Vrouwenleven in de Dessa

Part 4

Chapter 43,938 wordsPublic domain

Nog vóór het knaapje zijn verhaal ten einde had gebracht, was Dina naar buiten gevlogen; het hart overvloeiend van smart en deernis met die arme Maria. Zij wist, dat het jonge vrouwtje iederen dag haar kindje kon verwachten en allesbehalve flink en sterk was. Welke vreeselijke gevolgen kon een onvoorzichtig woord in deze omstandigheden niet ten gevolge hebben? De beklagenswaardige weduwe mocht nu nog niets weten van den vreeselijken dood, dien haar man had gevonden.

Doch Dina kwam te laat; vóór het huisje stond een groepje vrouwen, in wier midden een onheilspellende stilte ontstond, toen zij de vrouw van den zendeling zagen naderen. Geen van haar zeide iets en Dina durfde niets vragen. Men maakte plaats voor haar en zij trad de kleine woning binnen, waar zij zoo menig uur vertoefd had. Een kapokpitje in een glas met klapperolie brandde in een hoek en wierp zijn weifelend licht over de balé-balé, waarop eene stille gedaante lag uitgestrekt. Door een vreeselijk voorgevoel aangegrepen, trad Dina dichterbij, de handen als afwerend voor zich uitgestrekt en, in plaats van het jonge zalig glimlachende moedertje, dat zij zich zoo dikwijls had voorgesteld, daar te zien liggen, aanschouwde zij een bleek, strak gelaat met gesloten oogen en een roerloos lichaam, waaruit het leven gevloden was.

Als versuft en verdoofd stond zij een oogenblik op het gezicht te staren, dat haar zoo menigmaal vriendelijk had toegelachen, toen hoorde zij een klagend stemmetje, en wendde zich instinktmatig om.

„Leeft het kindje?” vroeg zij zacht.

Een der vrouwen trad met een bundeltje in de armen op Dina toe. De jonge vrouw nam het weesje van haar over en terwijl zij zich over het donkere kopje boog, begonnen hare tranen te vloeien, een stroom van weldadige tranen, die haar verlichting schonken. Fluisterend vertelden de vrouwen, hoe de arme Maria geheel onvoorbereid door de verpletterende tijding getroffen was. Met de andere buren was zij naar buiten geloopen, toen een ongewone drukte van druk sprekende en dravende menschen hare opmerkzaamheid had getrokken. In het donker was de tegenwoordigheid van Petrus’ vrouw niet opgemerkt, en zoo had deze geheel onverwacht het wreede nieuws vernomen, dat haar tot weduwe maakte.

De arme vrouw was bewusteloos ineengezakt, liefderijke handen hadden haar naar huis gedragen en zoo goed mogelijk verzorgd, doch Maria herkreeg haar bewustzijn niet meer en leefde slechts zoolang, tot haar dochtertje geboren was.

Innig bewogen hoorde het zendelingsvrouwtje, naast Johannes, die zich inmiddels bij haar had gevoegd, het treurig verhaal aan. Dina’s tranen begonnen opnieuw te vloeien, doch ditmaal bedwong ze hare smart terwille van het kleintje, dat zij aan hare borst in slaap trachtte te sussen. Eensklaps vatte zij de hand van haar man en, terwijl de vrouwen, met de doode bezig, niet op hen letten, trok zij hem naar een hoekje en sprak fluisterend, de oogen met een innige bede tot hem opslaande: „Johannes, mag ik dit weesje als kindje aannemen? Ge weet, het heeft geen andere verwanten dan een ouden grootvader, die er niet voor zorgen kan en het ons zeker gaarne wil afstaan. Ik heb zoo vurig naar een kleintje verlangd, het is mij of God mij tot vergoeding en troost dit weesje schenkt. Zeg „ja”, lieve man, ik zal voor kleine Elizabeth—Maria wenschte, dat zij zoo zou heeten—een trouwe moeder zijn.” Johannes zag zijne vrouw in het bleeke, bewogen gelaat en legde zegenend de hand op het kinderhoofdje aan hare borst. „Met heel mijn hart geef ik mijne toestemming, beste,” zeide hij hartelijk, „laat ons het kindje van Petrus en Maria als ons eigen tot ons nemen, en trachten zoo goed mogelijk de plaats harer arme ouders te vervullen.” Verheugd en dankbaar drukte Dina Johannes de hand, toen dekte zij voorzichtig Elizabeth’s gezichtje toe, wierp een laatsten liefdevollen blik op het jong gestorven moedertje, terwijl ze even over haar bleef heengebogen, als deed zij haar eene stille gelofte, en droeg toen haar schat behoedzaam door de kille nachtlucht naar heur eigen huis.

Zij had zoo menig kindje zien geboren worden en helpen verplegen in de eerste levensdagen, zij wist wel, hoe men met die brooze schepseltjes moest omgaan en toen haar dochtertje, zooals zij Elizabeth in stilte reeds noemde, rein en welverzorgd in haar bed lag, knielde zij er voor neder en bad langen tijd, het kleine handje tegen hare lippen gedrukt.

Den volgenden dag werd het treurig overschot van Petrus’ lijk in de wildernis gevonden en naast dat zijner vrouw ter aarde besteld.

Wederom is de kerk te Soeka Slamat feestelijk versierd, doch niet alleen het Godshuis. Het gebouwtje er naast, een flinke hooge stellage, waarin de kerkklok hangt, is eveneens van onder tot boven met groen en bloemen omslingerd. Op Dina’s verzoek zal „die Glocke” heden worden ingewijd. Daar komen de klokkenluiders aan; op een gegeven teeken vatten zij de afhangende touwen en hoort! daar wordt de zondagsstilte eensklaps door een geluid verbroken, dat nog nooit op dit plekje tusschen de bergen weêrklonk. De kerkklok luidt haar eigen intreê in. Vol en helder rollen de klanken over het heele naburige land en verkonden in alle dessa’s en kampongs der gemeente, dat de vromen gewacht worden in het bedehuis.

Verrukt heft de zendelingsvrouw het hoofd op, als de geliefde „Glockentöne” voor het eerst, na zoovele jaren, wederom haar oor treffen, en zij drukt het slapend kindje op haar schoot, vaster tegen zich aan, het hart vervuld van stillen dank.

„Blijf maar slapen, mijn Elizabeth,” fluistert zij zacht, „het gewicht van dit uur kunt ge toch niet beseffen; ge weet niet, dat uwe pleegmoeder haar grootsten schat op dezen blijden dag ten doop zal houden.”

Wanneer de laatste tonen verstommen, staat Dina op, strijkt Elizabeth’s mooie doopjurk glad, legt een sluier over het gezichtje, om het tegen den zonnegloed te beschermen en gaat met haar kindje kerkwaarts.

Hoe gelukkig en rijk voelt zij zich als zij, naast de andere moeders gezeten, die hare zuigelingen ten doop zullen houden, vol stille weelde op het wezentje neêrziet, dat haar toebehoort. Haar klein meiske slaapt rustig door; voelt het reeds, dat ze in veilige handen is?

Het plechtig oogenblik is daar, het zendelingsvrouwtje staat behoedzaam op en treedt vóór haar echtgenoot, door de Javaansche moedertjes gevolgd. Als in een droom hoort zij de zachte, vriendelijke stem van haar man ’s Hemels zegen afsmeeken op al die kinderhoofdjes. Nu bevochtigt Johannes de vingers in het doopvont en beroert één voor één de voorhoofdjes der kleinen, en wanneer de beurt aan haar dochtertje is gekomen, klinkt het Dina dubbel plechtig tegen: „Ik doop u: Elizabeth Maria, in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen geestes.”

Het doopwater vloeit Elizabeth langs het gelaat en blijft aan de lange, donkere wimpers hangen. Dina buigt zich diep over het kindje heen om hare tranen te verbergen, die er zich mede vermengen. Maar Elizabeth schreit niet als de andere kleintjes, zij blijft zoet doorslapen en lacht zoo zalig en vreedzaam in haar droom, „als speelt ze met engeltjes in het paradijs,” denkt het gelukkig zendelingsvrouwtje.

KARBOUWENJONGETJE.

I.

Katjong was vier jaar toen zijn vader hem voor ’t eerst op een karbouw zette. Ontelbare malen had de kleine kleuter hierom gesmeekt, en nu zijn hartewensch eindelijk vervuld werd, gilde hij het uit van vreugde en hield zich, zonder een zweem van angst te toonen, op den breeden rug van den kolos in evenwicht.

Van zijn verheven zitplaats blikte Katjong fier op zijn, hem bewonderende, verwanten neder. Hij voelde zich een man: nu zou hij wel gauw met de andere jongens mee mogen naar de weideplaats en het heerlijke vrije leven beginnen waarnaar hij reikhalzend uitzag.

Want, met de vrijheid, thuis bij moeder, was het, volgens Katjong, treurig gesteld. Hij mocht nooit alleen den grooten weg op en werd opgenomen als hij zich weerspannig toonde. Kon hij even ontsnappen, dadelijk was moeder of een der zusjes hem op de hielen, vóór hij ’t wist werd hij teruggesleurd en kreeg nog klappen toe. Nu, die kwamen dikwijls hard genoeg aan; broekje noch buisje oefenden een verzachtenden invloed uit. In dit stadium van zijn leven liet Katjong de algeheele zorg voor zijn toilet aan moeder natuur over, hetgeen hem zeer zeker veel tijd bespaarde, want van aan- en uitkleeden was nooit de minste quaestie.

Moeders slendang voorzag in al de behoeften van de linnenkast, doch meestal vervulde de lieve zon de rol van handdoek; zoo nat kon Katjong niet wezen of zij had hem, in minder dan geen tijd, netjes opgedroogd. Vuil en stof waren Katjong’s onafscheidelijke kameraden, die slechts voor korten tijd afscheid namen, wanneer moeder haar zoon bij den put afspoelde. In zijn allerprilste jeugd had het jongemensch zich steeds ernstig verzet tegen dit, naar zijn opvatting, volkomen overbodig reinigingsproces, doch mettertijd zich philosophisch leeren schikken in het onafwendbare, daar op zijn gillen, stampvoeten en huilen hoegenaamd geen acht werd geslagen.

Katjong’s vaste overtuiging dat hij nu mee uit weiden zou mogen gaan, daar hij, op dien gedenkwaardigen dag in zijn leven, getoond had hoe flink en kranig hij op „Possong” durfde zitten, werd onmiddellijk den bodem ingeslagen. De over hem gestelde machten bleken een geheel andere meening toegedaan en, al protesteerde de kleuter terdege, hij moest zich onderwerpen. Vader en moeder zouden er over denken als Possong’s jong geboren was, Katjong moest dus nog een groot half jaar geduld hebben. In afwachting van die gulden dagen, bracht het kereltje den tijd zoek met over het kleine erfje vóór vaders huis te drentelen, zich in stof of modder te wentelen, vuil zwijntje als hij was, en buurmans kippen op te jagen. Ter afwisseling gluurde hij eens door den pagger en, dreigde het minste onraad, dan wist hij, met benijdenswaardige vlugheid, zijn huisje binnen te schieten, en zich achter moeders sarong te verschuilen, tot de kust weer veilig was.

In het donkere, benauwde vertrekje, waar de heele familie huisde, deed Katjong niet anders dan slapen en voor den inwendigen mensch zorgen. Op de eenige balé-balé was voor hem geen plaats, dus strekte hij zich welbehaaglijk op den grond uit wanneer Klaas Vaak met zijn zandman rond ging. Het ventje kon zich vrij naar alle kanten omwentelen, van de meubels had hij geen last. Het kookgerei stond in een hoek geschoven naast de oude, wrakke tafel; met de balé-balé maakte deze het eenige meubilair uit.

Katjong had altijd honger en stopte alles naar binnen, wat hij maar krijgen kon, vandaar zijn dik rijstbuikje, dat hij zoo parmantig droeg als ware het een sieraad om trotsch op te wezen.

