Part 1
WAARHEID EN DROOMEN,
DOOR JONATHAN.
Vijfde, opnieuw vermeerderde druk.
LEIDEN, E. J. BRILL. 1872.
Οὑτος μὲν πανάριστος, ὅς αὑτῷ πάντα νοήσει.
HESIODUS.
VOORBERICHT.
Gelijk ieder boek, dat het licht ziet, hebben ook de hierna volgende bladen, die bij dezen den lezer op nieuw worden aangeboden, hunne eigen geschiedenis.
Onopzettelijker en met minder bepaald plan om als een afzonderlijk, zelfstandig, deftig boek, op eigen beenen, de wereld der openbaarheid in te treden, is wel zelden eenige letter-arbeid zijne wandeling onder de menschen begonnen. Het was een tweetal vrienden, die, tot mijne en veler vreugde, nog thans de eer en de trots der vaderlandsche letterkunde zijn, welke tot het ontstaan van de eerste hier voorkomende Schets aanleiding gaven. Het was eenigszins als bij wijze van een dichterlijk spel, dat die bladzijden ten papiere werden gebracht, om het bloemenkorfje van de bekoorlijke, helaas, te vroeg gestorven Tesselschade te helpen vullen en versieren. Dat de verzamelaar van dien bloemruiker het eenvoudige bloemeke uit de hand des vriends niet afwees, liet zich verstaan en verklaren. Maar dat het groote Publiek gunstig genoeg geluimd was, niet alleen om deze geringe veldbloem welwillend aan en op te nemen, maar haar ook een blijvende plaats in zijn kamertuin te geven, was meer, oneindig meer, dan men zich had beloofd. Was het wonder, dat men, ziende welk een onthaal die soort van gewas vond, er meer opzettelijk werk van begon te maken en met dat doel een kleine kweekerij werd aangelegd?
Met de voorspoedig ontluikende spruiten van dien hof werden nu van tijd tot tijd ook andere bloemkorven voorzien. Niet alleen de kunst-keurige Tesselschade, ook de klassieke Gids, de Gids, zooals De Génestet zingt:
in lang vervlogen dagen, Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst, Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst,
ook het toen nog zoo populaire en veelgelezen Leeskabinet, ook de eens zoo bloeiende, maar spoedig uitgebloeide Nederlandsche Maatschappij van schoone kunsten hadden voor haar een plaatsje over. Zoo ontstond van lieverlede eene gansche verzameling, die, hoewel altoos niet groot, toch na eenigen tijd groot genoeg geworden was, om voor zich in den Nederlandschen letterhof een eigen plek te vragen. Onder den algemeenen titel van Waarheid en droomen door Jonathan, kwam in 1840 de eerste uitgave der bijeenvergaderde Schetsen in het licht.
De opname was zoo ongedacht gunstig, dat nog in hetzelfde jaar een tweede oplage noodig werd. In 1846 volgde een derde, in 1856 een vierde uitgave, en nu, in 1872, verschijnt bij dezen een vijfde, weder op nieuw vermeerderde druk.
Vermeerderd—waarom?
Ik zal eerlijk opbiechten. Ik voor mij zou daartoe uit eigen beweging wel niet gekomen zijn. Maar in die dagen was de oorspronkelijke uitgever van de Jonathaniana, mijn wakkere, bekwame en achtenswaardige vriend Pieter François Bohn nog in het land der levenden. Hij verraste mij met de aankondiging, dat een nieuwe oplage van de Waarheid en Droomen noodig was geworden, en dat ook werkelijk bij hem het plan bestond om daartoe eerlang over te gaan. Maar hij voegde bij die mededeeling, zonder er juist een voorwaarde van te maken, toch een dringenden wensch, dat er aan de oorspronkelijke verzameling althans een enkele nieuwe Schets mocht worden toegevoegd, die daaraan als een zeker waas en geur van verschheid en frischheid geven zou. Had ik recht, of onrecht, voor dien aandrang te bezwijken? Ik weet het niet. Misschien had ik beter gedaan, ook hier den bekenden rechtsregel te gedenken: Non bis in idem. Misschien was het al te laat in ’t jaar geworden, om nog op een groen Sint-Jans-lot te hopen. Misschien doet de oude man beter, om met zijn roestig geworden stem het liedje van vroeger dagen niet nog eens op nieuw te willen opneuriën... Wat baat het alles? Ik was, ondanks dit alles, zwak genoeg toe te geven. De nieuwe Schets werd geschreven, en onder het opschrift: Een afscheidsbezoek in 1871 aan de overige verzameling toegevoegd.
En zoo geef ik hierbij den geheelen bundel, gelijk hij nu is ingericht, den goedgunstigen lezer over. Ik doe het echter met een gemengd gevoel. Het is als zag ik een rouwrand om den titel. Er bestaat een populair rijmpje:
Het boompje groot; De planter dood.
Dit komt mij nu als van zelf voor den geest, bij den blik op deze afgedrukte bladen, wier oorspronkelijke uitgever ook dit deel zijns werks met zooveel wakkerheid aanvatte, maar het niet ten einde brengen mocht. Hij heeft zelfs de nieuwe Schets, tot wier vervaardiging hij den stoot gaf, niet eens gezien! Een memento meer bij zoovele anderen, waarvan de volgende bladen spreken. Ik betreur dit overlijden, niet zoo zeer om het boek, dat nu toch op zijn tijd behoorlijk in de wereld komt, als om den Vriend, met wien mij een langdurig verkeer op de hartelijkste wijze verbond. Aan zijn hand verscheen ik, met mijn Rijm en Onrijm beide, het eerst voor het groot Publiek; toen, en later, dankte ik aan hem menigen nuttigen wenk, die getuigde van zijn helder hoofd, gezond hart en goeden smaak.—Ik werp dus, in deze eenvoudige mededeeling, een bloem van hulde en erkentenis op zijn pasgesloten graf. Ik weet, dat ik, zoo doende, niet alleen voor mij zei ven, maar ook uit naam van meer anderen spreke, die erkennen zullen, aan de medewerking van den bekwamen en ijverigen Uitgever hunner werken geen mindere verplichting te hebben, dan ik gevoel hem schuldig te zijn—en te willen blijven.
En nu ik eens den voet op dit gebied der herinnering gezet heb, hoevele liefelijke beelden uit het verleden verrijzen daarbij voor mijnen geest!
Een mensch kan twee levens leven: een historisch, reëel, en een literarisch leven—een leven, ook hier, van Waarheid en van Droomen, als gij wilt. Het eerste is zeker in menig opzicht het belangrijkste, het ware, het eigenlijke leven; maar ook het tweede heeft, naast en in het eerste, zijne eigen beteekenis en waardij. Maar nu, met het oog daarop, kan Jonathan niet dan met groote dankbaarheid erkennen, dat, terwijl zijn werkelijk leven, als ieder weefsel der Schikgodinnen, zijn gemengde witte en zwarte draden gehad heeft, de webbe van zijn letterkundig leven schier niet dan enkel witte draden bevat. Hoeveel vrienden heeft hij op zijne omwandeling, nu reeds aanvankelijk onder een tweede geslacht, gevonden en behouden! En daarentegen, hoe weinig harde beoordeeling of behandeling heeft hij... ja, heeft hij daarvan ooit wel iets ondervonden? Hij kan het zich niet herinneren. Kon hij aan deze Schetsen een verhaal van zijne ervaringen op dit punt toevoegen!... maar dat behoort in het Geheime Dagboek, dat niet onder vreemde oogen komt. Waartoe dan de vermelding? Alleen uit een gevoel van dankbaarheid jegens de zachte lucht, die zijn zwak en teer gewas tot nu toe in ’t leven heeft gehouden, en het nu weer, als eene vernieuwing des levens, een nieuwen bloeitijd gunt. Moge ook later die lucht even zacht blijven. De heerlijke Juli-zon van dit jaar, schijnende over het bekoorlijke Dal aan de oevers van de Vesdre, nabij de wellen der Warme-Bron, [1] waar ik deze regelen nederschrijve, schijnt mij daarvoor een goed en veelbelovend voorteeken te wezen. Moge dit voorteeken niet liegen. In die hoop, ga dan, mijn bloemeke, en bloei, en geur, zoolang uw zomerdag duurt, en breng met dezen uwen geur aan allen, die u welkom heeten en in liefde ontvangen, den heilwensen van uwen kweeker over in het ouderwetsche, maar hartelijk gemeende woord, dat ik zoo vaak als een devies op een breekbare gave der erkentenis en der liefde las: Wandel op rozen en—vergeet mij niet!
Juli 1872.
JONATHAN.
DE HAARLEMSCHE COURANT.
„Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?”
Dit is driemaal ’s weeks mijn eerste vraag, als ik den voet buiten mijn slaapkamer zet, om te gaan ontbijten.
En waarom, meent gij?
Omdat ik belangrijke handelsberichten verwacht?—Gij vergist u. Ik heb met geen koopman ter wereld iets uitstaande, als gij den makelaar, die mijne weinige effecten, rara folia, beheert, en den Amsterdamschen tabakskooper, die mij maandelijks mijn varinas zendt, uitzondert.
Omdat ik een brief van teederen aard te gemoet zie?—Nog minder. Ik ben een oud vrijer, en heb in die soort van correspondentie niets meer te verwachten, sedert ik het kleine bundeltje, dat ik vroeger op mijn hart droeg, met een rozerood lint omwonden en met een hieroglyphisch cachet verzegeld, in een verborgen lade van mijn secretaire sloot.
Omdat ik naar een brief met zwarte randen uitkijk, die mij de testamentaire dispositie van een rijken oudoom berichten moet?—Gelukkig niet. Ik heb het voorrecht, den laatsten, wiens overlijden mij voordeel kon aanbrengen, te hebben zien sterven. Nu ben ik verlost van dat onaangenaam gevoel van kwade begeerlijkheid, dat het gezicht van een gegoeden en ongehuwden bloedverwant altijd in mij opwekte; een gevoel, niet ongelijk aan den zelfstrijd van den arme, die er niet buiten kan, zijn gemest ooilam met beluste oogen aan te zien.
Ik zie wel, ge zult het niet raden. Welnu! die vraag ontstaat uit ongeduldig verlangen naar de Haarlemsche Courant.
Naar de Haarlemsche Courant?
Ja, lezer! maar niet geheel om dezelfde reden, waarom gij er denkelijk naar verlangt. Mij dunkt, ik zie u, zoo als gij haar vrij onverschillig in de hand neemt, eerst de advertentiën doorloopt, en tot de tegen u overzittende dame het woord richt: „Mevrouw A. heeft eene dochter. Jack is ridder geworden. De advokaat B. is dood,” enz. De advertentiën doorgelezen hebbende, gaat gij, achterwaarts opklimmende, tot het staatkundige nieuws over, zoekt bij voorkeur de opgave van brand, stormen en landziekten op, en eindigt met een vluchtigen blik op de verschillende aankondigingen te werpen. Eindelijk legt ge geeuwende het blad uit de handen, en reikt het uwe vrouw of zuster toe, met het vonnis:
„Heden niets nieuws.”
Geheel anders gaat het bij mij toe. Als mijn getrouwe huiszorg mij verzekerd heeft, dat het blad van Enschedé met den post is aangekomen, treed ik met een genoegelijk gezicht in de ontbijtkamer. De courant, zoo als zij, nog nat van de pers, en door geene ongewijde aanraking gekreukt, naast mijn bord op tafel ligt, lacht mij reeds bij het binnenkomen toe. Ik sla er echter geen hand aan, voordat ik eerst de thee gezet heb; zelfs ligt in dat uitstel voor mij een soort van weelde, zoodat ik mij wel wacht, mij bij dit werk te overhaasten. Eindelijk ben ik met mijn toestel gereed. Na mijn eerste geurige kopje met langzame teugen te hebben opgeslurpt, vat ik met eerbiedige vingers de belangrijke bladen aan. Strauss zegt ergens, dat er iets karakteristieks lag in de wijze, waarop zijn vader den Bijbel na het lezen toesloeg; mij dunkt, die mij de Haarlemsche Courant ziet openvouwen, moet insgelijks iets bemerken van de hooge ingenomenheid, die ik voor haar gevoel. Daar ligt nu de breede vlakte wellustig voor mij uitgespreid. Ik begin—met het begin. Zelfs het opschrift trekt somwijlen mijne aandacht.
Opregte ***dagsche Haarlemsche Courant. Welk een oude, deftige naam! Het blad krijgt er het voorkomen van een klassiek gedenkstuk door, als ware het een nieuwe livraison van eene altijd doorloopende historische en statistische encyclopedie. Dan denk ik er aan, hoe vele jaren het nieuws van den dag zich onder dezen vorm bij onze voorouders heeft aangemeld, en ik heb eerbied voor dien trek van gehechtheid aan het oude, zoo hemelsbreed verschillende van de veranderziekte der overige natiën, bij wie het eene journaal het andere verdringt, naarmate de verschillende partijen rijzen of dalen. Niet aldus bij ons. In de Haarlemsche Courant is reeds de dood mijns vaders en van den vader mijns vaders op gelijke wijze aangekondigd geworden. Zij bevat de gansche geschiedenis van mijn geslacht; zij zou voor mij het eerste blad uit mijn folio Statenbijbel kunnen vervangen, waarin wij van ouder tot ouder gewoon zijn onze donkere en heldere dagen aan te teekenen. Waarlijk, er is iets plechtigs in de onafgewisselde eentoonigheid van dit nieuwspapier. Ieder dag levert daaraan zijn vast contingent van bulletins, geboortecedels en sterflijsten. Een louter staatkundig blad moge somtijds gebrek aan stoffe hebben, de Haarlemsche Courant nooit. Zij vervolgt altijd even zeker, even kort en treffend de geschiedenis, door de hand van den eersten Historiograaf aangevangen: „Ende Adam gewan Seth, ende hy stierf; ende Seth gewan Enos, ende hy stierf.” En als ik aan de geslachten denk, welke deze bode des doods, even koel als de dood zelf, heeft zien voorbijgaan, dan zoekt mijn oog naar het plaatsje, dat ik welhaast in het zwart register zal innemen; dan vraag ik mijzelven af, wie bij mijn overlijden de lijkklacht zal aanheffen; met welk gevoel mijne bekenden het blad uit de hand zullen leggen, waarin mijn naam voor de jongste maal voorkomt, en welke geschiedenis de Courant—of, dat hetzelfde is, de hand Gods van mijn geslacht zal schrijven, tot den dag toe, dat er niemand meer over is, om het doodsbericht van mijnen laatsten naneef te onderteekenen, dan de onverschillige executeur. Zie, zulke gedachten verwekt somwijlen bij mij het gezicht van dat onveranderlijk opschrift: Opregte Haarlemsche Courant.
Ik ga voort, en neem kennis van de historische en politieke berichten, die mij worden medegedeeld: even als ieder ander, heb ik hier mijne artikelen, waarop bij voorkeur mijn oog valt. Curiositeiten liggen geheel buiten den kring van mijnen smaak. Ook sla ik altijd de eeuwigdurende twisten der wetgevende kamers over. Om er rond voor uit te komen, die nietigheden zijn mij te nietig. Ik houd mij liever bij grooter gebeurtenissen en personen op; daaronder voel ik mijn hart opgeheven; daarbij denk ik: „Waerom woeden de Heydenen, ende bedencken de volckeren ydelheyt? De koninghen der aerde stellen sich op, ende de vorsten beraetslaghen te samen teghen den Heere ende teghen sijnen Gesalfden, seggende: Laet ons hare banden verscheuren ende hare touwen van ons werpen. Die in den Hemel woont, sal lachen; de Heere sal ze bespotten.”—O, wie met een vroom oog leest, kan in de Haarlemsche Courant een vervolg op de boeken der heilige Profeten vinden. Of schrijft zij niet, even als de oirkonden des O. T., de geschiedenis der Voorzienigheid? Leert zij niet tastbaar: „De volckeren sijn geacht als een druppel van eenen eemer en als een stofken van de weeghschale. Des Konincx herte is in de hant des Heeren als waterbeken: hy neyght het tot al dat hy wil.”—En als gij hier tusschen de puinhoopen van vervallen grootheid, en daar in de schaduw van nieuwgebouwde muren wandelt, herkent gij daar den vinger Gods niet in, die, sedert de tijden van Babels torenbouw, niet opgehouden heeft trotsche hoogten te vernederen en lage vlakten te verheffen? Ja, al zoudt gij mij van zonderlingheid verdenken, ik moet er voor uitkomen, dat die onedele en platte stijl, waarin de courantier zijne berichten schrijft, en die zulk een treffend contrast vormt met het indrukwekkende en leerzame van den inhoud, voor mij zijne grillige bekoorlijkheid heeft. Dit is ook een soort van schat in aarden vaten: een profetie, gepredikt door een, die zwaar van mond en zwaar van tong is; een pijl, door den Syriër in zijne eenvoudigheid geschoten. In allen gevalle verkies ik de verzwegen lessen van de Haarlemmer nieuwsberichten verre boven menige verhandeling „over de wegen der Voorzienigheid in deze of gene omwenteling.” Hier hebt gij de waarheid in hare eenvoudige gedaante, zonder dat zij de moeite neemt te zeggen: „Hier ben ik!” Hier hebt ge een prediker van Gods Voorzienigheid, even ongedwongen, en daarom even onwedersprekelijk, als de gebanvloekte steen van Babels puinhoopen, waarop gij in geheimzinnige letteren leest: חיה יהוה (Jehovah leeft).
Ik kan u niet alles mededeelen, wat ik al bij die politieke berichten denk en gevoel. Dit evenwel zal ik u niet behoeven te zeggen, dat mijn oog, moede van het dwalen over de wereldkaart, altijd weder met liefde op dat kleine plekje valt, waarop beide, de Haarlemsche Courant en haar lezer, geboren werden. Het is waar, op dit punt zijn de berichten altijd het karigst en onbelangrijkst. Maar weet ik dan niet, dat juist dit een zegen op zichzelven is, daar het met de natiën gaat als met bijzondere personen, die er te beter om varen, hoe minder men van hen spreekt. Felix qui bene latuit. O mijn lievelingsplekje in mijn lievelings-dagblad! blijf nog lang zoo klein van omvang, zoo arm van inhoud; des te beter zult gij een eigen hoekje in de nieuwspapieren bewaren, dat men u eens zoo wreed ontnomen heeft.
Zoo nader ik tot de huwelijksberichten. Een leelijk artikel voor een oud vrijer. Het is of mijn gezicht altijd eenigszins betrekt, als ik dat tergende getrouwd—getrouwd—getrouwd—onder de oogen krijg. Ach, daar was eens een vooruitzicht, lezer, dat gij er ook eene advertentie zoudt hebben aangetroffen:
Getrouwd: Jonathan *** en Betsy ***
Maar nu heeft schrijver dezes al zijn hoop gevestigd op eenen anderen staat, waar geen register van den burgerlijken stand en geene Haarlemsche Courant meer zijn, waarvan hij gelooft: „In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke uytgegheven, maer sy sijn als Engelen Godts in den hemel.” Vraag mij niet hoe die advertentie mislukte; het zij u genoeg, dat ik zoo ver gekomen ben, om nimmer met tegenzin in de geboorteberichten te lezen:
Heden beviel van eene dochter Betsy ***, geliefde echtgenoote van—van—een ander dan Jonathan.
Integendeel, de dag, als het nieuwspapier zulk een bericht inhoudt, is voor mij een feestdag. Dan laat ik mijne oude dienstmaagd, hoe vreemd zij mij ook aanzie, altijd een kopje kandeel voor mij gereed maken, en ’s avonds gedenk ik een mensch meer in mijn gebed.
Overigens ben ik echter altijd een weinig gevoelig, als ik aan dat hatelijke punt van voltrokken huwelijken kom, en de drommel weet hoe het komt, dat ik dan meermalen de Courant moet neêrleggen, om mijn brilleglas af te vegen. Dan denk ik soms bij mij zelven: „Wat staat dat hier kort en koel: getrouwd, en dat van eene plechtigheid, waarbij zoovele hartstochten in het spel zijn! Hoe menig heeft hier in dat woord zijne aardsche zaligheid uitgesproken! maar ook van hoe vele jammervolle geschiedenissen staan hier de eerste letteren.” Dan hecht ik in mijne gedachten aan dien enkelen draad een lang zwart weefsel van ongeluk en lijden, tot ik, met een lach over mijne onnoozelheid, de hand in het rag mijner verbeelding sla. Somtijds roep ik mij ook het liefelijke beeld der bruiden voor den geest; dan zie ik ze, die aanvallige schepselen, die alle schoon zijn door de schoonheid des genoegens, en alle rijk door den rijkdom des geluks. Evenwel vergeet ik nooit haar onderling lot te vergelijken, dat zich vooral in den tijd eener feestviering zoo scherp afteekent. Hier zie ik er eene in een wit neteldoeksch kleedje, met een bloemtakje op de borst, door weinige hartelijke vrienden omgeven. Maar ginds verplaats ik mij in een vergulde zaal,
Met gouden luchters aan de wanden, Waarop de bijen offers branden,
alles schitterende van pracht, weelde en genot. Daar zie ik de bruid, opgetooid als een Madonnabeeld, met kleederen, stijfstaande van goud en juweelen, als eene vorstin gevierd en gehuldigd, door een stoet van hovelingen omringd. Daar zingen geen gasten een vroolijk bruiloftslied, maar schimpende muzikanten blazen met onwillige lippen de fanfare der zegenwensching. Daar straalt op geen enkel gelaat ingenomenheid met het geluk der bruid: men legt er zijne belangstelling aan den dag door dansen. Dansen—altijd dansen. Foei! in spijt van natuurlijke traagheid en gezond verstand, in spijt van Byron’s Waltz en Hugo’s Fantômes, zich den Vampyr des bals in de armen te werpen! Een vrouw, die danst, is leelijk. De gratie van houding en standen betwist ik niet; maar op het gelaat verwekt die gelijkmatige trippeling der voeten eene onnoozele of eene wellustige uitdrukking. Eene bruid vooral moet niet dansen. Zij is eene vorstin; zij poseert in de dagen harer feestvreugde; zij moet zich niet overgeven, zij moet kiesch zijn. In den dans verzuimt de bruid (waarover zij anders zoo wel te waken weet) hare hartstochten te verbergen. Zij heet de gesluierde, nupta, en zal zij zich nu door de woestheid harer bewegingen half naakt dansen? Foei, dat dwarrelende stof op den blanken oranjebloesem! Foei, die wellustige kreuken in het gewijde bruidskleed! Foei, die gevierde Heilige in de armen eens vreemden! Tot de vrouwen toe, die niet dansen, zijn van den trippelduivel bezeten. Haar oog volgt de rijen; haar hoofd huppelt de maat der muziek na, en de voeten bewegen zich krampachtig naar den klank der luchtige walsnoten. Bij andere volken behandelde men den eerdienst als een dans; bij ons den dans als een eerdienst. l’Alternative ne nous flatte guère.
