daar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen liefhebben.”

Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig verleden verplaatsen.

Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de herinneringen uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken kan. Nu en dan zijn er groote gapingen in, even als op een schilderij, waarop sommige plekken zijn uitgewischt. Maar daarentegen liggen ook andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het is of ik ze nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid als een hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij hieromtrent niet met Jean Paul vereenigen, als hij de genoegens van het kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes” noemt. Laat de blijdschap van den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft van de lachjes, waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak en leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder bijkans het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch geworden is en weet begint te krijgen van genoegen of smart, dan is kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan niet, het heeft geen genot, omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven wij er ons dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het lentewindje kust ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke zon ons streelt als de warme hand van een Odaliske, zoodat wij daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust, zeggen wij dan altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z. Z. W. is, en de zon op ** graden Fahrenheit staat. Of nemen wij de moeite van uit te rekenen: omdat de zon werkt op deze spier en de wind op die zenuw, en de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom word ik dit aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en bewusteloos toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als de bloemen en vlinders, onze tevredenheid uit door de aanraking van den koesterenden straal met een siddering van wellust te ontvangen, en den zoelen balsem van het koeltje met open mond in te drinken? Ik voor mij althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het genoegen den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou: Waarom gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genot veel heeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra men er aan raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te houden en van het genoegen tot mijzelven te zeggen: Ik ben er genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn.

Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé, Cornelis, en Willem, en Ferdinand, of wij pleizier hadden, wanneer wij, menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal onze grootte had, vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid van den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was, bij den u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen met onophoudelijk gevaar van het getal der drijvende blokken met één te vermeerderen! Of wij er vreugd van hadden, als, op onze kinderpartijtjes, de grappige Caspar met zijn tooverlantaren kwam en ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk: boe! boe! te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom den Burgerkapitein achter ons aan te slepen, en over de panden van zijn afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer wij toen reeds in dat geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe indruk niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek zoo vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij daar aan den schoot van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk was in allerlei grappige verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en beminnelijk mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen, en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel uit uw klein hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit vale bleek hièr dat kleurtje dáár vervangen heeft.

Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat misschien menig uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij somtijds recht bang was, en ik behoefte had mijn oog op iets vroolijks te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen het kind en den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen! dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachend mondje, welk een diepe groef heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, dat ik er ooit zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die aanblik met mijn ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, gelukkig kind? hebt gij niet met de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? hebt gij u niet moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en dat ieder zijn eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover beklaagt gij u dan! Twintig jaren, kinder- en knapen- en jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in het leed des mans een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos op den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het toeval overliet; als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even als het winterklokje dat uit de sneeuw opschiet, door barre winden en scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als de opwassende knaap zich, gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met één woord: als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen, dat ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de intrede des menschen in de wereld is alles door de zachte hand der liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, moederarmen koesteren het;

Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol; Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide.

Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal mat gemaakt; dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden tocht en onder de vallende sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en opgehouden. Dan worden alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder plek tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere volwassene buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de doorn van iederen stengel gebroken, de honing uit iedere bloem vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt. Dan slingeren de menschen hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het een Eden af te perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt.