Part 11
63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening courant wordt opgemaakt, de overbodige lading over boord geworpen en stichtelijke artikels ingenomen.
70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is.
Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamste nuances opgegeven, die toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen gedachte is verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het gaan, indien alles wel zal gaan. Zóó moet men, als de zon, achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen dierenriem doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn jongelingskracht in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het teeken van Weegschaal en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke vaardigheid leeren paren, om ten laatste, in het teeken van Kreeft en Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens een weg ten einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is opgestreefd.
Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil omkeeren; hij wordt voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor anderen. Er is een tijd van bloei, een tijd van dracht en een tijd van verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, zonder op malkaârs grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, en vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel en bruin. Zoo was het bij Rob. Hij was altijd gelijk met de verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er haast dit of dat komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke nablijver, die met zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten had; hij was een gezonde klant, die zoo precies op zijn tijd paste als de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn traagheid wel eens heeft moeten voortduwen: „Toe dan, Jonathan! maak voort, jongen! waar blijf je dan?” en dan kwam hij als een morele Don Antonio Magino met zijn weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer” of als een Tuinmans-Almanak: „heden deze of die vrucht!” en als die dan zoo spoedig niet uit den dop wou vallen, dan draaide hij mij een weinigje in de zon en was niet tevreden, eer ik mijn contingent geleverd had. Mijn goede Rob! Wie zal nu het oog over mij houden?
Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamd solide mensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven Grieksche wijzen liep, uit zijn tafelstoel les gaf over de differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen bal de nuttigheid van laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen. Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel degelijk, even als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd, een tijdperk van bloei aan dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik zet het u, van die vroegrijpe menschen een mensch te maken als mijn Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven zijn. Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het lijf wordt gescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen; telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het beeld uit zijn ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de lijnen gebogen. Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht als satijn! Dat is beeldhouwen! dat is menschen-formeren!
Wilt gij hooren wat er de Wijze van Bayreuth van zegt?
Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te velde doen trekken, hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch genoeg wordt ontzenuwd? Wat is al de winst, die de jongeling uit het vermijden van eenige mispassen en verkeerde inzagen trekt, gerekend tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder het heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één woord, zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen? Hoe kan zonder den idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen, of de wijnstok zonder den gloed der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk door de menschen verricht werd, al ware het ook in hun koude jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was voortgebracht. Of zaagt gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele leven door, bestuurd en geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit leidende wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat?
Touchez là, mon ami! Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het hooren van iemand, wiens wijsgeerige geest hem boven de verdenking verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes te loopen. Sterk door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedig tegen het kwaadwillig oog van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom, dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een Socratischen jeugdbederver houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob, die mede een vriend van u was. Hij had een ingeroesten haat tegen de gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van vóór vijftig jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet verder reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom niet, dat men juist tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met een natten neus naar de sterren keek. Zijn jongelings-geestdrift openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest van losheid en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn dartele buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de tooneelspeler in Shakespeare’s Midsummernights-dream, lantarensgewijze onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht in de Tooverfluit, die ze als pailletten op haar zwarte japon draagt. Maar in die scherts lag daarom niettemin het geloof aan een hoogere wereld en het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, die de groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die geheimzinnige lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis vinden moest....! maar ik zie er van af om er u eenig denkbeeld van te geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn uitvallen waren van die, die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen kan. Vraag er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg, dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn Zomernachts-droomen, onder den schertsenden toon waarin hij ze voordroeg, een diepe en verheven zin van heimwee en godvrucht, of, zoo als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest van zijn vroomheid uitdrukte, Godzaligheid! Het gebeurde somtijds, dat ik daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren kon, maar nooit, dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen! Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een hemelwandeling elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen, Rob!
Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog met baat en schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen, de goede Hemel beware mij! dat ware de paarden achter den wagen gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen kant, of ik met hoogmoed en medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en overvloeiend leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog zoo ontevreden niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas jongelingsgevoel onder doorloopt. Te droes, hoe zoudt gij lachen, als ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al niet voor den dag komen! Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een drom van engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle kostuum, met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een borduursel van sterren rondom den mantel! Welk een rommel van zangen, geuren, klanken, en wat verder zou worden te voorschijn gebracht! En toch schitterden er soms door dien verwarden hoop vonken van nuchter oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken, die ik nog niet terugneem.
Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden deed dekken: geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof der Christenen, die hun grafheuvels met een houten kruis versieren: geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets treffends in de gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze niet balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit verderf onverderfelijkheid scheppen zal.
Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan de aarde geeft, geeft helderheid aan den hemel.
Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons. Wij beginnen geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd verstrooid zijn.
Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn de aardsgezinden. Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband met iets rondom of boven zich; dat zijn de egoïsten. Voor anderen een landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; dat zijn de ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk een Bethel, door een ladder met den hemel verbonden; dat zijn de vromen.
Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren, en bedenkt niet, dat het slechts een gulden ader is, die door den zandgrond onzes levens loopt: het geluk is geen kleed, door anderen vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; het is een zijden huis, als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen.
Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met de bloem verplant wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij hier niet te huis behoort.
Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein Duimpje in de fabel, teruggaande, het spoor der uitgestrooide broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen blijven, even als de steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen.
De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een schoone onkunde, die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er de star te zoeken, die zijn tocht regelde; nu heeft men het kompas, met andere woorden, men heeft den hemel niet meer noodig.
Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen rechtop te plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de ladder telkens tegen den grond. „Jantje!” zei de vader, „gij moest dat laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden kunt?” en daarop ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van godsdienst de rede volkomen voldoende was.
Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór zich; de eerste ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even als Konstanstijn, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als een inboorling, die de taal des lands van kindsbeen af gesproken heeft tot een vreemde, die haar spraakkunstig heeft moeten aanleeren. Nu kan de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, maar de inboorling verstaat en spreekt haar toch beter.
Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen.
Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man.
De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het Scheppingsverhaal met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des dichters om haar geschapen zijn.
Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht.
De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de gewone mensch ziet ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er bij onderzoek nieuwe wereldstelsels in.
Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een bruiloftskleed.
Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart.
Sommige menschen schijnen geboren om gelukkig te wezen: ze zien slechts licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid op hen daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s avonds sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt.
Trouw is het geheugen van een beminnend hart.
De ware proefsteen der menschelijke deugd is de toetssteen, die zijn graf bedekt.
De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij neêrzijgt; de betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar zij valt, den grond verzilvert.
De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner bemoeiingen, doch wachte zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring. Maar daarom heeft dan ook zijn gezin een gewichtige taak te vervullen: van wege de goeden heeft het in last hem de liefde te bewijzen, die zij hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, hem de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze steun hem ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis!
Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen, maar die de aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt.
Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor anderen is hij de Helicon; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij de berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen.
Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden aard, kan ik thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig standpunt behoef te verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat, die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou durven brengen. Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo zat te doorbladeren, verheugde ik mij, dat ze, door de kiesche beschikking van Rob, in mijne, en niet in een anders handen geraakt waren.
En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de eenige is, die zulke brieven van mij ontvangen heeft. Wel, wel, dacht ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al mijn brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den kinderachtigen Jonathan lachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid voor een dwaas uit te maken. Wilt gij het gelooven? Dit denkbeeld greep mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond op een middel begon te denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. En waar vond ik dit eindelijk? In een Circulaire aan al de vrienden, die ik hier plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de oogen mogen komen.
(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!)
Mijnheer en Vriend!
Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd. mijn brieven van vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen. Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften als: Rekeningen, kwitantiën, brieven, enz. als UEd. in uw kantoor. Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien UEd. dus de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting, mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb met de meeste achting te zijn,
Mijnheer en vriend, UEd. gehoorzame Dienaar en Vriend Jonathan,
Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij zal het niet lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand al verstandiger en verstandiger zal worden, zoodat ik eindelijk op den stroom der wereldsche dingen zal drijven als een pluim, hop-hop, van boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal het toppunt van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom, moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan verwonderd opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigen Jonathan niet meer kennen.—Wat heb ik gezegd, Rob? Neen, de menigte moge van mij zeggen: „Wat is Mijnheer Jonathan veranderd! hij is nu de ordelijkste man, die men zien kan!—” maar voor u, mijn vriend, verander ik niet. Is het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande?
Geen antwoord!
Anders kreeg ik altijd antwoord.
Foei mij!... goed dat Robert het niet ziet. Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten,—luidt het zoo niet? Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week maken. Ik wil aan ’t werk. „Jongen,” zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de menschen toch dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van daan als zij kunnen. Wilt gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden gedaan krijgt. Vandaag klaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen accurater beurtman, dan de Snelheid, Kapitein Mors.—Welaan dan! aan ’t werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen: Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht:
„Mijn goede vriend Rob, hij is dood!”
DE STAMBOOM.
Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, dat Jonathan er ook een stamboom op nahoudt?
En hoe meent ge wel dat hij er uitziet?
Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en lijnen, waaraan de namen der respectieve leden van de familie zijn opgehangen, die, zich van boven naar beneden uitbreidende, het hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren?
Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald, waarop het aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het hert, en de sperwer zich met de duif verdraagt? Als ware het een voorspel van die gouden eeuw, door de profeten geschilderd:
Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel: De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel: De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten: Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten.
Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de Edelen achtereenvolgens op een rij staan geschaard, even als in een kabinet van Natuurlijke historie, mannetje en wijfje naast elkander, ieder op zijn plaats en in zijn orde?
In elk geval misgeraden!
Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen, zult gij in een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen standaard op drie voeten zien staan, met een schuins staand blad, waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met koperen sloten zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden.
Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het ook. Welnu, in dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door verschillende handen beschreven: dat zijn mijn familiepapieren!
Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan een simpele roturier. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn geslacht verdiend. Ik moet mij met den troost van alle laaggeborenen behelpen, dat ik in Adam, den algemeenen Stamvader der menschen, van den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik zou er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of Heidensch bloed gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche juk zijn doorgegaan of den Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij bij de tornooien tot degenen behoord hebben, die den hals braken, of die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten, of sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de schouders of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt. Kortom, ik weet er niets hoegenaamd van, en, als dit niet uit de lex non scripta der natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen, dat ik ooit verre voorvaders gehad had.
Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme, grooter dan van iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt onverschillig voor te wezen, welken naam men draagt. Het is wel zoo, dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen, op het steken van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen, of anders een remplaçant te geven: en even waar is het, dat een burgerman niets voelt van de groeven, waarmede het juk der Edelen den hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis van revolutionnaire kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet meer zoo helder en frisch willen worden, als zij voorheen waren. Maar dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet altijd begeerlijk zou zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te verbinden. Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo romanesk als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn wapenbord in tijden van groenende Riddereer en blozende Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid, nu alle hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat den boezem doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den naam, dien gij voert, als een kroon van eere drukte! In onze dagen van industriëlen wedstrijd en commerciële worsteling, is het nog iets schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer oude historie, op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn grootvader!—En waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan een poëtische speling, dat zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze opkomen, adelijke gevoelens op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans, die den naam der Dedels en Fagels onzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij gewassen is aan een edelen stam, die honderden jaren telt?