Vrouwenleven in de Dessa

Part 8

Chapter 83,351 wordsPublic domain

Op de tafel zat kleine Tom zielsvergenoegd vellen papier stuk te knippen, als sneeuwvlokken lagen de snippers om haar heen. Maar de couranten, die Margo haar voor dit doel gegeven had, waren ter zijde geworpen; in plaats daarvan had het onnoozel schaapje het proces-verbaal aan stukjes geknipt, waar Johan den geheelen morgen en vorigen avond onafgebroken aan gewerkt had.

„Hans, lieve Hans,” riep zijne vrouw in vertwijfeling op hem toetredend: „het is mijne schuld, knor maar flink op me....”

Doch Hans sprak geen woord, keerde zich om en ging den weg, dien hij gekomen was.

„Breng nonnie Tom naar huis,” snikte arme Go tegen de naaister en vloog naar de slaapkamer, waar zij hare tranen den vrijen loop liet. Zij voelde zich rampzalig, Hans was boos en met reden, zij kon voor zichzelve geen enkele verontschuldiging vinden, het was eenig en alleen haar domme schuld.

Een poos later bedacht Margo Graven met een dankbaar hart, dat zij den liefsten man ter wereld had. Al heel gauw was hij weer thuis gekomen en had zij haar verdriet verder aan zijn hart kunnen uitschreien, terwijl zijn vriendelijke, troostende stem haar spoedig tot bedaren bracht. Zij mocht de zaak in het geheel niet meer aanroeren of er verder over tobben, verzekerde Johan, hij was ook volstrekt niet boos meer, alles was vergeven en vergeten.

„Maar waarom liep je dadelijk weg, Hans?” vroeg Margo, „ik had nog liever gezien, dat je flink aan het brommen waart gegaan.”

„Nu kindje, om je de waarheid te zeggen, ik was op dat oogenblik verbazend boos en driftig en, als ik er niet van door was gegaan, geloof ik heusch, dat ik jou of Tommy een klap om de ooren had gegeven.”

„Och, mannie, ik had het verdiend, veel meer dan Tom,” en toen barstte Margo op eens in lachen uit bij de gedachte, dat Hans haar in eigen persoon eene strafoefening had willen toedienen.

Zoo leefden die twee in volkomen harmonie en, kwam er al eens een wolkje aan hun huwelijkshemel, het trok dadelijk weer weg om de zon des te helderder te laten schijnen. Hans begreep, dat hij in zijn jong, aanvallig vrouwtje geen ervaren huishoudster had getrouwd, dat haar goede wil om het hem in alles naar den zin te maken, alleen niet voldoende was om het huishouden als op rolletjes te doen gaan. Hij verdroeg het zonder pruttelen, wanneer de tafel eens minder goed was, als er een knoop of band aan zijn goed ontbrak, of wanneer zijn lieve Go op zijn wekelijksche reizen bijna altijd een of ander kleedingstuk vergat in te pakken, waar hij toch moeilijk buiten kon. Op zekeren dag merkte hij goedig op: „Lieve kind, gisteren heb ik mij met één boord moeten behelpen en vergat je ook sokken voor mij in te pakken. Ik geloof dat wij, wat het vergeten betreft, nu zoowat mijne heele garderobe zijn rond geweest. Zou je niet eens een lijstje maken, lieverdje, van alles wat ik noodig heb en dit bij het pakken telkens raadplegen?”

„Hoe dom, dat ik zelve daar niet aan dacht,” riep Margo, „natuurlijk, alles vooruit opschrijven, dat is aangewezen voor een vergeetal als ik ben.” En dienzelfden avond nog schreef Mevrouw Graven haar lijstje en, daar zij het trouw gebruikte, was de zaak voortaan in orde. Het jonge vrouwtje van haar kant, deed evenzoo haar best om haar man het leven aangenaam te maken. Al was het haar een beetje een ergernis, dat zij zijn kantoor zelden of nooit mocht laten schoonmaken en hij liever aan een stoffige dan aan eene net opgeruimde schrijftafel zat, zij zocht niet door dwingen of zeuren hierin verandering te brengen. Ook achtervolgde zij haar echtvriend niet met eene lastige zucht tot orde, die de vertrekken wel proper en net, doch niet gezellig maakt. Hans pijp mocht vrij overal rondzwerven, de boeken uit de leestrommel mochten op tafel en bank onder het bereik blijven liggen. Margo huldigde den stelregel, dat ook een getrouwd man vrij moet blijven in het volgen van zijn lievelingsgewoonten, vooral wanneer ze zoo weinig lastig waren als die van haar Hans. Duurde de dag wel eens wat langer, als haar man van huis was, over het geheel vloog de tijd Margo voorbij. Eerst had zij een prettige drukte gehad met de inrichting van hare woning: een mooi, groot huis. De rijke Chinees, die het indertijd voor zichzelf liet bouwen, stierf voor het geheel af was. De erfgenamen verhuurden de woning gaarne aan den nieuwen president van den Landraad, terwijl de familie Graven niet minder blij was dadelijk een ruim, nieuw huis te kunnen betrekken. De kamers, hoewel klein, waren vele in aantal en liepen twee aan twee in elkaar. De galerijen daarentegen kwamen Margo reusachtig voor, doch toen de overgordijnen en portières hingen, bleken ze niets te groot of te hol om het er gezellig te maken. Naast de slaapkamer had de vrouw des huizes een vroolijk, klein vertrekje tot boudoir ingericht. Daar plaatste zij, tusschen groene planten, haar Singapoorsch ameublementje, en al de schatten die zij van huis had meegebracht, waren er neergezet of opgehangen.

Op een marmeren knaapje stond het palissanderhouten kistje, dat zich nog steeds in Margo’s bijzondere voorliefde mocht verheugen. Haar voornemen getrouw had zij er nooit andere brieven, dan die zij van haar man ontving, in geborgen; het was dan ook een treurig dun stapeltje gebleven.

Nadat Margo op dien Junimorgen haar man uitgeleide had gedaan, ging zij eerst hare bloemen verzorgen en haar huishouden beredderen, en haalde toen haar schrijfmap te voorschijn om een langen brief naar huis te schrijven. Zij was innig aan haar ouderlijk huis gehecht gebleven, al werd zij zelden of nooit door heimwee geplaagd, en, daar hare familie ook trouw en veel schreef, bleven zij geheel met elkaar meeleven. Met vreugde bedacht Margo dat het heden maildag was en vol verlangen verwachtte zij de post, die slechts één keer ’s daags te K. bezorgd werd. Toen zij om twaalf uur den besteller het erf zag opkomen, had zij hem wel te gemoet willen gaan, en zat ongeduldig te wachten tot de jongen binnen kwam. Hij bracht een heel pak „drie kwart nonsens-brieven natuurlijk,” dacht Margo. Heel oneerbiedig gaf zij dien titel aan de dienstbrieven van Hans.

Haastig doorzocht het jonge vrouwtje het pak, achteloos met de couranten en dienstbrieven omspringend; zij vond slechts één mailbrief waarvan het adres door Suze was geschreven. „Hoe vreemd, geen brief van Moes,” zei Margo hardop, en haastig het couvert openscheurend, begon zij te lezen. Suze bezat in het geheel geen correspondentie-gave, met den besten wil kon zij geen velletje vol krijgen; mama daarentegen vulde met gemak twaalf zijtjes, hare brieven vormden een dagboek in het klein.

Doch niet alleen teleurgesteld liet Mevrouw Graven, na eenige oogenblikken, het spoedig doorgelezen epistel in haar schoot vallen. Met een angstige, verdrietige uitdrukking op het gelaat overdacht zij den inhoud van Suze’s brief.

„Mama was bedlegerig,” schreef deze, „een verwaarloosde verkoudheid, door een koortsaanval gevolgd, had den dokter de zaak eerst ernstig doen inzien. Nu was alle gevaar geweken, maar mama moest nog heel voorzichtig blijven en hare kamer houden. Zoo gauw zij hier toe in staat was, zou zij haar lieve Gootje schrijven.”

Zelfs dit geruststellend slot vermocht Margo weinig op te beuren. Zij zag mama in gedachte zwak en lijdend voor zich, hoe liefderijk ook door Toos en Suze verpleegd, toch naar haar eigen kind verlangend, misschien in de koorts wel om haar roepend.

De tranen der jonge vrouw begonnen te vloeien bij deze voorstelling; was Hans er nu maar geweest, dan had zij bij hem troost en opbeuring gezocht en ook zeker gevonden. Nu zat zij zich in hare eenzaamheid op te winden en het gevolg daarvan was dat zij zich steeds zenuwachtiger maakte. Aan de rijsttafel kon zij bijna geen hapje eten door de keel krijgen en onverkwikt stond zij uit haar middagslaapje op. Hare vriendin, de controleursche, was met de zieke tweelingen voor een maand naar boven gegaan, anders had het Margo zeker afleiding gegeven eens bij haar aan te loopen. Nu drentelde zij den geheelen verderen dag maar op en neer, Suze’s brief herhaaldelijk overlezend, het hart vol onrust. O, waarom scheidde die nare, groote zee haar van hare dierbaren te huis! Uit een ander vreemd land, mits het slechts in Europa lag, zou zij in deze omstandigheden haar lief moedertje spoedig kunnen bereiken, maar nu waren zij onbereikbaar voor elkander.

Zoo tobde Margo en de tijd leek haar eindeloos lang, omdat zij geen lust had geregelde bezigheid onderhanden te nemen en meer dan ooit naar haar trouwen Hans verlangde. Zij ging vroeg ter ruste in de hoop haar leed in den slaap te vergeten, doch de uren volgden elkander op en rusteloos heen en weer woelend bleef zij wakker liggen. Hare baboe, die in het boudoirtje haar matje had gespreid, scheen vast te slapen. Margo riep haar twee keer, toen stond zij zelve maar op om een glas koud water te vragen. Op de waschtafel zag zij een fleschje Hoffman’s druppels staan en bedacht, dat zij zeker kalm in slaap zou vallen als zij van dat goedje nam. Het nachtlampje verspreidde maar een flauw licht, zij kon de druppels niet juist tellen en geloofde naderhand ook wel wat veel te hebben genomen, want de medicijn smaakte erg sterk; dat kwam er echter niet op aan, vergif was het niet. De jonge vrouw ging weer te bed en spoedig voelde zij eene groote kalmte over zich komen; onrust, zorg en angst losten zich op in een gewaarwording van droomend waken, die haar aangenaam aandeed. Zoo had zij een half uur of langer liggen soezen, toen het haar voorkwam, alsof zij in hare nabijheid zacht fluisterende stemmen hoorde. In het geheel niet bang, alleen nieuwsgierig ging Margo recht overeind zitten en keek naar het groote scherm, waarachter het gerucht vandaan kwam. En nu zag zij ook heel duidelijk, dat een plekje, waar een gouden vogel op het zwart satijn was geborduurd, even bewogen werd, alsof er iemand achter stond. Zij staarde nog naar de bewuste plek, toen op eens een zwartgemaakt gezicht achter het schut uitkeek en een kruipende gedaante, langzaam en voorzichtig geheel te voorschijn kwam.

„’k Weet nog niet,” vertelde Margo later aan haar man, „wat mij bezielde, waar ik den moed vandaan haalde, maar ik werd er als het ware toe gedreven mij uit bed te laten glijden, terwijl de gedachte mij vliegensvlug door het hoofd ging: „dat is een dief en je moet hem verjagen, anders steelt hij je brillanten oorknoppen van de toilettafel, je moet!””

De dief had zich intusschen half opgericht met de bedoeling het nachtlicht uit te blazen; in het donker kon hij veiliger zijn slag slaan, toen hij eensklaps een slanke gedaante op zich zag toetreden.

Als zij hem, met een van angst verwrongen gelaat onder de oogen was gekomen, zou de inbreker misschien brutaal zijn opgetreden; nu ontstelde hij van die stille gedaante, wie het blonde haar tot aan de heupen hing, terwijl de groote oogen hem strak aanzagen. Langzaam hief de gestalte den wijsvinger omhoog en wees nadrukkelijk naar de deur, terwijl een zachte, kalme stem tot driemaal toe dit enkele woord herhaalde: „Pigi, pigi, pigi” (ga).

Langzaam, als onder hypnotischen invloed gebracht, schoof de dief, de oogen onafgebroken op Margo gericht, naar de deur, die op de buitengalerij uitkwam. Tot op het laatste oogenblik bleven de gloeiende oogen het jonge vrouwtje aanstaren, dat hem langzaam volgde. Ruggelings gooide hij de deur, die op een kier stond, geheel open en verdween in de duisternis. Margo had nog de kracht de deur op het nachtslot te draaien, toen viel zij als versuft op de bank neer en drukte de hand tegen haar bonzend hart. Langzamerhand kwam haar denkkracht weer terug. Zou zij de bedienden roepen, gillen, de buurt in rep en roer brengen? Maar wat zou dat alles nu nog helpen? Zij had den dief voorgoed verjaagd, de man had haar aangestaard, alsof hij een geest, geen levend wezen in haar zag. Welke tooverkracht had haar bezield, hoe was zij ter wereld in staat geweest dat zwarte monster te gemoet te treden? Deze vragen bestormden de jonge vrouw te gelijk met een heerlijk triomfantelijk gevoel. Nu kon Hans haar nooit meer plagen met haar „hazenhart,” integendeel, hij moest hare dapperheid en haar moed bewonderen tot aan zijn laatsten levensdag. Een tweeden keer zou zij die heldhaftige rol echter onmogelijk kunnen spelen, bekende Margo zichzelve. Angstig sprong zij op. Was hij wel voorgoed weg, die gemeene dief, en hoe had hij binnen kunnen komen? Zij had de deuren zelve gesloten. Zou baboe hem ingelaten hebben, zij vertrouwde die meid geen zier. Zij ging naar het boudoir. Ja, baboe was weg; al lag haar matje er nog, de zaak kwam hare meesteres zeer verdacht voor. „Morgen jaag ik haar stellig weg,” besloot Margo, „en nooit neem ik zoo’n wezen in mijne kamer, Hans raadde het mij nog wel aan, omdat hij het geruster voor mij vond!” Ook de deur, die naar het boudoir leidde, sloot de jonge vrouw stevig dicht, en, nadat zij alle deuren en vensters nog eens nauwkeurig geïnspecteerd had, legde zij zich weer neer, ofschoon zij klaar wakker en veel te opgewonden was om aan slapen te kunnen denken, maar.... het was pas twee uur.

„En heeft de dief heusch niets meegepakt, kind?” vroeg Hans, nadat zijn vrouwtje hem alles uitvoerig verteld en hij hare heldhaftigheid met veel lof geprezen had, hoewel hij, heel ondeugend, niet kon nalaten nog al eens te zinspelen op de voorname rol, die de Hoffman’s druppels in de geschiedenis meegespeeld hadden.

„Neen, ik heb niets vermist,” betuigde Gootje, terwijl zij zich in veilig welbehagen tegen haar man aanvlijde, en hare armen nauwer om hem heenstrengelde. ’t Was zoo heerlijk haar steun en stut weer naast zich te hebben. Ook haar angst over mama, waarvan zij hem dadelijk deelgenoot maakte, was geheel verdwenen; terwijl zij samen Suze’s brief overlazen, had Hans met kalm, verstandig redeneeren, zijn vrouwtje doen inzien, dat zij zich geheel noodeloos ongerust maakte.

„Dus je mist niets?” vervolgde Hans, „nu, straks zullen wij een nauwkeurig onderzoek in loco instellen. Ik kan de zaak wel aangeven, maar dat zal ons niet veel helpen. Baboe zegt, dat zij nergens van weet, zooals je mij vertelde, en den brutalen schavuit zou je volgens je eigen getuigenis niet herkennen. In ieder geval zou ik baboe maar wegzenden, lieverd, ’k ben er van overtuigd, dat zij den kerel binnen heeft gelaten.”

„Ik ook, zij beweert echter om een uur of half twee naar haar jongetje te zijn gaan kijken, dat den heelen dag niet wel was geweest, doch ik geloof er geen zier van. Zij heeft met den dief achter het schut gefluisterd, denkend dat ik in diepe rust was.”

„Juist, en wat zou je er nu van zeggen, kindje, als ik mij eens „lekker” ging maken? Je hebt mij zoo dadelijk overvallen en je nieuws was zoo belangrijk, dat ik voor niets anders gedachten had.”

„Dan ga ik maar zeggen, dat zij het eten opdragen; hè man, je bent toch altijd in een ommezientje klaar.”

Maar Hans was nog niet geheel gereed, toen hij zijn vrouwtje op eens een luiden kreet hoorde slaken in het boudoirtje.

„Wat is er, Go?” en haastig zijne jas dichtknoopend, liep hij haar te gemoet.

„Hans,” kreet zij, met tranen in hare stem, „de dief heeft toch gestolen, nu pas zie ik, dat mijn mooie kistje weg is, hoe vreeselijk! hoe vreeselijk!”

„Bedaar, lieverd, en luister eens even,” troostte Hans. „We zullen je schat zeker terug vinden, want denk eens na, wat heeft de kerel er aan? Verkoopen kan hij het niet, dat is veel te gevaarlijk voor hem. Natuurlijk heeft hij vermoed, dat er geld of iets anders van waarde in zat; baboe heeft hem zeker een handje geholpen, zij weet, dat je het sleuteltje altijd bij je draagt. Laat ons maar eens buiten gaan zoeken, ’k ben overtuigd, dat we het kistje vinden, geloof me, ik heb door veeljarige ondervinding wel een beetje verstand van die zaken.”

Met deze woorden troonde Johan zijne vrouw mede en, met een pajong gewapend tegen het brandend voormiddagzonnetje, gingen zij het erf op.

De huisbedienden werden den anderen kant uitgezonden, geen plekje van het groote erf zou ondoorzocht blijven, beloofde Hans zijn bedroefd vrouwtje. Al heel spoedig liep een der jongens hen achterop en riep reeds uit de verte: „dapat toewan” (gevonden mijnheer).

„Waar, waar?” vroeg Margo en trok haar man haastig mede.

„Heel achteraan, in het pisangboschje, mevrouw,” en ja wel, een oogenblik later stond Margo diep verslagen over haar geroofden schat heengebogen. Daar lag het palissanderhouten kistje, ruw neergesmeten, met uit elkaar gerukte scharnieren, door vuil bezoedeld, en er om heen in stof en modder.... Margootje’s minnebrieven, door den nijdigen dief, in teleurgestelde hebzucht, geheel aan flarden gescheurd.

„Hans, o Hans,” riep zijn vrouwtje, meer kon zij niet zeggen, toen barstte zij in tranen uit. „Geen nieuwsgierige oogen zullen u ooit aanraken,” hoe waren die woorden, eens zoo overmoedig uitgesproken, te schande gemaakt! Met het lezen was het tot daaraan toe, daarmee zou de inbreker zich wel niet hebben opgehouden, zelfs al waren zij in het Javaansch geschreven, en hij de leeskunst machtig geweest; doch wat de schennende hand betreft, zijne sporen waren maar al te merkbaar. „Dat die booswicht mijn mooie kistje vernielde,” snikte Margo, „dat zou ik hem niet zoo erg hebben aangerekend, maar dat hij mijne minnebrieven als oud vuil heeft behandeld, dat vergeef ik hem nooit, nooit.”

Hans had erg te doen met Gootjes leed en om haar op andere gedachten te brengen, sprak hij: „Maar schat, het waren toch niet alleen je minnebrieven. Wat lees ik daar,” en hij bukte zich diep naar den grond: „Geachte Mejuffrouw, en hier: om 8 uur mag ik u en uwe zuster dus.... en hier weer....”

„Och houd op, mannie,” en Margo kleurde tot in haar hals, terwijl zij de stukjes papier, waar Hans zijn aandacht op gevestigd hield, onder het zand trachtte te bedekken. „Plaag mij zoo niet,” en een beetje verlegen bekende zij: „Zie, het stapeltje bleef zoo dun, toen voegde ik er maar alle papiertjes en kleine briefjes bij, die je mij ooit schreef, ook vóór onze verloving.”

„En al die onnoozele snippertjes hadt je trouw bewaard? O klein, dwaas vrouwtje,” doch terwijl hij het hoofd over haar schudde, las Margo zulk eene aanbiddende liefde in zijn blik, dat zij best begreep hoe hij eigenlijk over hare dwaasheid dacht.

Het was heel stil in het pisangboschje, Hans had den jongen met het vernielde kistje naar huis gezonden. Slechts de zon, die in lichtende plekjes op het mos speelde tusschen het frissche groen der groote bladeren, was er getuige van hoe Margo, de armen om haar mans hals slaande, innig fluisterde: „Je hebt gelijk, mijn lieve man, ik stel mij dwaas aan met te schreien en te zuchten over mijn verlies. Wat beteekent het, dat deze brieven vernietigd en dood zijn, terwijl ik in jou mijn levende liefde naast mij heb. Mijn beste Hans, hoe heerlijk, dat wij nog jong zijn, dat het leven rijk aan beloften voor ons ligt en wij in onze liefde den talisman bezitten, die ons smart en leed zal helpen dragen, hè man?”

„Juist kindje, je spreekt mij geheel uit het hart,” antwoordde Hans bewogen, maar toen kwam zijn spotzieke aard weer boven en hij plaagde met een ondeugend gezicht: „Mevrouw Graven, je hebt je in de laatste vierentwintig uur uitstekend gehouden, je bent eene groote heldin, en ik geloof nu ook niet langer, dat het alleen de invloed van de Hoffman’s druppels was, die je van nacht zoo stout en moedig maakte.”

„Hans, Hans, je bent onverbeterlijk,” en Margo dreigde haar man met den vinger, maar deze vatte de kleine hand en trok haar onder zijn arm door: „Kom, kind, laat ons nu aan tafel gaan. Schertsend en lachend spoedde zich het paartje huiswaarts, terwijl de reusachtige bladeren elkander in hunne eigenaardige taal toewuifden:

„Welk eene aardige afleiding was dat in ons eentonig leven, wij hebben een gelukkig menschenpaar gezien.”

AANTEEKENINGEN

[1] Koraal.

[2] Soort livrei.

[3] Naaister.