Part 10
Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste achterbuurten. Overal rust: geen enkel lichtje! geen schijn van feestviering! Zoo gaat het! het feest van St. Nicolaas is een feest der armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de deuren openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw van Saturnus behouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om brood! het wicht zag mij niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was in een oogenblik weg. In een andere hut zag ik een moeder, uitgeteerd van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind snerpte onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets klinkends op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van den wand. Een oud moedertje zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen; het gansche huis scheen verlaten: zeker was het overige gezin naar het feest gaan.... zien; zij was te suf om te hooren,—maar toen zij weêr naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien.
Ik keerde ledig op mijn kamer terug.
Lieve menschen! weet gij wel, wie Sint Nicolaas was? Het was een vrome Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met een gedachtenisfeest vereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik nog wel eenigszins anders wenschen. Mij dunkt, het ligt in de rede, dat men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid viert. Onthaalt uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie eens armen vermeerderd hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven. Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen zelve de rol van bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou het schoon zijn, als men in de wijken der armoede zou moeten denken, dat de goede Nicolaas onsterfelijk is!....
Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag!
HET LEGAAT.
Mijn arme vriend Rob, hij is dood!
De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen hebben, gelijk hij altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriend Hein! gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij dezen eerlijken, trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij zelden onder uw zeis. Mijn arme vriend Rob, hij is dood!
Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben van een gestolden traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke glimlach. Hij ging de wereld door als een vroolijk kind, schertsende en grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, was hij de vreugde van al de jongens. Als zij Rob maar zagen, begonnen zij reeds te lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem uithouden, maar schoof van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den gang was. Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet, dat hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin; ieder kreeg slaag van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij zwaaide! en een zwaard daarenboven, dat als een tooverstaf, de macht had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te maken. En toch, toen hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo was hij altijd. Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen. Ik ben zeker, dat hij zijn ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen gemaakt heeft. Arme Rob! Nu moet hij ze laten uitweenen.
O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten, werden wij vrienden. Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog zoo bleek en strak niet zag als nu, was ik toch lang geen blozende lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk aan mij zag, dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die grappenmakers, die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe treuriger hoe liever; des te meer eer was er aan te behalen. Of laat ik liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het eerst dezulken op te zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste behoefte hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van bestemming voor hem. Geen aanleg hebbende om te weenen met de weenenden, zocht hij weenenden met zich blij te maken. Daarbij ging hij evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan ieder rouwfloers bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een speelschen hond, die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil, Rob! stil jongen!” en dan was Rob zoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het was met een enkel woord van diep gevoel, zoo als men nooit van zijn dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? terwijl niemand mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, dan om Rob!
Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om hem gelachen. Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den arm; dan volgde de eene kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls, als ik thuis kwam, niet tot mijzelven kon komen; en toch was hij zoo zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap en jongeling neigde. Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders. Terwijl ik in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat hij, ofschoon even zoo goed gevangen als ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen als een kanarievogel. Met iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, sprong hij om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen naar den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een vergenoegd gezicht op. Men zegt van Rubbens (als ik wel heb), dat men nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij maakte er een menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor of, kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets uitgewischt te hebben. O, het is niet moeielijk, dissonnanten te overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op te lossen, dat is de kunst! en dat kon mijn vriend Rob.
Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij te zorgen had, bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit treurig; hij kon zijn droog brood met zulk een goede gratie eten, dat gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij een reeboutje kloof. „Vroolijkheid, jongen!” kon hij wel tegen mij zeggen, „is de beste kruiddoos.” Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud zou worden. Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder niet hulpeloos achter te laten. „Gij zult het wel zien,” zeide hij, „Rob loopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het hier de menschen veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in zijn gezicht uitlachen, of mijn naam is geen Rob!”
„Daar hebben we ’t al!” schreef hij onlangs. „Jonathan, ik lig er voor; de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders gaan. Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden presenteeren; dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet heeft.”
P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.”
Ik kwam. Daar lag hij, de arme Rob! bleek als de dood, en mager als een geraamte.
„Welkom!” juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet kwalijk, dat ik u zoo familiaar in mijn beendernegligé ontvang, mijn vleeschrok [2] is bij den snijder om te vermaken.” Zoo schertste hij voort met woorden vol diepen zin en aandoenlijken luim.
„Schrei zoo niet!” zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt mijn vleugels nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!” riep hij mij na, toen ik mij in stomme smart van zijn leger losrukte. „Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, hoor!”
Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn jongste oogenblikken zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest behouden. „Alles klaar!” was zijn laatste woord. Wat zullen er toen veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort zijn. Alas, poor Rob!
Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, dat Rob alleen voor zulk een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men troosteloozer dan bij den dood van hen, die ons het best hadden kunnen troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar woorden achter de hand. Maar nu hij dood is.... ik zal naar zijn graf gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon zelf op een graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,” placht hij te zeggen, „behoort een gezicht van Jean qui pleure et Jean qui rit. Voor ieder, die gaat en die blijft, de helft.” Ach, ik zal het nooit leeren.
Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem gemaakt. Het zijn de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden geschreven heb. Deze heeft hij in een groot pak gesloten, en zijn moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden.
Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten. Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft. Ziedaar Rob geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne. Hij sprak van den hemel, zooals een kind er van spreekt, als of het alleen een hoogere verdieping van onze tegenwoordige woning was. Hij had niets van sommige menschen, die nooit het woord dood of eeuwigheid in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, een hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun onderbuik te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een gelaat, dat men er bang van wordt. Niet aldus mijn vriend Rob. Midden in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een luimig-verheven wending geven, die u in het hart greep; maar in hetzelfde oogenblik was hij, als een eekhorentje, dat langs een hoogen boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om de beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte. Hij kon sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen liepen. Dat noemde hij zijn gymnastische oefeningen om langs zijn ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,” zei hij, „het geheele leven is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de prijzen: beneden staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één goede zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!”—Maar gij zijt er nu toch, goede Rob! en uw prijs zal niet van de minste wezen.
Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen vieren, dan door den ganschen dag aan het lezen van zijn Correspondentie te wijden. Ik rangschikte al de brieven, over en weêr geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele geschiedenis voor mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief als gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef, die anders zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te worden. De meeste menschen, aldus opgezet, zouden al een vrij wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het eene been het andere verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders bij Rob! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de kluiten gewassen, en droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of bedorven door ontijdige rijpheid of tragen groei, maar een geregelde en gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, van knaap tot jongeling, van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, even als een soldaat van verdienste bij de armée. Van daar was zijn gansche morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van een verknoeide teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het zwart-krijt, en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan met teekenen. Wat er stond, dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem schreide de dag van heden niet over den dag van gister, noch verzamelde dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf de hand aan den zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos jammer, dat de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen eer het was afgespeeld; er moesten nog zulke treffende passages komen. Mijn goede Rob! ik had u nog zoo gaarne eens als père noble gezien! en, indien ik het had mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt gij als grijskop gemaakt hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van jeugdige vroolijkheid om het rimpelig hoofd; met een vergenoegd lachje op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; met een schat van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een honingkorf! dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als bij zoo velen, zoete druiven in zure eek veranderd, maar uit de bloemen op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd hebben: Gij hadt altijd een afkeer van menschen wier ervaring het zure opschrift winazijnmakerij aan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben als een Epicurist zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral, Rob, ik had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den rouwmantel, dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen hangt, (oude menschen zijn ongequalificeerde noodigers ter begrafenis) moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek in de stukken van Kotzebue, met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken. Gij hadt mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te snijden, om die den Dood als een duivelbannend teeken voor te houden. Heracliet en Democriet—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste eindje van onzen weg gegaan zijn, en malkaâr zachtjes de grafhelling hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten zitten, met zoo hals over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er alleen voor; en of ik nu, met onzen vriend uit Bayreuth, den Dood al toeroep: „Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn braven Rob!” het baat niet.—Jongen Rob! dat is een leelijke streek van u, zoo maar zonder waarschuwen heen te gaan, en mij met den boel te laten zitten. Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie!
Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan hadt? Neen, in u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te laten; had het aan u gelegen, gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen om, als de laatste van allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op: en avant seul; en met onwillige kooten volgdet gij en danstet uw pas seul, terwijl gij ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe vriend, die ge zijt!
Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op het oog zou men het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn het in zekeren zin geen rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid betaald heeft? of liggen daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en begeerten, die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of dergelijke nota van maken?
Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt.
Een groote optica-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind.
Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt.
UEdelens zevenmijlslaarzen tot pantoffels versneden.
De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet.
UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt.
Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht.
Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten.
Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd.
Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft mij het gezicht van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij altijd een vroolijk uur, als ik in het begin van de maand Januari mijn physiologische schuldvorderingen, die koningen van verschrikking, zoo als Bellamy ze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg, en nu zeggen kan, dat ik ten minste van dezen kant mijn rekening met het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar deze psychologische kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop van verleden jaren aan de firma van publiek, mode, etiquette, kortom aan dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam aan. Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te zeggen, dat ik insolvent had willen blijven; maar zij hebben mij evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering niet zoo wel naar de nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier en daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en nu en dan viel mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom om liggen moet. Dat deed mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor alles den juisten tijd, en slaagde er in, zich er bijna geheel zonder schade door te redden. Had hij naar zijn berekening zijn uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk gezicht: „Komaan, jongens! de pan wacht!”—en in een oogenblik had hij ze den kop omgedraaid, en zat ze op te peuzelen zonder er iets van te weten. Ik daarentegen hield de mijnen over den tijd, zoodat ze taai werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze met tranen in het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad zwaarmoedig maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien, omdat hij te lang met een rond buis liep, eer iemand er om dacht, had hij er een paar panden aan gezet, die hem deftig over de kuiten hingen. Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, en kocht daarvoor wat nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met één woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te verkoopen. Rob, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te leeren.
En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het portret staat, dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn eigen brieven, die mij het portret van mijn zedelijk Ik voorhielden. Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet zien; hier zag ik mij niet in een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij de Daguerrotype, door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve niet is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven terug. Wonderlijk, wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen beeld te herkennen! het was goed, dat mijn eigen hand daarop het onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik het ruiterlijk voor een contrefaçon hebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het moest zoo zijn. Daar zag ik dan, even als in een bewegelijk panorama, mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met den bal slaan: den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten droomen; den jonkman aan de voeten van Betsy zitten en van de voeten van Betsy losscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven aanvangen, beurtelings overwonnen worden en overwinnen. En op ieder tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, één zelfde geliefde figuur weder: de figuur van Rob. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn snakerig gezicht stak overal door de een of andere opening: zijn stem klonk door alle zuchten en tranen heen:
Du courage! Du courage! Les amis sont toujours là!
De goede Rob! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar als ik nu zie, hoe hij onder alle omstandigheden met mij heeft omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid van ziel, die mij treft. Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld om mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te deelen. Het is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den slijkhoop naast mij zitten, om de tweede partij van mijn Ach! en Wee! te zingen. Maar hij viel er ook niet met een onbarmhartig Ai! en Foei! tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en zette het motief, dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om dacht, had hij het sleepende maestoso in een deftig moderato veranderd. Van waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van achteren beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel oordeel en levenswijsheid hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O, nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij voor mij geweest is; de natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast een dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet geweest was, die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de speler had mij als een onbruikbaar vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn tweelingsbroeder ROB.
Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een van mijn eerste naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite het mij te overreden. Maar een oog op de verschillende trappen geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij welhaast mijn bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een geheele wenteling om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van bemerken. Het is zonderling en treffend, die ontwikkeling na te gaan. Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord: Een mensch verandert om de zeven jaar. Maar, naar mijn inzien, ligt er een ware en diepe les in. Wie er om spotte, ik neem het als thesis over en ben bereid die publice et solemniter te verdedigen.
Willen wij een proef nemen?
1–7. Het kind in de kinderkamer.
7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel ander wezen is. Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind voor het andere in de hand te stoppen.
14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen, dartelen schalk in den peinzenden, verliefden Dichter?
21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het wezenlijke leven: de eerste en heiligste verbintenis, de eerste vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, met zijn armen uitgestrekt om de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot en vader, die niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen zal,—zijn dat geen twee verschillende wezens?
28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel blijven ze voor het fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich de eerzucht meester van het hart, waarin tot dusverre bijna alleen de liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te nauw: men breidt zich naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. De zon, die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het goudkleurige te trekken.
35–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen. Men heeft een grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen, dochters uit te huwelijken; men begeert zich door zijn kinderen, en zijn kinderen door zich te verheffen.
42–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte veroveringen. Men is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig in zijn betrekkingen. Men krijgt een onderkin en staat als peter over zijn kleinkinderen.
49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden sterven en begint naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle lastposten en houdt alleen de winstgevende aan.
56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en gaat trouw te kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan.