Part 12
Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de teekenen van verjaarde grootheid te spuwen, en over alle gekroonde helmen de roode muts te willen trekken. Mijn liefde voor antiquiteiten moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo ver, dat ik mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of daaraan ergeren zou: dat ik de asch mijner vaderen in het graf nog zou willen beschimpen, omdat zij niet in een familiekelder rust; en dat ik op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet dan hun eenvoudige naam op staat uitgebeiteld.
Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo trotsch, dat ik het niet met het geslacht van eenigen Baroen op de wereld zou willen ruilen: want mijn stamboom is van de edelste, die men zien kan!
Laat ik mij verklaren.
Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom. Ziedaar het sprekend wapen van mijn geslacht!
Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht was als erfelijk in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen, die de uitdrukking van geloof en vertrouwen op God tot de leus hunner vendelen en den stempel hunner munten maakten. Van dat de eerste, wiens naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister inwijdde met het opschrift: Soli deo gloria! totdat mijn vader den naam van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of hunne inschrijving op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte af aan, tot vereering des Bijbels heiligde. Gelijk sommige Edelen door hun adelbrief tot de verdediging van een klooster of gewijd gesticht verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat hun naam ontving. En was het vreemd, wanneer de moeders, even als Hanna, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen Bijbel legden en beloofden: Soo gy myner gedenckt ende uwer dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght een mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns levens;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de dienst van Hem werd opgevoed, van wien zij hem ontvangen hadden? Wanneer de vaders, even als Hamilcar, den jeugdigen knaap bij het outer des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den eed van onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en van een onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen legden; was het vreemd dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid gedachtig, leefde en stierf in het gevoel, dat hem reeds zoo vroeg was ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen, die veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed nederdalen? Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn bloed op den zoon overging, en daardoor een stam van edelen gevormd werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch te zijn.
Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn afkomst te roemen? en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door den Raad van adel erkend is? Ik kan het niet toegeven. Indien wij onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers, Hoogwelgeboren Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen zeggen: ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van een adelijken stam! Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader te zijn afgedaald, die door een aangestelden koning edel verklaard is, zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren, die door den Koning der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend wordt? Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken, die een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het dan niets beteekenen, of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn geslacht is weggedragen? Is het dan alles, zijn familienaam geboekt te zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten, dat de naam, dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die „het boeck des levens des lams” houdt! En wanneer men er zich bij de menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor mij om mijner vaderen wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en met Salomo alle dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit te beweren, moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt, is er dan niets dan het verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd jaren achterwaarts, tegen de even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens en bloeiens aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als zoodanig, zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de palm des Hemels boven den lauwer der aarde! de man, die met den voet aan de menschen en met het hoofd aan den Heer raakt! de Edele, die als gelijke de eene hand aan koningen, en de andere aan Engelen reikt! de gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de deugd alleen in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een slavenhart omdraagt; die van zijn wapenbord een dekschild van zijn schande maakt; die het kruis des Ridders van de schouderen scheurt om het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd, dat hij behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van zijn geslacht verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in weinig eeuwen zal hebben afgeleefd. O, wanneer alle graven zullen openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven met ridderwapens en graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen, nadat de volgende eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als zoo menige Edele vinden zal, dat de tijd zijn wapenschild gebroken, en het oordel zijn naam van de lijst der Edelen heeft uitgeschrapt; als zoo menige onedele zien zal, dat de eeuwigheid zijn naam bewaard, en de vergelding zijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens of des eeuwigen doods zal worden uitgesproken!
Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij, even zoo goed als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn vaderen in hun graf door de navolging hunner deugden te vereeren. En o! hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit blad opsla, en mijn oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend bij God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie, die mij opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is voorgesteld. Welk een achtbare kring van toeschouwers! Nooit streed de kampvechter in het Olympisch worstelperk, waar zich de bloem van Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare! En dan dat gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe blinken ze mij in de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat de krans der overwinning, die den Christenstrijder bij het bereiken van den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst op het hoofd geplaatst wordt, als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor het ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele namen te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle vertrouwen op de goedertierenheid des „Rechtveerdigen Rechters”, den lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer dan deze namen, met zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald, zou men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men zuiver ontving, en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een helderen waterspiegel, de ster te weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan den hemel blinkt?
Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo verslingerd schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die ongeregelde verbeelding! Eens voor altijd vraag ik er hierbij verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht, zou ik wel willen vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen overtuiging niet bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het is mijn spreuk: die niet hooren wil moet voelen. Dit in parenthesi, zoo als mijn Rector placht te zeggen.
Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem zoo gaarne in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag, die groote koperen sloten, hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs. Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel terstond kan aanzien, dat het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, dat ik met al die miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen, en gemakkelijk ook. Ik heb Engelsche diamond editions gezien, waarvan men er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen ze mij niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of UEd. met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters maar lezen kunnen. En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er niet op aan, al zijn in uw klein gezangboekje bij de meeste coupletten de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is voor mijn gevoel in die dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef mij—of men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als ik op den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar Gods huis zie opgaan met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die zij, even als een soldaat zijn geweer, fier tegen den linker boezem draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar Gods huis gaat, en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd. gaat bidden of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw vriendin Angelique gaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met uw flacon uit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den zondag gevierd had. Nog eens; ik weet wel, dat men den schat des Evangelies zoo wel in een schildpadden, als in een bordpapieren vat kan bewaren; ik weet wel, dat het Onze Vader, met calligraphische kunst op den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo wel het allervolmaaktste gebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met vingerlange Gothische letters, op het houten schild tegenover uw bank geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie, dat UEd. uw mantille over de agrafe haalt, die uw collier sluit, of uw versierde vingers in onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er tegen blijven morren, dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw nauwelijks zien kan.
Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er een vademecum van te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het, dat men nu ook den inhoud niet alleen gemakkelijker in de hand, maar ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen; dan mocht ik er vrede meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is het niet veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens gekrompen zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en omslachtig, onze voorouders schenen er niet tegen op te zien hem in het hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger zin dan de oude wijsgeer zeggen konden: Omnia mea mecum porto. Maar bij vele onzer tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé den tekst eens aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat kleine, kleine boekje niet eens den weg weten, maar in die korte paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd dat die Bibliola het symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van miniatuur-godsdienst, naar de mode dezer dagen verknipt en versneden, die men overal met zich kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja, waarvan men niets merken zou, als zij niet tusschen beide, bij het een of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn kwam. Maar foei, ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op mijn hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor te staan, meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen aan de dagen terug denk, toen slechts weinige vergankelijke bladen de woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze planken met den schat der wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar, dat ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een inperking van het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine Christenen, en van kleine Christenen tot een klein Christendom te besluiten!
Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen katheder, en heb mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het waar is, wat Bilderdijk zegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij zijn over die moeilijkheden heen te springen, door geen overgang in het geheel te maken.
Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei gewaarwordingen rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de geschiedenis van geheele geslachten in een klein bestek saamgevat. Wat er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der vermelding waardig. Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van de vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart door hen geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen, niet veel meer dan het bericht des ouden Geschiedschrijvers: Henoch dan wandelde met Godt, en Godt nam hem wech. Maar waarom meer? Voor hen, op wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige genoeg. Want dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof onder hunne zerken.
Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en geopend! Solo deo gloria staat met groote letters bovenaan. Daaronder vindt gij de woorden van Josua: Aengaende my en de myn huys, wy sullen den Heere dienen. Vervolgens zijn naam.
Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen. Welk een plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich daarbij zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze Bijbel komen zou. Zij zouden het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen aan den Heer had toegezegd. Aan hen was het nakomen dier verbintenis opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar der getuigenis wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf ontrusten, of door hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden. Hij had het zijne gedaan. Hij liet het overige aan hun verantwoording over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen reeds tot het kwade had uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte: Aengaende my ende myn huys, wy zullen den Heere dienen?
Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans geplaatst: in den Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke onderschriften, bij de namen zijner afstammelingen gevoegd, bewijzen dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome man kan met vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het aangezicht des Allerhoogsten scharen en op hen wijzen: Aangaande mij en mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen!
Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In vrede heen gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook aandoenlijk te bedenken, hoe veel smart er in deze woorden ligt opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop gevallen zijn! Mijn oude Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden van veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe menig verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben uitgekreten, terwijl de hand het woord des doods onder den naam van een geliefd kind schreef! hoe menige bedroefde wees zal de pen aan de vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad het bitterste oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot zal als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede hij hier de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een geliefd grafteeken, lauw van zuchten, en nat van tranen!
Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft uitgedrukt; want de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit hun leven een enkel woord uit hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik kalme berusting: De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft. Bij den anderen meer dan berusting, dankbare goedkeuring van Gods beschikking: Nu laat gij, Heere, uwen dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder diepe droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen. Bij anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u ghestorven ware, Absalon, myn sone, myn sone!
Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft deze Bijbel troost gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen, het was als het vluchten van een kind tot zijn moeder, om in haar boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel nam die wreede letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke borst op, om ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden. Niemand ging ledig van hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar zijn behoefte; voor den eenen viel dit, voor den anderen dat zijner bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest noodig was. Het was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat bedenk, valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord der vertroosting! Nu, dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En, ontvang mijn gelofte! als er kwade dagen komen, gij zult de eerste zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem. Ik zal tot u komen en u toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den zoon!
Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke berichten staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen! hoeveel zalige huwelijksvereenigingen! hoe veel van God afgebeden kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen!
Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom, zooals hij uit het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende bruid terstond naar dezen Bijbel voert, om haar in het familieregister op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met die wolk van ernst, half als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid; met dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met die mengeling van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met vingers tintelende van ongeduld schrijft de gelukkige man hun beider namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen. Zie, men kan het de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw, die hij alsnu plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft geplaatst. En nu, nu zie ik ze beide de kniën bij den Bijbel nederbuigen, en zich daar voornemen:
Niet waar? Wy zullen op ons pad Gedurig samen nederknielen, En brengen ’t offer onzer zielen, Wien onze kindschheid vroeg aanbad; Wij zullen samen, alle dagen, Dat boek ontsluiten van den Heer, Ons laven aan zijn liefdeleer, En om zijn Hemelsch manna vragen. Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart, Die bittre tranen vergt of zuchten, Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten; En, met den Bijbel aan ons hart, Ten laatste ook den Dood niet duchten, Wiens prikkel weggenomen werd.
Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte van heden om zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op den loop te gaan. Foei, ik kan mij met die leelijke mode nog maar niet verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van het bruidspaar ineen gelegd, of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan de bruid de tijd gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over haar hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk huis verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens plechtig afscheid nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen vaarwel te zeggen.... Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar maagdelijk leger, waarvoor ze zoo dikwijls nederknielde, de kniën te buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid aan te bevelen.... Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster verlaten, en heeft hun nog zooveel te zeggen.... Komt gij haast?—Daar in de verte staan hare speelnooten, de vriendinnen harer jeugd, die zij nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.... Kom dan toch!—Alles achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de stem haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de liefde des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van de bestemming die haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet het gaarne; zij heeft den man, die haar opeischt, lief, liever dan de betrekkingen, die haar willen terughouden. Het is voor haar niet alleen een plicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en moeder te verlaten om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook verre af zijn recht te betwisten. Maar ik vraag alleen voor haar: is het vriendelijk, dat recht terstond zoo hard te doen gelden?
En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf zeggen, dat het een ongelukkige gewoonte is!