Part 7
Baboe, die is komen kijken, vindt het jammer dat mevrouw niets koopt: hare vingers zitten vol koperen ringen met valsche steentjes en in hare ooren draagt zij verbazende oorknoppen, die mij aan groote radijzen doen denken, meer in het oog vallend dan fraai.
De klontong heeft mij aardig opgehouden, het is ver over den gewonen tijd als ik ga eten. Veel eer doe ik de rijsttafel niet aan, ofschoon meest alles op zijn Europeesch wordt klaargemaakt, zonder klapperolie of sterke kruiden, en nu sta ik nog vlugger op dan anders, zoo alleen.
Na het middagdutje, als ik in de voorgalerij thee zit te drinken, voel ik dubbel, hoe stil wij toch wonen. Behalve af en toe een inlander, komt er niemand voorbij, er passeeren geen rijtuigen op het namiddagritje, ik zie geen jonge meisjes, zooals op onze vroegere woonplaats, mij vroolijk toeknikken en even binnen wippen om te groeten, geen mooi aangekleede kinderen aan de hand van baboes, of in de slendang gedragen. ’k Denk er over een toertje te gaan maken, om de zon aan zee te zien ondergaan, maar een blik naar de lucht doet mij op dit voornemen terugkomen. De hemel is zwaar bewolkt, er dreigt regen, die wel spoedig zal vallen ook.
Als ik echter na het avondeten buiten kom, is het nog droog, maar er blinkt geen enkele ster, terwijl het mij ook benauwd en drukkender toeschijnt dan daar straks.
Baboe zal van nacht in mijn kleedkamer slapen, haar bed is spoedig gespreid: een matje om op te liggen, en een kussentje onder het hoofd. Ik zou niet graag mijn klamboe (muskietennet) missen, want de heele kamer suist van de muskieten, maar dat schijnt mijn Ramé niet te hinderen.
BRAND IN DE KAMPONG.
Als iederen morgen is de zon in verrukkelijke schoonheid om zes uur herrezen, en werpt haar vol, gouden licht over Java’s vruchtbare velden, doorboort de nevelen, die zich legeren om de toppen der bergen en schittert op de golven, die de stranden bespoelen. ’t Was vroeg dag in de kampong aan het zeestrand, om vier uur toog het visschersvolk reeds uit; pas tegen zonsondergang zouden zij huiswaarts keeren. Vroolijk stak de kleine vloot in zee, met krachtige pagaaislagen werden de prauwen naar buiten geroeid tot het zeil de stevige bries te pakken kreeg en de booten in zwaluwvlucht over het water schoren. De thuisgebleven vrouwen bezorgen de huishouding, de meeste gaan tegen een uur of zeven passerwaarts om visch aan den man te brengen of zelve inkoopen te doen. Ook de moeder van kleine Moersina is naar de passer gegaan, het meisje heeft beloofd goed te zullen oppassen, terwijl moeder uit is; zij zal niet met de kameraadjes buiten gaan spelen, maar vlijtig hout bijeenzoeken om straks het water op te koken. Met de bedrijvigheid van een huismoedertje, draaft Moersina af en aan, schort de kleine sarong hooger op om niet in hare bewegingen belemmerd te worden, draait de kondeh vaster, die telkens in het mollig nekje dreigt te zakken, en beweegt de lenige vingertjes even vlug als handig.
Op den aarden vloer van het huisje heeft zij weldra het hout tot een flink stapeltje gebouwd; nu zal zij moeder eens verrassen en zorgen, dat zij bij hare thuiskomst het water kokend vindt. Fluks strijkt zij een lucifer af, het hout is droog en ontvlamt dadelijk; het meisje grijpt een pan en spoedt zich naar den put om water te halen. Zij heeft er niet op gelet, het onnoozele schaapje, dat zij vlak bij den bamboewand haar vuurtje bouwde. Vroolijk kringelen de vlammen omhoog, vurige tongetjes lekken even den muur, dalen, rijzen, vangen een spelletje aan, dat hoe langer hoe woester wordt; wat een grapje leek is dra in vreeselijken ernst verkeerd. Ontzet wijkt Moersina terug als zij haar huisje nadert; door de wanden licht een vuurzee.
„Brand, brand,” weerklinkt het spoedig alom; de weinige menschen, die thuis bleven, loopen te hoop, gillen door elkander, gesticuleeren met drukke gebaren en zien het angstig aan hoe de heftige wind de vonken verspreidt en de vlammen naar de andere huizen jaagt. Zij weten allen wat het beduidt, brand in hunne kampong met zulk een stormwind, tusschen de opeengebouwde huisjes van bamboe, de meeste met atap gedekt.
Het vuur grijpt om zich heen met veel armen, weldra staan zes, acht, tien woningen in brand. Alles rent dooreen om te redden, wat te redden valt, men sleept bultzak en kleerkist naar buiten, laat stoelen en tafels verbranden om vischgerij en kleedingstukken aan den boozen vijand te ontrukken.
Goddank, ditmaal eischt de vuurgod geen menschenlevens, doch des te gretiger verslindt hij wat vele monden dagen lang had kunnen voeden. Hier vallen volle garven padie hem ten buit, kort geleden in verzengenden zonnegloed, aar voor aar, in het zweet haars aanschijns door de snijdster gesneden; dáár worden in een oogenblik bakken vol gedroogde visch vernietigd, ter waarde van honderd gulden of meer wellicht.
De zwarte rookwolken over de stad heen trekkend, hebben van heinde en ver lieden doen toestroomen; in drommen trekt het volk op naar het tooneel van den brand.
Door Chineezen getrokken en bediend, komt nu ook de brandspuit aan, tallooze handen worden uitgestoken om te helpen blusschen en, zoo van alle kanten bestookt, moet het vuur wel wijken, na zijn tijd helaas maar al te goed besteed te hebben: twee en dertig huizen zijn in vlammen opgegaan.
Tegen zonsondergang wenden de visschers den steven huiswaarts. De zee is glad als een spiegel, langzaam nijgt de zon ter kimme, haar scheidend licht werpt een rozengloed over het groote, stille watervlak. Aan den horizont schijnt de vuurbol weg te zinken tusschen twee eilanden, die als reuzenbouquetten tegen lucht en water afsteken. Alles ademt zoete vrede, kalme rust.
Met volle zeilen komen de prauwen uit zee aanzetten, notedopjes gelijken zij, zoo uit de verte gezien, welker randen de golven bijna raken.
Onbewust van hetgeen hun wacht, naderen de visschers het strand en kijken uit, naar de plek waar hun thuis ligt, waar zij zullen landen. Maar wat is dat? Zij onderscheiden hunne huizen niet in het landschap; scherper turen zij met de hand boven de oogen en.... het gissen wordt zekerheid wanneer zij dichterbij komen: er is brand geweest in de kampong, de woningen van velen hunner zijn niet meer. Wat er in het hart dier mannen omgaat? Op hunne trekken is niets te lezen, als zij landend het droevig nieuws vernemen in zijn geheelen omvang, en de plek betreden waar dezen morgen hunne huizen stonden. In plaats daarvan vinden zij eene grijze aschvlakte, waaruit hier en daar nog kleine vlammen sissend te voorschijn schieten. Tusschen de puinhoopen en naast de verkoolde heggen zitten vrouwen en kinderen met het weinigje huisraad, dat zij konden redden, om zich heen. Strak en onbeweeglijk staren zij voor zich uit, ook op hun gelaat teekent zich ontroering noch verdriet, als droegen zij maskers, waarachter iedere aandoening der ziel verborgen blijft.
En over de aschvlakte speelt het stervend zonnelicht in laatsten vriendelijken glans, als profeteerde het: Geduld, geduld, wanhoopt niet; wat verloren ging, kan herwonnen worden, uit den dood zal nieuw leven verrijzen.
MARGO’S HELDENDAAD.
Margo was bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen en zette een snoeperig hoedje op de blonde krullen, terwijl mama en de zusters, bewonderend toeziende, om haar heen stonden. Het was een groote dag in het leven van het mooie blondje: voor het eerst zou zij zich, aan den arm van haar galant, in het publiek vertoonen. Mama, Suze en Cato hadden om strijd haar best gedaan het aardig persoontje voor den spiegel op haar voordeeligst te doen uitkomen, hierin zelve een groot genoegen vindend. Toch was dit niet onverdeeld geweest; de keeren waren immers geteld dat zij haar mooi konden opschikken, haar, aller lieveling, het verwende kind in huis.
Natuurlijk hadden hare ouders en zusters, lang vóór deze dag aanbrak, geweten, dat zij Margo na korteren of langeren tijd zouden moeten overgeven aan den boozen roover, die haar hartje zou stelen, maar zij hadden nooit anders gedacht of zij zouden het kind niet voor goed behoeven af te staan. Al volgde zij den roover naar eene andere stad, af en toe zou zij haar ouderlijk huis toch bezoeken of hare familie bij haar logeeren. Doch nu.... niets van dat alles, die prettige toekomst kon niet verwezenlijkt worden, want ver over zee moest Margo den man harer keuze volgen: hij was slechts tijdelijk met verlof in Holland, zijn werkkring lag in Indië. In dat opzicht noemde hare familie Margo’s keuze heel ongelukkig, ach! dat nu juist die man, heel van Java komend, in hun stil stadje neer moest strijken en de ware Jozef blijken. „Het was het noodlot,” zuchtte Suze tot Cato, en beiden moesten dubbel naar Margo’s stralend gezichtje kijken, om door dien aanblik haar egoïst verdriet naar den achtergrond te dringen.
Van den dag harer geboorte af, dus achttien jaar reeds, woonde Margo in de vriendelijke, kleine stad, waar haar vader burgemeester was.
Papa en de zusters hadden er de jaargetijden al heel wat keeren meer zien wisselen, want Margo was het eenig kind uit ’s burgemeesters tweede huwelijk en scheelde wel een jaar of vijftien met hare jongste stiefzuster. Prettiger, gelukkiger gezin dan dat van burgemeester Wetters was er niet te vinden, vrede en vroolijkheid hadden er voor goed hun intrek genomen. Toen haar vader nu bijna twintig jaar geleden zijn half volwassen dochters eene tweede moeder thuis bracht, was er van weerskanten dadelijk een bereidwillig streven geweest, om in vrede en eensgezindheid te leven, om door wederzijdsch schikken en plooien een vriendelijke verstandhouding in het leven te roepen; geen wonder dus dat deze spoedig ontstond, en, toen twee jaar later Margootje belet vroeg, werd het nieuwe zusje met groote vreugde ingehaald.
Natuurlijk werd zij het algemeene troetelpopje; haar moeder was eigenlijk de eenige, die het verstand een ernstig woordje mee liet spreken in Margo’s opvoeding. Wellicht was het hieraan te danken, misschien ook aan Margo’s gelukkigen aanleg, dat zij, in plaats van een onuitstaanbaar nufje te worden, opgroeide tot een allerliefst, eenvoudig meisje, vroolijk en guitig van aard, met een warm, gevoelig hart, en innig dankbaar voor al de zegeningen, die het leven haar schonk. Het sprak vanzelf, dat het Margo niet aan aanbidders ontbrak. Naarmate zij opgroeide veranderden deze van gewone schooljongens in Gymnasiasten en Hoogere burgers. De zesde klasse van het gymnasium bezong het mooiste meisje van de stad in het Latijn, de Hoogere burgers deden het in gewoon Hollandsch, doch beide soorten van gedichten lieten niets te wenschen over wat verhevenheid van stijl en bloemrijkheid van inhoud betrof. Margo lachte en schertste met haar ridderstoet, betuigde, dat zij de liederen aan haar gewijd, prachtig vond en verdeelde hare gunsten zoo gelijk mogelijk. De leelijksten en minstbevoorrechten onder de jongelui kregen de meeste, „want,” zei Gootje tegen Cato, „die stakkerds moeten toch al zoo veel missen omdat zij zoo verlegen en onbeholpen zijn.” Op zekeren dag stak mama een stokje voor al die gekheid. „Je bent nu haast zeventien, Gootjelief, en mij dunkt, dat het tijd wordt om het schoolmeisje voor de jonge dame plaats te laten maken,” sprak zij.
Margo lachte eens en gaf moes een zoen. In het vervolg zond zij de verzen en minnebrieven aan hare vereerders terug en wilde geen koek of chocolade met kermis of St. Nicolaas meer cadeau hebben. Hare parasol en andere pakjes droeg zij voortaan zelve, en wist haren aanbidders dus in alle mogelijke opzichten aan het verstand te brengen, dat zij als eene volwassen dame wenschte behandeld te worden.
Doch de Gymnasiasten en Hoogere burgers werden heeren studenten en, kwamen zij met vacantie thuis, dan brachten zij, als vroeger, het lieftallige burgemeestersdochtertje hunne hulde en maakten haar om strijd het hof. Margo werd geplaagd door hare vriendinnen, terwijl Cato en Suze elkaar toefluisterden: „We zullen onze lieve Go wel gauw geëngageerd zien.” Nu, de zusters vergisten zich niet, maar tot hare verbazing en tot innige verontwaardiging van haar trouwen ridderstoet, koos zij niet een van hen, maar een vreemden musch, die een half jaar geleden onder hen was komen neerstrijken. Als een vuurtje ging het door de stad: „Heb je het al gehoord? Weet je het al? Margootje Wetters is verloofd met Johan Graven, dien Indischen verlofganger, die bij den ouden heer Spaat op Zomerlust logeert.” En wie het nog niet geloofde, kon het den middag, waarop dit verhaal aanvangt, met eigen oogen zien, toen Margo aan den arm van een forsch gebouwden, knappen man, door het Indisch zonnetje flink bruin gebrand, al de voornaamste straten van hare geboortestad door wandelde, de oogen schitterend van geluk in het rose gezicht, dat vol kuiltjes en glimlachjes werd opgeheven naar de vrienden en kennissen, die zij op hun weg ontmoetten. Zij vormden een knap paar: de slanke blondine en de kloeke, donkere man aan hare zijde, wien oprechtheid en wilskracht op het voorhoofd waren geschreven en in de heldere oogen blonken. Vol liefde en trots rustte zijn blik op het aanvallig meisje, dat zoo vertrouwend haar handje op zijn arm liet rusten. Hij drukte die lieve, kleine hand dichter tegen zich aan en zij fluisterde hem toe: „O Hans, gaat het jou als mij, voel je je ook zoo onuitsprekelijk gelukkig, dat je de heele wereld wel aan het hart zou willen drukken?” En hij plaagde terug:
„Neen kindje, die groote wereld heeft mij niet noodig, maar ik weet wel wie ik aan het hart zou willen drukken, als hier niet zoo veel nieuwsgierige oogen om ons heen waren. Het is me alsof ik droom. Ik kan mij mijn geluk nog niet goed voorstellen. Heb ik nu heusch een meisje, als God wil, heel gauw een eigen dierbaar vrouwtje, ik, arme jonggezel, die jaren lang alleen moest voortsukkelen? Hoe vreemd is het leven toch, hé, schat? Daar moest ik van ver over zee in deze kleine stad aanlanden, omdat mijn oom hier bij toeval woonde en mij verzocht hem eens op te zoeken. Eerst had ik er volstrekt geen lust in, moet je weten, maar eene stille Voorzienigheid dreef mij hierheen opdat ik jou, mijn ander ik, zou ontmoeten. Eén blik in je blauwe oogen had het hem gedaan, dadelijk klonk het in mijn binnenste: Die en geen ander, al zou je je leven lang ongetrouwd moeten blijven.... Nu Gootje, biecht eens eerlijk op, hoe ging het jou?”
„Neen, zoo direct heb ik mijn hart niet aan je verloren, Hans, maar ik moest toch veel meer aan je denken dan goed was voor mijn zielerust,” bekende Margo openhartig. „En naderhand.... O Hans, als je alleen naar Indië waart teruggekeerd, ik had mij dood geschreid van verdriet.”
„Heusch, kindje?”
Zij waren op een eenzaam plekje, ver van spiedende nieuwsgierige oogen en.... Hans profiteerde van tijd en omstandigheden. Toen zij weer voortwandelden, hervatte de jonge man: „Margolief, ik sprak er al eens met je over, maar ik wilde, dat je het vooruit goed bedacht, kind, hoe verschillend je leven in Indië zal zijn, vergeleken met dat wat je hier leidt. Gisteren avond nam je het Cato een beetje kwalijk, toen zij je plaagde en zei, dat Java nog drie kwart een woestenij was en dat je conversatie zich tot zwarte of bruine dames zou bepalen. Zij overdreef natuurlijk, maar in zoo verre had zij gelijk, dat je er veel meer dan in Holland in je tehuis je wereld zult moeten zoeken. Wij kunnen op plaatsen komen te wonen waar bijna of in het geheel geene conversatie is, waar de menschen nooit iets hooren, dat naar een concert, opera of comedie gelijkt, waar....”
„Dwaze Hans, houd toch op,” viel zijn meisje in, „alsof het gemis van dat alles mij iets zal kunnen schelen, zoolang we het met ons beiden moeten ontberen. Neen, ik werd verdrietig op Toos omdat zij over die dieren begon. “’k Ging hier al op de vlucht voor eene spin,” plaagde zij, „wat zou dat in Indië geven?” Weet je, vent, ik werd boos omdat het waar is wat Toos zei; ik ben als de dood voor alles bijna wat insect heet. En nu ik toch aan het biechten ben, wil ik je er nog bij vertellen, dat ’k in alle opzichten een hazennatuur heb. ’t Is vreeselijk, maar ik kan er niets aan doen, ’k durf niet alleen in het donker loopen, ik schrik direct van ieder ongewoon geluid en stel mij dan heel flauw en kinderachtig aan. Laatst zat ik in de schemering te soezen, toen Suze stil de kamer binnenkwam en mij heel bedaard een kus gaf. Verbeeld je, ik gilde het uit en begon te schreien.”
„Maar kindje....”
„Ja Hans, ik weet beet wat je zeggen wilt, het is bespottelijk, ik heb er dikwijls knorren voor gehad als kind, en mama heeft haar best genoeg gedaan om mij die malle schrikgewoonten af te leeren, doch ik vrees, dat alles niet veel geholpen heeft.” Zij zweeg en zag half verlegen, half lachend naar Johan op, die, haar ondeugend aankijkend, meewarig het hoofd schudde. „O Gootje, Gootje, wat val je mij tegen,” sprak hij in koddige wanhoop, „wat moet ik in vredesnaam met zulk een „hazenvrouw” beginnen daarginds? ’k Weet er niets anders op, dan dat ik maar altijd aan je groene zijde blijf zitten, om je voor ieder mogelijk en onmogelijk gevaar te beschermen.”
„Spot jij maar,” klaagde Margo, „je zult zien, dat die malle bangheid mij nog eens in groote ongelegenheid brengt.”
„Dat zullen we moeten afwachten, poesje, en laat ons nu over wat anders praten. Kijk eens welke beeldige zaakjes hier uitgestald liggen,” vervolgde Hans, en hield haar staande voor den grootsten winkel van luxe-artikelen, dien de plaats rijk was. „Kies nu maar wat moois uit.”
Margo’s oogen schitterden, zij was dol op presentjes. „Ventjelief,” vleide zij, „weet je wat ik verbazend graag van je cadeau zou hebben? Een mooi kistje. En weet je waarvoor? Om jouw brieven in te bewaren; zie, dat is een hartewensch van me: een elegant kistje voor mijne minnebrieven.”
„Je zult het mooiste hebben, dat voor geld te krijgen is,” beloofde Hans, „maar of het ooit kwart vol zal komen, lieverdje, dat betwijfel ik zeer.”
„Ik heb in deze afgeloopen veertien dagen al zes brieven van je gehad,” beweerde Margo ijverig, „dus....”
„Ja, ja,” viel haar galant een beetje verlegen in, „dat kwam zoo door verschillende omstandigheden, het was in die dagen toen die zware verkoudheid mij thuis hield. Maar zie je, kindje, ik moet al zoo veel schrijven, mijne betrekking brengt dit mede, dat....”
Doch Margo was den winkel al binnen gestapt, en weldra stond het paartje voor zulk eene collectie kistjes, dat zij terecht van „embarras du choix” konden spreken. De winkelier had pas een nieuwen voorraad ontpakt en kwam steeds met meer aandragen.
„O Hans,” riep Margo op eens, terwijl zij de hand uitstrekte naar een lichtgrijs exemplaartje, dat de winkelier, als het laatste van zijne collectie, voor haar neerzette, „mag ik dit hebben? Wil je mij dit geven, als het ten minste niet te duur is, het is een prachtstuk.”
Het kistje was werkelijk een juweeltje in zijne soort, van palissanderhout vervaardigd en keurig besneden, zoo fijn en elegant, als het meest verwende dametje zich maar wenschen kon. Er zat een verguld sleuteltje op en het bleek van binnen even mooi afgewerkt als aan den buitenkant. Margo was een en al verrukking en Hans ging daar zoo in op, dat hij niet naar den prijs vroeg, doch den winkelier verzocht hem de rekening te zenden en het kistje onmiddellijk te willen bezorgen bij den burgemeester.
Toen de jongelui thuiskwamen, stond Margo’s nieuw eigendom er dan ook al. Hans kreeg zijn wel verdienden dank, het mooie cadeau werd door al de huisgenooten bovenmate bewonderd en toen bracht de eigenares het naar hare kamer. Met eene ernstige uitdrukking op het lief gelaat sloot zij het kistje open, haalde een pakje brieven te voorschijn, alle met dezelfde flinke mannenhand geschreven, en legde die er in, zoo zacht en liefkoozend de velletjes aanrakend, als waren ze bezielde wezens. Daarna draaide zij zorgvuldig het sleuteltje om en verborg dit aan een koordje om haar hals. „Daar ligt ge nu veilig bewaard, mijn dierbare brieven,” fluisterde Margo het kistje toe, „geen onbescheiden oogen zullen u kunnen lezen, geen schennende handen u ooit aanraken.” En met een laatsten, bewonderenden blik op haar nieuw verworven schat, keerde zij naar de huiskamer terug, die kleine, dwaze, romantische Margo.
Een jaar ruim is verloopen en we vinden Margo Wetters terug als mevrouw Graven op eene kleine plaats in Java’s binnenlanden. Het jonge vrouwtje heeft juist haar man uitgeleide gedaan, die voor een dag naar het naburige D. is vertrokken om er den landraad te presideeren. Het was vooral voor Margo een erge tegenvaller geweest, dat haar man voorzitter van twee landraden werd; hij moest nu telkens voor een of meer dagen van huis en zij kon zijn gezelschap zoo moeielijk missen. Margootje was innig gelukkig met haar Hans en had er nog geen oogenblik spijt van gehad, dat zij, ter wille van hem, haar vaderland en haar dierbaar tehuis verliet. Het leven in Indië was haar ook erg meegevallen wat de warmte en de eentonige levenswijze betrof, en vooral de insectenwereld bleek veel minder afschrikwekkend dan zij zich deze had voorgesteld. Of was de jonge vrouw zooveel flinker geworden?
Aan boord reeds had zij haar afschuw voor de kakkerlakken leeren bedwingen, ten minste uitte zij deze niet meer in luide gilletjes, nadat haar goede Hans er eens ontdaan van wakker schrikte, toen hij juist in een verkwikkenden slaap was gevallen, na een ellendig doorgebrachten nacht, want hij was zeeziek voor hen beiden. Ook kon zij er nu best tegen in het schemeruurtje geheel onverwachts een kus te ontvangen. Het was wonderlijk, Margootje vloog volstrekt niet verschrikt op bij zulke gelegenheden, integendeel zij bleef dood kalm zitten en drukte haar zachte wang tegen de groote, trouwe hand, die liefkoozend langs haar gezichtje streek. Wat de liefde al niet leert!
Innig dankbaar was het jonge paar, vooral ter wille van Hans, die bijna onafgebroken zeeziek was geweest, toen zij eindelijk weer vasten grond onder de voeten hadden. Al heel spoedig werd Graven tot president van de landraden te K. en D. benoemd en konden zij hunne bestemming volgen. Te K., hunne woonplaats, was het vrij stil en de conversatie bepaalde zich tot een paar families. De assistent-resident, sinds jaren weduwnaar, zonder kinderen, was een in zichzelf gekeerd mensch, die volstrekt geen intiemen omgang zocht. Met het controleursvrouwtje kon Margo dadelijk opschieten, zij was ook eene Hollandsche en een vroolijke, opgeruimde ziel, hoewel zij veel met zieke kinderen tobde. Margo zou nooit vergeten hoe Tommy, haar oudste dochtertje, aanleiding had gegeven tot de eerste bittere tranen, die zij in haar huwelijk stortte. Dit gebeurde bij de volgende gelegenheid.
Wanneer Hans druk werk had of uit was, haalde Margo kleine Tom dikwijls bij zich, dan had hare moeder de handen vrij om zich geheel aan hare ziekelijke tweelingen te wijden, en Gootje vond het een genot het driejarig dreumesje, dat dol op haar was, om zich heen te hebben. Zoo had zij op zekeren dag Tom weer laten halen en zat naast het kind, in Hans’ kantoor te naaien. Zij had de kleine meid op de schrijftafel gezet, dan kon zij beter het oog op haar houden. Johan was even uitgegaan, hij had een geruimen tijd ijverig zitten schrijven.
Na een poosje kwam de naaister binnen om te vragen of mevrouw haar wilde helpen de toorooks [2] voor den koetsier te knippen. „Breng het goed maar hier,” zei het jonge vrouwtje, en op den grond knielend, begon zij te passen en te meten, weldra zóó in haar werk verdiept, dat zij in het geheel niet op Tommy lette.
„Daar komt mijnheer,” riep djait [3] op eens, die terecht vermoedde, dat de heer des huizes dien kniprommel op het kantoor liever niet zien zou.
Margo ruimde haastig op en was juist klaar toen haar man binnentrad. Verbaasd zag zij op, daar zij hem op eens het vroolijke deuntje hoorde afbreken, waarmede hij het vertrek was ingetreden, terwijl hij stokstijf in het midden der kamer bleef stilstaan. Onwillekeurig volgde zij zijn blik naar de schrijftafel.... ach, nu begreep zij de uitdrukking van zijn strak, donker betrokken gelaat.