Part 5
Den karbouwendieven is het meestal niet te doen om het ontvreemde vee te behouden tot eigen nut of het te slachten; zij stelen om geldelijk voordeel te behalen. Is een karbouw zoek, dan krijgt de bestolene meestal een paar dagen later een geheimzinnige visite. De bezoeker weet te vertellen, dat Kerto of Achmad zijn karbouw gezond en wel terug kan bekomen, doch hij moet er voor betalen. Het is niets ongewoons, dat de dieven twee derde van de waarde, die het beest heeft, eischen. Stemt de eigenaar in de bedongen voorwaarden toe, dan moet hij zich naar eene of andere afgelegen plek in bosch of wildernis begeven met het geld bij zich. Hier wacht hem een onbekende, die de ƒ 20 of ƒ 30 in ontvangst neemt en den bestolene toevoegt: „Volg deze of gene richting en ge zult uw dier vinden.”
Het gebeurt zelden of nooit, dat er met deze transactie valsch spel wordt gespeeld. Toen Katjong eindelijk besloot zijn huisje binnen te gaan, vond hij vader noch moeder; de zusjes vertelden, dat moeder nog niet van de passer was thuisgekomen en vader uit was om hem en de dieren te zoeken. Doch dit gaf den kleinen zondaar slechts uitstel van executie. Al heel spoedig verscheen vader en nu volgde er een zeer pijnlijk tooneel. In plaats van zijn vreugde te kennen te geven, dat zijn zoon ten minste niet verloren raakte, diende de verbolgen vader dit jonge mensch eene tuchtiging toe, zooals hem nog nooit was te beurt gevallen. Dien heelen dag kreeg Katjong geen goed woord en hield zich wijselijk zooveel mogelijk uit den weg. Maar tot de eer van het ventje dient gezegd, dat hij veel meer verdriet had over het verlies van Possong en Oerip dan over de bekomen klappen. ’s Avonds, terwijl zijne ouders bij het walmend oliepitje zaten te beraadslagen, vroeg hij eensklaps in den angst van zijn hart: „Vader, zouden de dieven Possong wel voer hebben gegeven?”
„Houd je mond,” snauwde moeder hem toe, „en ga slapen of ik zal je krijgen.” Katjong kneep zijn oogen dicht, doch de gedachte aan den leegen stal hield hem lang wakker. En hoe treurig was het, den volgenden morgen zijne makkers met hunne karbouwen voorbij te zien trekken en in druilerig nietsdoen den tijd door te brengen.
Tegen het vallen van den avond kwam een onbekende het erfje op, en nu volgde de gewone comedie, waarop Pak-Kastimah en zijn vrouw reeds waren voorbereid. Maar de handlanger vroeg meer dan waarop het echtpaar had gerekend: voor ƒ 30, geen cent minder, kon hij de karbouwen slechts terug bezorgen. Waar moest die groote som vandaan komen? Moeder zocht bijeen wat eenigszins aan kleeren kon gemist worden, doch meer den ƒ 2, ƒ 3 zou de pandjeshuishouder daar niet op geven.
Vader en moeder waren dadelijk besloten het middel om hunne karbouwen terug te krijgen met beide handen aan te grijpen. Al had Pak-Kastimah de zaak dadelijk aangegeven, het was gevaarlijk deze alleen aan de politie over te laten. ’t Kon zijn, dat zij mettertijd de dieven te pakken kreeg, doch van Possong en Oerip zouden de beenderen dan zeker al lang verbleekt zijn. Zuchtend besloot vader zijn kris te beleenen, daar kon hij zeker ƒ 25 op krijgen. Het was een poesaka (erfstuk), dat hij van zijn vaders vader geërfd had, met echte steentjes aan het handvat.
Maar de pandhuishouder wilde de kris hoogstens voor tien gulden in pand nemen en op de kleeren gaf hij niet meer dan twee gulden.
Van de familie en een paar vrienden kreeg vader nog vijf gulden, de rest bekwam hij tegen woekerrente van een oude vrouw, die gewoonlijk hare dessagenooten uit den brand hielp, in gevallen als waarin Pak-Kastimah nu verkeerde, doch zich hare hulp buitensporig hoog liet betalen. Twintig procent was al het minste, waartegen zij hare kostbare duitjes uitzette.
Met een verlicht hart kwam vader eindelijk thuis, het geld was bijeen, morgen konden de dieren weer op stal staan. Met moeder werd de som nog eens goed nageteld, in het zakje gedaan en onder vaders hoofdkussen veilig verborgen.
Het was ongeveer middernacht; alles lag in diepe rust in Pak-Kastimah’s woning. behalve Katjong, die telkens wakker schrikte als hij den slaap al even vatte, door allerlei nare droomen achtervolgd. Nu eens zag hij Possong met afgesneden hals in het bosch liggen; dan weder doorleefde hij, half wakend, half droomend, het akelig tooneel toen hij als rietdief werd opgepakt. De kameraadjes hadden zijne hoop dat die zaak zou zijn afgeloopen, geheel den bodem ingeslagen. Spoedig zou hij, met vader, naar de kotta worden opgeroepen en daar werd hij stellig in de boei (gevangenis) gestopt in een donker hok, waar hij maanden lang moest opgesloten blijven. Katjong zou zeker bleek zijn geworden van ontzetting als zijn vel hiertoe in staat ware geweest, nu puilden hem de oogen nog meer uit het hoofd dan anders; elke straf scheen het natuurkind verkieselijk boven lange, eenzame afsluiting.
In de halve duisternis en stilte om hem heen, scheen Katjong dit vooruitzicht nog veel verschrikkelijker; hij wentelde zich op zijn matje heen en weer, wischte zich het angstzweet van het gezicht, opende de oogen en ging rechtop zitten. Daar werd plotseling zijn blik door iets ongewoons getroffen, het scheen wel of de grond bewoog dicht bij de deur.
Het kind keek scherp toe en zag nu duidelijk korreltjes aarde ter zijde rollen: zacht en onhoorbaar zakte de grond naar omlaag en daar dook eensklaps uit de gemaakte opening een hoofd op. Het loerende knaapje begreep dadelijk wat dit beduidde: een dief wist dat er veel geld in huis was en trachtte dit door ondergraving van het huisje te bemachtigen.
„Vader, vader, dieven,” gilde Katjong uit al zijn macht; hij sprong overeind en trappelde met zijn magere beentjes om zich heen. Slaapdronken rees Pak-Kastimah overeind en rukte de deur open, maar in den pikdonkeren nacht viel er niets te onderscheiden. Een oogenblik later was de heele kampong in opstand, de buren liepen toe, eenigen brachten flambouwen en trachtten het spoor van den dief te ontdekken, doch deze had in de duisternis een goed heenkomen gezocht en gevonden.
Moeder, die wijselijk het zakje met geld dadelijk tusschen hare kleeren had verborgen, onderzocht met belangstellende buurvrouwen het gat, waardoor de dief zou zijn binnengedrongen, als kleine Katjong hem niet te vlug was geweest. ’t Ventje werd op eens tot held verheven, ontelbare malen moest hij vertellen hoe hij den schurk ontdekt had en, daar Katjong zich bij iedere herhaling een dichterlijke vrijheid meer veroorloofde, werd de geschiedenis hoe langer hoe belangwekkender. Vader klopte zijn zoon op den rug, moeder beloofde hem een duit en, had de rietdiefstal met zijne gevolgen niet als een dreigend spook in de verte gestaan, Katjong zou volmaakt tevreden zijn geweest.
Den volgenden dag stonden Possong en Oerip weer op stal, vermagerd door verwaarloozing in die twee dagen, doch overigens gezond en wel. Katjong kon zijne lievelingen niet genoeg bekijken. Hij liep ver weg om malsch gras voor hen te snijden, baadde de dieren zoo dicht mogelijk bij huis met buitengewone zorg en verloor ze op de weideplaats geen oogenblik uit het oog. Ook bleef hij de eerste dagen vlak in de buurt van het vlaggetje, want voor de wakers hadden de dieven respect.
Zoo verliepen er zes à zeven dagen en, met de zorgloosheid den Javaan eigen, was Katjong bijna vergeten, dat hij zich voor rietdiefstal zou te verantwoorden hebben, toen het noodlot, als een bliksemstraal uit helderen hemel op hem neerviel. Een onbewust voorgevoel deed ons vriendje dien dag bij het naar huis gaan al treuzelen, doch eindelijk moest hij zijn erfje wel opstappen en, daar aan de deur stond het begin van de hem wachtende ellende, in de gestalte van vader, die verwoed op hem afkwam. Van den prins geen kwaad wetend, had Pak-Kastimah een aanzegging gekregen, dat hij met zijn zoontje den volgenden dag voor den politie-rechter op de kotta moest verschijnen ter zake van rietdiefstal, waarvoor dit jonge mensch zich zou hebben te verantwoorden. Zoo midden uit zijn werk dien verren tocht naar de kotta te moeten ondernemen, stond Pak-Kastimah volstrekt niet aan. Bovendien had hij, noch zijne familie ooit iets met de politie uitstaande gehad. Geen wonder, dat er voor Katjong wat opzat. Deze zou verstandiger hebben gedaan als hij vroeger maar alles te gelijk bekend had, dan was hij er met één pak voor beide gelegenheden afgekomen. Nu vielen de slagen opnieuw en geen: „Ampon, Ampon,” weerhield vader er duchtig op los te kloppen. Met een nijdigen duw tot besluit kon Katjong zich wegpakken, vol jammer bedenkend, dat dit pas het begin was van de straf, die hem nog te wachten stond.
Vóór dag en dauw werd den volgenden morgen de tocht aanvaard; het was twee uur loopen naar de kotta en om acht uur waren zij ontboden. Katjong zag er even vuil en slordig uit als altijd; dien heelen langen weg achter vader aan, waren zijne gedachten bij het lot, dat hem zeker wachtte: eenige maanden zijne vrijheid kwijt—het was met recht een lijdenstocht voor den armen Katjong. Eindelijk was de kotta bereikt en voegden vader en zoon zich bij een grooten troep menschen, die vóór het assistent-residentiekantoor in dubbele rij zaten neergehurkt. Het kereltje kroop achteraan, dicht bij den muur, en keek met kloppend hart naar de bedrijvigheid om zich heen. Oppassers liepen af en aan, de menschen rondom hem stonden op wanneer de een of andere naam werd afgeroepen, men sprak een taal, die hij niet verstond. Daarbinnen, waar de gevreesde rechter zat, wisselden vragen en antwoorden elkander af; hoog boven de andere uit sprak een bedaarde, ernstige stem. Daar klonk Katjong’s naam, het knaapje gilde het uit en verschool zich achter de ruggen der voor hem zittende menschen. Doch een oppasser trok den kleinen dief bij den arm naar voren en dwong hem mee te gaan, terwijl vader volgde; diens nabijheid gaf den armen jongen nog een beetje moed.
Toen Katjong wéér opkeek, zag hij een groote kamer, waarin verscheidene menschen op den grond zaten; aan een groene tafel zetelde de rechter, die het klein, onooglijk menschenkind een oogenblik heel ernstig en bestraffend aankeek vóór hij begon te spreken. Katjong was blijven staan, doch nu drukte een hand hem op den grond en, met gebogen hoofd, wachtte hij de beslissing van zijn lot. De getuigen legden hunne verklaring af, waarvan Katjong niets verstond, omdat hij het hoog Javaansch niet kende; toen vroeg men hem of hij bekende den diefstal gepleegd te hebben.
Wat hielp het te liegen, in de boei ging hij toch, had Sipin hem verzekerd, en bevend riep Katjong dus maar: „Ja.”
Nu wendde de rechter zich tot zijn vader.
„Pak-Kastimah, gij zijt een eerlijk man en immers nooit met de politie in aanraking gekomen?”
„Neen, heer.”
„Welnu, vindt ge het dan niet verschrikkelijk, dat uw zoontje zich nu al vergrepen heeft aan een anders eigendom?”
„Ja, heer,” stemde de vader volmondig toe, „en ik heb hem dan ook reeds flink gestraft.”
„Laat mij eens zien, Pak-Kastimah, hoe ge dat gedaan hebt,” klonk het nu.
Pak-Kastimah wendde zich tot zijn zoon en, vóór deze er op verdacht kon zijn, ontving hij een klap om de ooren, dat hem hooren en zien verging. Afwerend hield Katjong de armen voor het hoofd en gilde alsof hij vermoord werd.
Doch vader raakte hem ter dege, nu rechts dan links, tot de rechter wenkte, dat het genoeg was. Een oogenblik later volgde Katjong vader naar buiten, aldoor huilend en een keel opzettend alsof hij nog steeds geslagen werd. Onder de strafoefening had de slimmerd intusschen zijne ooren wijd opengezet, doch van het woordje boei niets gehoord. Zou de rechter vaders tuchtiging voldoende achten als straf voor zijn misdrijf? Goddank, dit scheen wel zoo, geen oppasser volgde hen en vader sloeg den weg naar huis met hem in. Katjong hield op met gillen en wreef zijn gezicht af; vader had hem niet zoo erg veel pijn gedaan, misschien was hij ook wel blij, dat hij zijn kleinen vuilpoes weer mee naar huis mocht nemen. Aan de eerste woning langs den weg mocht Katjong zijn buikje vol eten en toen durfde hij eindelijk vragen of hij nu heusch niet in de boei hoefde. En vader sprak niet onvriendelijk: „Voor dezen keer ben je er nog goed afgekomen, rakkerd, pas maar op, dat je nooit meer door de politie wordt opgepakt!”
Dit beloofde Katjong van ganscher harte; hij had te veel angst uitgestaan om, voor het oogenblik althans, niet met de meest boetvaardige gevoelens bezield te zijn.
Jaren zijn verloopen. Katjong is van een vuil, diefachtig karbouwenjongetje, een knap, fatsoenlijk man geworden. Op zijn vijftiende jaar trad hij in gouvernementsdienst en heeft als looper bij de paardenposterij ordentelijk zijn brood. Hij heet nu ook niet langer Katjong: bij de geboorte van zijn oudsten zoon Sipin, veranderde zijn naam in dien van Pak-Sipin.
Al puilen zijn oogen nog steeds sterk naar voren, al wist moeder natuur zijn grooten mond ook niet meer in behoorlijk fatsoen te brengen, Pak-Sipin maakt een vrij wat behaaglijker indruk dan vroeger, nu hij een net geplooiden hoofddoek draagt en een donker baadje met metalen knoopen, die helder glinsteren.
In de uitoefening van zijn werk, naast den reiswagen, ziet hij er meestal zeer bestoft of bemodderd uit, doch dit brengt zijn beroep nu eenmaal mee en het strekt hem geenszins tot schande. Zijn stal mag ook gezien worden, hij spaart den roskam niet en ziet goed toe, dat zijn dieren het hun toekomend voer krijgen; hij stelt er een eer in, dat zijn paarden er glanzend en weldoorvoed uitzien. Pak-Sipin is een gewild looper op de lijn; niemand kan zoo vlug als hij de achterplank van den reiswagen op- en afspringen, of, de paarden bijhoudend in vliegenden ren, het tuig in orde brengen, wanneer er iets in het ongereede is geraakt.
Krachtig en lustig laat hij de zweep knallen en, te midden van hooge stofwolken of dikke modderspatten, die rondom hem opvliegen, reppen zich zijn lenige voeten in onnavolgbare snelheid naast het galoppeerend vierspan. Gaat het de hoogten op, dan klinkt zijn rrt rrt! zoo uitlokkend en aanmoedigend, dat de paarden er een vaart inzetten alsof zij het werk voor hun plezier doen. Dan is Pak-Sipin in zijn element en zou zijn lot met niemand ter wereld willen ruilen. Hij voelt zich nog net zoo jong en flink als toen hij, nu tien jaar geleden, voor het eerst naast zijn dieren de heuvels opjoeg, en zoolang hij even frisch en krachtig blijft, zal hij zijn werk zeker met denzelfden lust en ijver uitoefenen als waarmee hij het begon.
EEN AVONDWANDELING.
Het is zes uur en wij stappen het hek van ons erf uit om onze gewone avondwandeling te maken. Hoewel de zon onderging, is het nog niet donker; we hebben eene korte schemering in dezen tijd van het jaar. Verrukkelijk koel is het buiten, vooral als wij in het open veld komen, van weerskanten door sawahs (rijstvelden) omringd, die een heerlijken aanblik bieden in hun smaragd kleed, even frisch als jong. Karbouwenhoedertjes baden hun vee in het stroompje langs den weg; dikwijls zijn zij niet ouder dan drie of vier jaar, dreumesen, die eene ons onverklaarbare macht uitoefenen op de logge dieren aan hunne zorgen toevertrouwd. Vijf, zes karbouwen worden soms door zulk een kleuter in bedwang gehouden; met een steenworp, een tik of schop van het handje of voetje dwingt hij het logge, groote beest tot gehoorzaamheid, dat hem met één slag van zijn poot zou kunnen vernietigen.
Zij zijn beste vrienden, de karbouwen zijn drijvertje, omdat zij naast elkander opgroeiden, dezelfde woning deelen, dag in dag uit met elkander doorbrengen; als een goedige reus laat de karbouw zich drillen door een kinderhand. Behalve de landlieden, die van het werk huiswaarts keeren, komen wij niet veel levende wezens tegen; af en toe zien wij visschers, die tot aan het middel in het water staan en nog een maaltje visch hopen te vangen in hunne groote kruisnetten. Deze bezigheid verveelt hun niet, al duurt zij uren; een inlander houdt er van tijden achtereen zich met nietsdoen te vermaken, strak voor zich uitstarend, zonder te zien, misschien niet eens denkend.
De duisternis valt nu snel, maar de maan is opgekomen en staat vol en helder aan den diep blauwen hemel. Haar zachte glans werpt een geheimzinnig licht tusschen den bladerrijkdom der boomen door in de donkere lanen. De schaduwen der bladeren worden in arabesken op den grond geteekend, en bewegen zich phantastisch, wanneer een koeltje door de takken vaart; zacht wuiven de kruinen der hooge palmen en weerkaatsen op hunne breede bladen het maanlicht met blauwachtigen gloed. In het geboomte liggen de kampongs verscholen; af en toe blinkt een flauw lichtje (een walmend pitje in een blikje met olie of petroleum gestoken) aan den ingang der erven; slechts onze voetstappen weerklinken nauw op het begrinte pad, overigens is het stil om ons heen.
Boven ons hoofd tintelen de sterren: het fonkelend Zuiderkruis, de Groote Beer, die geheel anders op den horizon staat dan in Europa, de Melkweg, Orion en hoe zij verder heeten mogen.
Haar gloed is niet zoo schitterend als anders, nu zij met het maanlicht moeten wedijveren.
Wij slaan een zijweg in en te midden van de stilte bereikt een eigenaardig gezang ons oor. ’t Doet mij aan een litanie in een R.C. kerk denken en het is dan ook een gebed door den priester of een geloovige opwaarts gezonden. Er ligt eene weemoedige aantrekkelijkheid in dien zang, uit de duisternis tot ons komend; onwillekeurig blijven we even staan en luisteren naar de geheimzinnige stem, die haar God aanroept op hare wijze.
Als zwevende sterren dwalen de vuurvliegjes om ons heen, nu hoog, ver buiten het bereik, dan vlak voor onze voeten, als wilden zij met hun stralend lampje onze wegwijzer zijn. Bij eene bocht der laan staat een groote tjemaraboom, die aan den lariks uit het noorden herinnert; met tientallen hebben vuurvliegjes zich er op neergezet en hem het voorkomen van een kerstboom gegeven, ’t is een eenig schoone aanblik, die donkere boom, als met diamanten bezaaid, in zachten maanlichtglans.
Wij slaan den weg huiswaarts in en komen in meer bewoonde buurten; af en toe glijden donkere gestalten ons voorbij, doch de meesten zwaaien, hoewel de maan schijnt, groote obors (eene soort van fakkels) op en neder, die een helder licht op den weg werpen, dat nog blijft schijnen, wanneer de dragers reeds als schimmen in de duisternis verdwenen zijn.
Het veelstemmig insecten- en kikkerconcert, dat onze wandeling reeds eenigen tijd begeleidde, wordt aanzienlijk versterkt naarmate de nacht valt; er komen steeds meer muzikanten bij en ieder zingt zijn liedje op verschillende, doch vrij eentonige wijs. Veel orde heeft de kapelmeester er niet onder, want telkens zwijgt een instrument om zeer ontijdig weer in te vallen.
Op de open aloen-aloen is het bijna dag, zwaarmoedig ruischt de nachtwind door de zware tamarinden, over de groote grasvlakte, en speelt met den bloesem der djowa-boomen, die aan „gouden regen” doet denken.
De kotta (stad) is veel levendiger dan anders op dit uur, want de inlander houdt van maneschijn; in groepjes zitten of staan zij bijeen, zonder er behoefte aan te voelen het gesprek steeds gaande te houden. De kleine warangs aan den weg doen goede zaken, zij gelijken op kraampjes, zooals men die ’s avonds op een Hollandsche markt ziet, maar de versnaperingen, welke er te koop worden geboden, zien er geheel anders en juist niet smakelijk uit. Behalve de vruchten, biedt de koopwaar een onooglijken aanblik; aan al de stalletjes wordt zoowat hetzelfde verkocht. Vieze kleine bengels, bijna naakt, zwermen als muggen om de tentoongestelde lekkernijen, en benijden het makkertje, dat een paar duiten rijk is en daarvoor iets van die heerlijkheden machtig kan worden. Menigeen koopt voor de waarde van eenige centen zijn avondmaal: een portie rijst in een boomblad gewikkeld, met of zonder een gebakken vischje, naar de financiën dit toelaten; kleine meisjes draven met de bedrijvigheid van huismoedertjes huiswaarts, na hare inkoopen te hebben gedaan.
Voorbij een Chineesch huis komend, zien wij een familie rond den disch geschaard: vader, moeder en drie kinderen. In het midden, op de ongedekte tafel staat een schaal rijst en allen grijpen met de vingers toe, terwijl het meer dan eenvoudig maal hun best schijnt te smaken.
In de laan naar onze woning is het eenzaam en stil, vriendelijk wenkt het licht van ons eigen huis tusschen de boomen door. Een sterke geur van melatie en sedap-malem komt ons te gemoet als wij het erf opgaan en in groote sprongen rent mijn hondje de verandatrappen af, vol uitbundige vreugde ons weer te zien. Na de lange wandeling is het heerlijk om uit te rusten: wij blijven nog wat buiten zitten, genietend van de frissche geurige lucht in een zoet dolce far niente.
EEN PROEFSNIT.
„Hebt ge lust om morgen mee te gaan?” stelde mijn man mij voor, „ik ga proefsnit houden, en dat hebt ge nog nooit bijgewoond.”
„Proefsnit houden, wat is dat?” vroeg ik nieuwsgierig.
„Wel, met de inlandsche hoofden moet ik controleeren hoeveel (padi) rijst de een of andere akker opbrengt. Een vierde gedeelte van een bouw (1 bouw = 7096 □ M.) wordt in ons bijzijn gesneden en afgewogen en naar deze productie wordt de geheele oogst globaal berekend om de daarvoor verschuldigde belasting vast te stellen, begrijpt ge? Wij moeten vroeg van huis, want het is ver weg, en dan met een prauw de rivier op. Zorg dus, dat ge bijtijds klaar zijt.”
Ik had veel lust in het tochtje; het programma stond mij bijzonder aan, en ’t moest nog half zeven slaan, toen wij den volgenden morgen ’t erf afreden in de meer dan koele morgenlucht. Ja, het was frisch, bij koud af, de zon vertoefde nog in hare kleedkamer achter de wolken en beloofde pas laat haar entrée te zullen maken. De postpaardjes draafden lustig voort, spoedig lag de stad achter ons en waren wij op een mooien, zwaar belommerden weg, die zich mijlen ver uitstrekte. Slechts de kweelende vogelstemmetjes in de boomen hielden ons gezelschap; hier en daar zaten inlanders, tot aan de schouders in hunne sarongs gewikkeld, voor hunne huisjes. Zij hadden het zeker koud net als ik; verlangend zagen wij naar de zon uit, maar deze vertoonde zich niet, integendeel de wolken zakten al lager en lager, en weldra reden wij in een dikken mist.
„In de bergen is het niets ongewoons, dat men door eene wolk rijdt,” sprak mijn man, „maar hier in de vlakte heb ik het nog nooit gezien.”
„’t Lijkt wel een Hollandsche Novemberdag,” antwoordde ik, een warmen doek dichter om mij heen trekkend, „ik hoop, dat het gauw zal opklaren.”
Toen wij even moesten wachten bij het verwisselen van paarden, en ik mij omkeerde om het landschap te overzien, kreeg ik nog sterker dan te voren den indruk alsof ik mij op een laten najaarsdag in Holland bevond. Honderden spinnewebben, hangend tusschen de stoppels der afgesneden padi-velden, deden deze op met rijp bedekte akkers gelijken; de dichte, laag hangende nevel verborg den horizon, en er lag zulk een troostelooze eenzaamheid over het geheele veld, dat melancholieke gedachten aan dood en winter bij mij opwelden. Langzamerhand trok de mist op, en toen wij aan de plaats kwamen, waar wij de reis per prauw zouden voortzetten, was het mooi weêr.
In de woning van den assistent-wedono (onderdistrictshoofd) bracht men ons een kopje warme thee, dat mij, na den koelen rit, ook zonder melk, uitstekend smaakte.