Maar als ik bemerk dat ik bitter word, stap ik dadelijk over op de geboorteberichten. Gij zoudt u vergissen, als gij meent, dat een oud vrijer die overslaat. Neen, ik heb zoogoed als iemand vader-ingewanden, ofschoon de dooplijst er mij niet voor heeft te boek staan. Vooreerst heb ik eene algemeene kinderliefde; maar daarenboven zijn er, die een bijzonder recht op mijn hart hebben; kinderkens, die vader en moeder zeggen tot hen, die mijn hart broeder en zuster noemt; kinderkens, van wie ik weet dat ze in de vreeze des Heeren zullen worden opgevoed, en alzoo, indien God er zijn zegen toe geeft, kinderen blijven zullen. O, en als ik dan bedenk, dat een Engel een wederpaar houdt van dat register van namen, dat ik voor mij heb, en dat ik het begin lees van eene geschiedenis, die geene eeuwen zullen zien eindigen, dan mijmer ik: „Wat is de mensche, dat ghy zijner gedenckt; ende hebt een weynigh hem minder gemaackt als de Engelen, ende hem met eere ende heerlyckheyt gekroont.”
Wij zijn tot de dooden genaderd. Daar gekomen, overvalt mij altijd eene kleine huivering; het is alsof ik een kerkhof binnentreed; hetwelk ik nooit doen kan, zonder onwillekeurig den hoed af te nemen. En is het dan geen kerkhof, die doodenlijst der Haarlemsche Courant? Immers wandelen wij er als tusschen graven; de onderlinge afdeelingen zijn even zoo vele wijspalen, de berichten even zoo vele opschriften. En evenmin als ik op een kerkhof eenen grafsteen ongelezen kan laten, sla ik hier een enkel bericht over. Het is waar, dan schud ik soms het hoofd over de menschelijke dwaasheid, die zelfs onder den floersen lamfer de narrenbellen niet verbergen kan: maar meestal lees ik met warme belangstelling de uitdrukking der smart van bedroefde betrekkingen; zelfs heb ik, in navolging der bezoekers van Père-la-Chaise, eene verzameling van belangrijke doodsadvertentiën bijeengebracht, die ik zou uitgeven, indien niet de smart, die haar in de pen gaf, mij te heilig was, om hare klachten tot letterkundige bijdragen te vernederen. Ja, om niets te verzwijgen, het is misschien kinderachtig, maar daar zijn doodsaankondigingen, die mij tranen uit de oogen lokten, en, hetgeen nog sterker is, mij aan den mij gansch onbekenden ontslapene als aan een vriend deden denken. Zie, ik ken haar niet; maar toch is mij de nagedachtenis eenigermate lief van die jeugdige vrouw, waarvan de bedroefde echtgenoot onlangs berichtte: „Zij laat mij de herinnering na der zachtste en edelste hoedanigheden, geheiligd door het geloof aan Hem, wiens dood nu haar leven is.”
Ik voor mij nogtans, uit vrees van nog na mijn dood om het bericht van mijn dood te worden uitgelachen, heb het aan mijne bloedverwanten niet durven overlaten mij uit te luiden; ik heb beschreven, dat mijn overlijden in den eenvoudigen vorm van: