Part 6
Terwijl mijn man zich met de inlandsche hoofden over dienstzaken onderhield, ging ik even zitten, toen ik achter mijn schommelstoel eenige beweging bespeurde. In de veronderstelling, dat een bediende langs mij heenschoof, bleef ik kalm zitten, doch tot mijn verbazing zag ik op eens een vrouw van den grond opstaan en mij zeer eerbiedig begroeten. Het was eene knappe inlandsche, heel mooi aangekleed, met een zwart satijnen baadje en groote juweelen op de borst en in de ooren. ’k Begreep dadelijk, dat zij de Raden-Ajoe van den assistent-wedono was, en maakte uit hare gebaren op, dat zij mij van de taarten aanbood, die op tafel gereed stonden, want ik verstond geen woord van wat zij in het Javaansch vertelde. Ook had ik niet veel trek in het inlandsch gebak, dat meestal droog is of onaangename bijsmaakjes heeft, maar beleefdheidshalve nam ik een stukje, dat ’k met groote moeite naar binnen werkte, want het smaakte vreeselijk naar den rook en was bovendien niet goed gaar. Nadat zij aan de plichten der gastvrijheid voldaan had, ging de Raden-Ajoe weer deftig aan mijne voeten zitten, en we namen beiden een bedachtzaam stilzwijgen in acht tot mijn man gereed was.
Blijde stond ik op, in de meening verlost te zijn van de taart en het benauwend gezelschap der inlandsche dame, doch dit laatste kwam anders uit. De Raden-Ajoe verklaarde, dat zij mevrouw vergezellen wilde in de prauw, greep mijn doek en taschje, en stapte vastberaden achter ons aan naar het vaartuigje, dat er met zijne vroolijke vlaggen en bamboe zonnetentje heel aardig uitzag. De prauw was keurig in orde, er lagen dekens op de banken en een mat op den bodem. Wij gingen onder de zonnetent zitten, de Raden-Ajoe plaatste zich op den grond. Dank zij mijn man, die haar spoedig inlichtte, dat ik slechts Maleisch verstond, vlotte de conversatie iets beter; we spraken over de kinderen, de dieren, den prijs der levensmiddelen, enz. en keken ter afwisseling naar de begroeide oevers der rivier, waarop de roeiers ons vrij vlug voortpagaaiden. In andere prauwen volgden ons de inlandsche Hoofden, zoodat wij eene aardige miniatuurvloot vormden, die lustig voortgleed. Als we kampongs passeerden, stonden schreeuwende jongetjes ons op te wachten, en draafden zoo ver mogelijk mee om langer te genieten van het ongewone schouwspel, dat onze vloot hun bood. Vrouwen spoelden hare wasch of baadden hare kinderen in het verre van heldere water; overal was leven en bedrijvigheid.
„Wat zouden ze thuis vreemd opkijken, als zij mij hier eens konden zien,” dacht ik bij mij zelve, „in dit primitieve vaartuig met zulk eigenaardig gezelschap.”
DE EERSTE BUI.
De buitengewoon warme, ongezonde Oost-mousson loopt gelukkig ten einde. Mensch, dier, gewas, alles snakt naar regen; maanden achtereen is er geen droppeltje gevallen, al zijn wij in den drogen tijd, toch een ongewoon verschijnsel. Iederen morgen staat de zon even helder aan den wolkloozen hemel, en bestraalt met haar verzengenden gloed het gewas op den akker, trekt het weinige water tot zich, dat nog in de stroompjes overbleef, doet mensch en dier hijgen, zuchten, de koelst mogelijke plekjes opzoeken.
„Lieve hemel wat is het warm!” Deze uitroep ontsnapt mij misschien wel voor den derden keer, terwijl ik lusteloos op een luierstoel uitgestrekt naar buiten lig te staren.
Alles ziet er even verlept en grauw uit, de bladeren der boomen met een dikke stoflaag bedekt, hebben hun fraai groene kleur geheel verloren, een nijdige rukwind, zoo warm alsof hij; uit de Sahara kwam, veegt af en toe de kruinen der palmen schoon, maar die weelde duurt niet lang: al heel spoedig hebben zij het oude onooglijke pakje weêr aan. De weg is bijna onbegaanbaar, diep zakken de wielen der karretjes in het stof en in hooge wolken verstuift het zand onder de hoeven der paarden. Straks, toen ik even naar buiten ging om naar mijne bloemen te kijken, kreeg ik een gevoel alsof ik voor een bakkersoven stond; zij zien er niets fleurig uit, mijn arme bloemen, de rozen laten kwijnend blad en knoppen hangen, te moe en uitgeput om veel op te frisschen van het lauwe putwater, waarmee ik ze liet besproeien.
Logge karbouwen trekken hijgend ons erf voorbij, zij kunnen de zwaar beladen karren suikerriet moeielijk voortkrijgen; ik zie den drijver twee keer stilstaan, om hunne koppen met water te besproeien uit een modderig riviertje, dat nog niet geheel is opgedroogd.
Overal hoort men van ziekte, in de kampongs zoowel als bij de Europeanen; mijne bedienden komen ook telkens een van allen niet binnen, en als ik naar hen ga kijken, liggen ze suf, met wezenlooze oogen voor zich uitstarend, op de balé-balé, rillend van koorts en met zware hoofdpijn.
Wij zelve zijn ook niet recht wel, alles vermoeit ons en maakt ons veel warmer, mijn naaiwerk valt mij uit de hand, de pen wordt klam in mijne vingers, hoe kan men ook werken bij zulk eene hitte!
De insecten alleen trekken zich niets aan van de onaangename weêrsgesteldheid, vliegen en muskieten zijn dubbel zoo druk en danslustig als anders en maken het mij zoo lastig, dat ik ze uit den grond van mijn hart verwensch. Wat in het water leeft moet dubbel in zijn element zijn op dagen als deze, ofschoon dit ook niet frisch kan zijn; zelfs in mijn koele badkamer, waar geen zonnestraaltje binnendringt, was het water lauw van morgen.
De hoofdpijn, waarmee ik opstond, wordt erger in plaats van beter, ik ga naar mijn kamer om eau de cologne te halen en word op mijn weg daarheen onaangenaam verrast door het gezicht van de wasch, die in de achtergalerij ligt te wachten om nageteld en geborgen te worden. ’k Heb veel meer lust om wat te gaan rusten, maar ik kan het goed toch niet laten liggen, dus roep ik baboe om mij te helpen, doch zie haar niet verschijnen.
„Baboe is ziek, mevrouw,” licht de huisjongen mij in.
„Weêr ziek,” zeg ik knorrig, „dat is nu al de derde keer van de week, zoo kan het niet langer.” Al pruttelend ga ik naar haar kijken en moet een zonnig stukje erf oversteken om hare kamer te bereiken. ’t Is er donker en benauwd; mijn Ramé is een knappe meid, hare kondeh zit altijd netjes, hare kleeren zijn steeds helder en zindelijk. Nu ziet zij er echter al zeer onooglijk uit, met loshangende haren, een morsig baadje aan en op haar voorhoofd een groen papje, dat van een zeker boomblad gemaakt, een inlandsch geneesmiddel tegen de hoofdpijn is. Ik ben een weinig ontstemd binnengekomen, maar als ik de arme meid goed aankijk, krijg ik bepaald medelijden met haar, want zij ziet er ellendig uit. Ziek als ze is, glijdt ze toch dadelijk van haar bed, omdat het niet behoorlijk is mevrouw, anders dan op den grond gehurkt, te ontvangen.
„Ben je zoo ziek, baboe, zal ik den dokter djawa voor je laten komen?” vraag ik.
„Och neen, mevrouw,” zegt ze met flauwe stem, „mevrouw heeft mij goede medicijn gegeven, de koorts is nu weg, maar ik ben nog zoo moe, dat ik niet op de been kan blijven; ’t is ook zoo warm, kwam er maar regen.”
„Ja, kwam er maar regen,” zucht ik eveneens, en na haar wat eau de cologne te hebben gegeven, ofschoon overtuigd, dat zij veel meer vertrouwen stelt in haar eigen groen mengseltje, ga ik naar binnen en beredder de wasch alleen.
De waschbaas heeft erg vuil gewasschen: de bruine vlekken door het stout er op achtergelaten, zitten nog in de tafellakens en de vaatdoeken vertoonen overal vette plekken. „Dat kan ik zoo niet gebruiken,” zeg ik bij mijzelf, een grooten hoop terzijde leggend, „dit moet allemaal worden overgewasschen.” Maar dan bedenk ik, dat ik het goed veel later thuis kreeg dan anders, omdat de waschbaas ook al ziek was, het water is bovendien zeer schaarsch de laatste weken, de meeste putten zijn droog. Daar de onze zeer diep zijn, hebben wij nog genoeg, maar velen, niet zoo gelukkig, moeten het water van ver weg laten halen.
Eindelijk hen ik klaar en ga naar de groote slaapkamer, waar het betrekkelijk koel en heerlijk donker is. Pun, mijn poesje, komt mij miauwend te gemoet, zij heeft zich achter in het zand gerold, haar wit vel is groezelig, als ik haar streel voelt zij stoffig en kleverig aan. Mooi is poesje niet met haar flauw blauwe oogen, haar grooten kop en knoop in den staart, dien zij, zeer ongracieus, loodrecht omhoog draagt. Wanneer ik haar buiten de deur zet, merk ik op dat het in de binnengalerij niet veel lichter is dan in de slaapkamer, de zon is schuil gegaan achter groote wolken. Doch dit doet zij bijna iederen dag zonder dat er iets van komt; ik zal mij maar niet op een doode musch verheugen. Een paar muskieten zijn binnen de klamboe gebleven, en hunne bloeddorstige aanvallen op mijn gezicht en handen, maken het mij onmogelijk in te dutten; ik lig dus maar stil, met de oogen dicht, zoo zal de hoofdpijn misschien wel zakken, ofschoon het hier ook al warm is, warm en drukkend. Zoo lig ik een half uur of langer te soezen als ik opschrik door een ongewoon geluid, dat de stilte om mij heen verbreekt.
Wat is dat? Zacht en onregelmatig tikt er iets tegen het raam, dan hoor ik een vreemd geloei in de lucht, dat van verre, heel van verre schijnt te komen en op eens.... een geplas en gekletter, dat hooren en zien mij vergaat. Het regent! Goddank, Goddank, het regent.
In een oogenblik sta ik op mijn voeten en gooi ramen en zonneblinden wijd open, een heerlijk tafereel treft mijn oog.
In volle, dikke stralen stroomt het zegen brengend nat uit den hemel op de dorstige aarde, die het gretig, dankbaar inzuigt, op boom en struik, hun leelijk pakje omtooverend in de fraaiste feestkleedij, op mijn uitgeputte bloemen, rozen, viooltjes, melatie, die als dankend zich opheffen en hare zoetste geuren omhoog zenden.
„Hoe is het met je hoofdpijn?” vraagt mijn man, die naast mij is komen staan, en mij glimlachend aanziet.
„O die is weg, heelemaal weg, maar zie toch eens, man, hoe heerlijk frisch alles er uitziet, is het niet goddelijk? Die struik ginds.... ik dacht, dat zijn bladeren zwart waren, nu zie ik pas hoe beeldig lichtrood zij zijn. Wat riekt de melatie sterk, hé, en hoe rein wit zijn de bloempjes nu. Daar bij den uitgang van het erf is een flink zeetje, waar gaat al dat water met zulk een vaart naar toe?”
Maar buiten kunnen we alles nog veel beter zien, we gaan dus naar de voorgalerij. De regen is aan het verminderen, maar het water maakt een verbazend geweld boven ons hoofd, waar het door de dakgoten bruist, en aan het eind gekomen naar omlaag stort. De bedienden hebben overal bakken gezet om het regenwater op te vangen, zij loopen lachend af en aan en plassen met de bloote voeten door het nat. Van het achtererf klinkt een verbazend gelach en geschater, ik ga eens kijken en aanschouw een aardig tooneeltje onder een waterstraal, die van een flinke hoogte naar beneden komt. Twee knaapjes, de kleintjes van den koetsier, krijgen van moeder een bad uit de eerste hand. Met hun beiden zijn ze misschien nog geen vijf jaar, mollig en gezond, met stevige armen en beenen. Het water druipt langs hunne naakte leden, zij spartelen en dansen gillend, half van angst, half van pret, als moeder hen onder den waterstraal duwt, dan volgt een proesten, lachen en schateren, dat men lust krijgt mee te doen. Hoe lief, onschuldig en aanvallig zijn zij, net zoo aardig om te zien met hunne schitterende oogjes, gladgeschoren kopjes en dikke rijstbuikjes, als blanke kindertjes met rose wangen.
De regen heeft nu geheel opgehouden, het druipt en lekt uit de boomen, maar we kunnen toch al weer wandelen op de begrinte paden. Hoe geurig riekt het overal, hoe helder is de atmosfeer, geheel van stof gezuiverd. ’k Werp het hoofd achterover om de kruidige lucht in te ademen en geef er niets om, dat een regen zware druppels uit den grooten mangaboom een treurige verwoesting in mijn poney aanricht. Pun schijnt buiten door de bui verrast te zijn en zit zich nu uit alle macht te poetsen; zij houdt niet van nat, maar had het ongewenschte bad hoog noodig. Bij de badkamer vind ik baboe, die bezig is regenwater door eene zeef te laten loopen, om er de waschkannen mee te vullen. Zij heeft ook een geheel ander voorkomen dan daar straks, het vieze goedje is van haar voorhoofd af, regendruppels glinsteren in haar net opgemaakte kondeh, zij ziet er even frisch en helder uit als het water, dat zij in de kannen giet.
„Weer beter, baboe?” vraag ik lachend. Zij lacht ook, en antwoordt vroolijk:
„Heelemaal beter, mevrouw, ’t is nu ook zoo lekker buiten.”
De groote weg is één modderplas, wij kunnen onze gewone avondwandeling niet maken, en genieten dus maar in de voorgalerij van de verfrischte atmosfeer.
„Er zal van nacht nog heel wat regen vallen,” merkt mijn man op, met een blik naar de lucht.
„Heerlijk,” roep ik, „wij kunnen nog veel gebruiken, de grond is uitgedroogd.”
Ik kan mij nu niet voorstellen, dat de elken dag terugkeerende regenvloed ons gauw zal gaan vervelen. Met genot volg ik de druppels, die van de frissche bladeren glijden en met zacht getik omlaag vallen; de donkere wolken aan den horizon zie ik veel liever dan den mooien sterrenhemel van gisteren, ik voel mij verjongd, opgewekt, levenslustig, een geheel ander mensch dan vóór de eerste bui.
ALLEEN THUIS.
Voor de eerste maal sinds mijne komst in Indië zal ik alleen thuis blijven. Tot dusver heb ik mijn man steeds kunnen vergezellen op zijne tournées; nu moet hij echter twee dagen te paard de bergen in, is genoodzaakt in een slechte pasangrahan (soort logement) te overnachten, en ik kan onmogelijk meegaan.
Nadat ik hem uitgeleide heb gedaan, stap ik zuchtend het huis weer binnen. Wij wonen nog niet lang op dit kleine plaatsje in het binnenland, en ik ken geen der families intiem genoeg om ze te bezoeken in dien tijd, of te kunnen verwachten, dat zij het mij zullen doen.
Ach, hoe heerlijk toch in Holland te zijn, in een stad waar familie of vrienden u omringen, waar men lang genoeg vertoeft om nauwe banden aan te knoopen, intieme kennissen te maken, bij wie ge steeds even welkom zijt als zij bij u.
Hier ziet men onophoudelijk nieuwe gezichten; pas zijt ge elkaar een weinig nader gekomen, en hoopt eene gezellige conversatie te beginnen, dáár leest ge de overplaatsing der familie of wel uw eigene in de courant en een paar weken later zijt ge elkaar half vergeten. Enfin, dit is nu eenmaal niet anders en men doet wijs er niet over te pruttelen. Zijne huiselijke omgeving, zijn gezellig intérieurtje kan een mensch toch overal meenemen, al trekt hij naar de eenzaamste oorden, en, zoo ergens, dan is ’t in het binnenland een voorwaarde om gelukkig te zijn, dat ge uw tehuis tot uw wereld weet te maken, want buiten uw eigen kringetje moet ge niet veel afleiding verwachten. Men komt er dan ook spoedig toe zich op eigen klein gebied aan te schaffen wat het leven veraangenamen, en de eentonigheid er aan ontnemen kan. Behalve de huisdieren, hebben we allerlei beesten op het erf: koeien, paarden, kwakende eenden, kippen, duiven in soorten, konijnen, marmotten, enz. en het is een eigenaardig genot voor mij ze in hun doen en laten te bespieden, hen aan mij te gewennen en mak te maken.
Na het ontbijt is steeds mijn eerste werk naar de goedang of provisiekamer te gaan, voeder (eten) uit te geven voor mijn vierbeenige en gevederde lievelingen en last not least, voor ons zelve. ’k Besluit dus hieraan te beginnen, neem mijn sleutelmandje, en begeef mij naar de bijgebouwen.
Nog vlugger dan de bedienden, hebben de vogels het in ’t vizier, dat de goedang geopend zal worden; de duiven zaten reeds op het dak te wachten en fladderen nu in tientallen om mij heen. Zij zijn verzot op djagoeng of Turksche tarwe, de schuwste laten zich door deze lekkernij verlokken in mijne onmiddellijke nabijheid neer te strijken, doch dat zijn er maar enkele, bijna allen laten zij zich streelen en met de hand pakken. Daar komen de kippen en eenden aan, de hoenders als driftig trippelende dametjes met veel onnoodige drukte, de eenden al onbevallig wat er aan is, met hun schommelgang en snaterende bekken. Eén mama-eend waggelt met haar kroost regelrecht de provisiekamer binnen; zij weet wel, dat ik haar, ter wille der kleintjes, een beetje verwen en in de goedang zelf laat eten. Al kwakend stapt zij naar het gewone plekje achter de deur en helpt hare domme kinderen voort, die de eigenschap, welke men hun soort toeschrijft, nog in hooger mate bezitten dan de oude lui.
De staljongen verschijnt nu op het tooneel en vraagt zout en rijst voor de koeien om boeboer of brei te koken, en paddie voor de paarden; ik geef kokkie het noodige voor het middag- en avondeten, de huisjongen brengt de lampen die gevuld moeten worden. Petroleumkannen kennen wij hier niet: uit het groote blik pompt men de olie op in het reservoir van de lamp. Mijn Sastra morst nog al eens bij deze gelegenheid, maar op den steenen vloer komt dit er minder op aan. Na een half uurtje ben ik klaar en ga, vergezeld van Leeuwtje, mijn aardigen hond, naar den stal om den apen vruchten te brengen en eens naar de paarden te zien. De paarden kennen mijne stem en hinniken vroolijk als ik hen toespreek, maar met de apen ben ik op geen goeden voet. Zij grijpen mij de vruchten af, maken nijdige geluiden, rukken aan hun ketting en betoonen niet de minste dankbaarheid. Een van de drie, Jim genaamd, was tot dusver vrij mak, hij stak zijn snuitje vooruit als hij mij zag, legde een harig handje op zijne borst, en nam heel netjes de vruchten aan, die ik hem bood. Van morgen is hij echter uit zijn humeur en even onvriendelijk als de anderen; ’k denk, dat het stalpersoneel de dieren plaagt en zij daardoor valsch worden. Leeuwtje blijft op een afstand, hij is bang en zij grijnzen en krijschen boosaardig tegen hem, misschien beneden zij het dier zijn heerlijke vrijheid.
Mijn hondje is anders goedig genoeg, hij stoeit en speelt met Puzz, mijn vinnige poes, zonder haar ooit pijn te doen, vernielt nooit iets, is steeds gehoorzaam en bedaard.
Wij ontbeten vroeger dan anders: ’t is dan ook nog niet te warm om de bloemen in oogenschouw te gaan nemen. Deze bestaan voornamelijk uit rozen, die in potten zoowel als in den vollen grond, frisch en heerlijk bloeien; ik bewonder en verzorg ze gaarne, maar zij zijn mij niet half zoo lief als wilde viooltjes, die ik met veel moeite van één klein plantje tot een flinke tobbe vol gekweekt heb. De bloempjes gaan nooit geheel open, maar haar geur is even sterk als in Holland, en tal van liefelijke herinneringen aan het verre vaderland komen mij in de gedachte, als ik de paarsblauwe blaadjes tusschen het welig groen ontdek, en de zoete geur tot mij opstijgt.
Het is iets opmerkelijks in dit immer groene land, dat men zoo weinig bloemen ziet. Zij groeien niet tusschen het gras, in stilstaand water of aan stroomende beekjes, evenmin als in de tuintjes der inlanders. Eigenlijke veldbloemen komt men nooit tegen; wel bloeien hier en daar de heggen met blauwe of paarse klokken en ziet men hooge struiken, die roode bloempjes dragen, de z.g. Salièra, doch hiermede houdt het op, ten minste in deze streek.
Het huis lijkt mij als uitgestorven wanneer ik er weer binnentreed; nu is dit louter verbeelding, want ’s morgens is mijn man natuurlijk op het kantoor aan zijn werk, maar de gedachte dat ik hem er nu niet vinden zal als ik lust krijg even bij hem aan te wippen, maakt het zeker zoo eenzaam om mij heen. Werk heb ik anders genoeg en lectuur ook, in overvloed, maar de uren gaan niet zoo vlug voorbij als anders—alleen met Leeuwtje tot gezelschap, die den baas eveneens mist.
Ik wil gaarne aannemen, dat een moeder met twee of meer kinderen het hier volhandig kan hebben, maar wanneer de vrouw des huizes, zooals ik, slechts voor haar man en zichzelve hoeft te zorgen, heeft zij het stellig oneindig gemakkelijker dan de meeste dames van haar stand en hare positie in Holland. De wasch behoeft zij slechts te bergen; het reinigen van thee- of koffie-servies laat zij den huisjongen over; stof afnemen, zelf eens meehelpen op drukke dagen om de dienstboden te gemoet te komen, dit alles vervalt in Indië, omdat men er handen genoeg heeft. Met mijne bedienden trof ik het zeer goed; zij gingen van de vorige standplaats met ons mee, twee van hen met vrouw en kinderen. Achter het huis, in de bijgebouwen, hebben zij hunne kamers, en ik merk zeer weinig van hun huiselijk leven op dien afstand. Wel weet ik, dat de vrouw van mijn huisjongen haar eerste kindje wacht, en de aanstaande ouders daar recht mee in hun schik zijn. De koetsier heeft een schoolgaand knaapje, hij wil er een geleerde van maken en betaalt 25 cents ’s maands voor zijne geestelijke vorming. Heel trotsch stapt die zesjarige kleuter ’s morgens naar school, vader heeft hem geholpen hoofddoek en sarong netjes aan te doen; met de lei onder den arm en reeds iets statigs en deftigs in gang en houding, begeeft hij zich naar den tempel der wijsheid. Toen hij de Javaansche letterteekens beet had, vond bij onze witte buitenmuren zeer geschikt om zijne kunst op te oefenen en, pas na eenige zeer ernstige vermaningen op dit punt, kwam ik de vreemde figuren: puntjes, boogjes, streepjes, niet meer tegen.
Mijn verderen morgen aan schrijf- en naaiwerk bestedend, is deze zoo wat om, als ik het houten hamertje en ’t eigenaardig zwiepend geluid hoor, waarmee de klontong (koopman) zich en zijne waar aankondigt.
De muziek met het hamertje maakt hij zelf en het piepend geluid wordt veroorzaakt door het heen en weerschuiven van den bamboe—draagstok—waaraan de pakken met goederen hangen.
De dragers of koelies zijn gewoonlijk flinke, goed gebouwde menschen, die voor gering loon uren en uren aaneen belast en beladen voortsjokken. Een inlander kan onbegrijpelijk lang achtereen loopen op een sukkeldrafje, slechts af en toe stilstaand om zijn last te verplaatsen.
Diep in het binnenland, zooals hier, waar niet anders dan het hoog noodige voorhanden is, maakt een klontong meestal goede zaken; iedereen profiteert van de gelegenheid.
Deze koopman is een Chinees, die betrekkelijk al in goeden doen is, want hij heeft 4 koelies, die elk twee met matten omgeven pakken neerzetten. Toen deze zoon van het hemelsche rijk begon, droeg hij ongetwijfeld zijn pakje zelf, spaarde, overlegde en leed half honger om eindelijk zooveel bijeen te hebben gegaard, dat hij zich één, later meer koelies kon aanschaffen, naarmate hij zijne zaken uitbreidde. Vlijtig en werkzaam zijn de Chineezen, dit moet ieder hun nageven.
Zelden heb ik zulk een leelijk, bijdehand kereltje gezien als dit exemplaar. In zijn vuil geel gezicht met uitstekende wangbeenderen, blinken scherpe zwarte oogjes; voor zijn gemak had hij den langen staart, die aan het achterhoofd slingert, om de kaalgeschoren kruin gelegd, doch nu hij mij ziet aankomen laat hij hem uit beleefdheid weer bengelen.
In Holland hebben de vischvrouwen den roep ongehoord te overvragen, maar zij konden bij de kooplui hier een lesje nemen. In het begin was ik dikwijls verstomd en besloot niet te bieden, maar door ondervinding wijzer geworden, ding ik nu even brutaal af als zij durven eischen, en krijg een en ander soms voor een derde of vierde van den gevraagden prijs. De koopman is zelf overtuigd dat hij schromelijk overvraagt, en zegt heel gemoedelijk af en toe: „boleh tawar,” hetgeen beduidt: „Je mag afdingen.” Van deze vergunning ruimschoots gebruik makend, koop ik mooie zijde, lint, kant, enz. voor matigen prijs, maar bewonder slechts de juweelen, die hij in een geheimzinnig afzonderlijk trommeltje bij zich heeft. Oorknoppen van ƒ 300, een armband van ƒ 500, ringen, spelden, enz.
„Koop maar wat,” zegt vriend Baba, „boleh tawar.” Doch al schitteren de steentjes nog zoo verleidelijk, wie weet hoe weinig zij misschien waard zijn; ik ben geen deskundige en lach bij mijzelve, als ik den Chinees slechts noode het trommeltje zie sluiten, nu ik niet eens wil bieden op al dat fraais, en hem zeg, dat hij naar rijke njonja’s moet gaan met al die dure zaakjes.