De ouders van onzen Katjong waren arme dessamenschen, vader bewerkte een klein stukje grond achter zijn huisje en moeder bracht den oogst naar de passar en moest daarvoor palen ver loopen. Behalve Katjong waren er drie oudere zusjes, die zich, klein als zij waren, reeds behulpzaam maakten in het huishouden: water aandroegen, hout zochten, en ’s avonds het vuil bijeenveegden om het daarna te verbranden. Broertje vond dit laatste proces gewichtig genoeg om het altijd met zijne tegenwoordigheid te vereeren. Met een stokje roerde hij in de vuilnis, om de vlam hoog te laten opschieten, of sprong in de dichte rookkolom rond als een kleine, vette kabouter, proestend en blazend, maar toch vol pret. Aan opvoedkunde werd bij Pak-Kastimah en Bok-Kastimah (zoo heetten Katjong’s ouders) niets gedaan. Vader en moeder regeerden hun kroost op dezelfde wijze als zij het de karbouwen deden. Een duw of klap, een ruwe vermaning of booze blik moest de geheele bende in het spoor houden. Bij de buffels had dit systeem meer succes dan bij de kinderen, die met aangeboren slimheid, de oudelui dikwijls wisten te foppen en te bedriegen, doch overigens even dom en onwetend opgroeiden als het lieve vee.—Op den leeftijd, dat andere kinderen geplaagd worden met de eerste beginselen der edele lees- en schrijfkunst en, in plaats van buiten te mogen rennen en dollen, achter hooge muren stil moeten zitten, ving Katjong zijne opvoeding aan in Gods vrije natuur: even vijf jaar oud was hij Karbouwenjongen geworden. Dat was me een leventje. ’s Morgens vóór dag en dauw, haalde het kereltje „Possong” uit den stal, Oerip, het jong, volgde vanzelf.

Op den grooten weg kwamen de makkers, met de hun toevertrouwde beesten, van alle kanten opzetten en zoo trok de bende kleuters van vijf, zes en zeven jaar naar de groote weideplaats, waar de wakers het vlaggetje reeds in den grond hadden gestoken om het verzamelpunt aan te duiden. De meeste drijvertjes waren in zeer primitief toilet, slechts eenigen droegen een sarong.

Ook Katjong’s moeder had haar zoontje een oude, verbleekte lap om de heupen bevestigd, toen hij voor ’t eerst mee zou gaan. Hiermee en met een zweepje, dat vader voor hem sneed, was zijne uitrusting als Karbouwenjongetje voltooid. Evenals zijne kameraden, liet Katjong zijn sarong zelden aan het voor dit kleedingstuk bestemde doel beantwoorden, de vuile, lange lap hing hem meestal als een bandelier om den nek of, als het erg zonnig was, werd zij om het hoofd geslagen. Nu, de coiffure zou er niet van bederven, Katjong’s haarbos zag er op elk uur van den dag steeds even verwaaid en woest uit: de zwarte haren hingen over zijne oogen, zelden nam hij de moeite ze weg te strijken. Van een molligen kabouter, was hij een schraal jongetje geworden met bolle uitpuilende oogen in zijn koffiebruin gezichtje, waaraan de groote altijd openstaande mond een onnoozele uitdrukking gaf. Doch onnoozel was Katjong anders om den drommel niet. De makkertjes waren niet veel mooier dan hij; in hun wereldje werd van het uiterlijk bovendien niet de minste notitie genomen, het kwam er slechts op aan wie de vlugste, wie de sterkste was, en daarin won Katjong het van al de anderen.

Waren de karbouwen eenmaal rustig aan het grazen, dan gingen hun kleine meesters aan het pret maken, of zij vochten een robbertje als de gevoelens al te sterk verdeeld bleken over de waarde der hun toebehoorende beesten. En liegen en bluffen als ze konden!! op ’t laatst geloofden zij hun eigen verzinsels door de veelvuldige herhaling er van.

Rono’s karbouw was sterker dan een tijger, maar die van Sipin won het verre van hem, volgens dezen jongenheer: hij had een tijger bevochten en de overwinning behaald. Katjong bleef ook niet achter: Welke buffel had zulke prachtige teekens als zijn Possong? wie had ooit grooter, sterker jong gezien dan Oerip? dat zou een karbouw worden als er nog nooit een geweest was! Kwam er een reiswagen aan, dan rende de heele bende naar den grooten weg en, terwijl de schuwsten zich verdekt opstelden, kwamen de brutaaltjes vlak naar voren en monsterden wagen en paarden. Katjong was altijd haantje de voorste en gilde de loopers na als zij de paarden tot spoed aanzetten. Aan den wagen en zijn inhoud verspilde ons baasje zijn aandacht niet, maar de vier postpaarden, en vooral den looper, daar kon hij nooit genoeg naar kijken. Wedden, dat hij, evengoed als de looper, de galoppeerende paarden in vliegenden ren kon bijhouden en de zweep even flink kon laten klappen? Wat een heerlijk leven had zoo’n looper, maar karbouwenjongen te zijn was toch nog prettiger.

Om negen uur ’s morgens en zes uur ’s avonds trokken de jongens met hunne dieren naar de kali en nu begon de grootste pret. Wie had Katjong ooit voorspeld, dat hij en het water zulke dikke vrienden zouden worden op den duur? Maar het was ook heerlijk om, stoffig en bezweet, zich in het koele nat te laten glijden, naar hartelust rond te plassen, het water over de breede karbouwenschonken heen te gieten en de goedige dieren zoo volop te zien genieten, vooral ’s middags als de zon vuurstralen naar beneden zond en het vee amechtig, en met moeite voortstrompelend, de kali bereikt had. Waren de buffels flink gewasschen en afgewreven, dan mochten zij zich geheel onder water dompelen; dikwijls zag men niets dan de horens en een klein stukje kop, met de natte glimmende neusgaten, snuivend van genot, boven water uitsteken. De kinderen speelden tusschen hen door, onbevreesd ooit door stoot of schop getroffen te worden. Zij joegen elkander na, gooiden met steentjes, zwommen en doken als echte waterrotten en lieten zich naderhand in de zon drogen of door den koelen avondwind. In de schemering draven zij hunne dieren huiswaarts, langzaam achteraan slenterend, of schrijlings op hun beest gezeten, af en toe een kleine vermaning met het zweepje uitdeelend aan een achterblijver, die even een malsch hapje gras wilde verorberen. Thuis wachtte hun immers volop voer en de kleine bazen hadden honger. En nadat zij zich behoorlijk te goed hadden gedaan aan een portie roode rijst met een stukje gedroogde visch of andere lekkernij, strekte het karbouwenjongentje zich slaperig op zijn matje uit, om morgen vroeg zijn onbezorgd bestaan weer te hervatten.

Zoo ging Katjong’s leven voort, als dat van een kleinen wilde; evenals zijne makkertjes sprak hij geen andere taal dan het laag Javaansch en wist niets van hormat of eerbewijzen, die de kleine man gewoon is zijn meerderen te brengen.

Vrij en frank zwierf hij over de heuvels en ging slechts met zijns gelijken om, die op denzelfden gespannen voet stonden met al wat naar beschaving zweemde, als hij zelf. Katjong had nooit iets anders of beters gekend en was volmaakt gelukkig.

Toen gebeurde er iets, dat een groote verandering in zijn gemoedsleven bracht.

De suikervelden stonden in vollen bloei. Trotsch verhieven de rietstokken, zwaar van sap, hunne pluimen, als wilden zij den voorbijganger toeroepen: „bewonder ons nog eens terdege, het zal spoedig gedaan zijn met ons jong, krachtig leven.” ’t Was een heerlijk schoon gezicht die grijsgepluimde velden, welke zich tot op onafzienbaren afstand uitstrekten, maar Katjong en zijne kameraden vonden er geen bewonderenswaardigs aan. Hun zin was meer op het materieele gericht: geen grooter lekkernij voor een Javaantje dan het zoete sap uit den rietstok. Het stelen van ’t te veld staande riet is echter streng verboden; wee den dief, die op heeterdaad betrapt wordt: een flinke straf wacht hem. Wie zich echter door de vrees voor straf laat weerhouden, een karbouwenjongen zeker niet. Hij weet de plekjes, waar de rijpe stokken staan, te vinden, en zijn naakt, lenig lichaampje wringt zich door openingen heen, waar een volwassen mensch hem moeilijk volgen kan; ’t plukken van de verboden vrucht verhoogt bovendien het genot. En dan, heeft de waker scherpe oogen en vlugge beenen, de karbouwenjongen doet niet voor hem onder, integendeel.—Reeds menig strooptochtje hadden de kleine deugnieten in de velden ondernomen, zonder dat een van hen gesnapt was. In gezellig samenzitten werd de buit opgesmikkeld en, even brutaal als onverschillig, namen de jongens niet eens de moeite de uitgezogen vezels te verstoppen: hun visitekaartje legden zij er niet naast en de doode vezels vertelden niets na. Op zekeren dag besloot Katjong zijn geluk eens te beproeven; hij had op een afgelegen plekje een vetten stok ontdekt, ’t was nog vroeg in den morgen, van den waker heinde en ver niets te zien.

II.

Dat deze vlak in de buurt op de loer lag, kon Katjong niet weten, doch het was wel dom van hem, dat hij het heuvelachtig terrein niet eerst goed onderzocht, vóór hij de tuinen binnensloop.

Juist had het knaapje den rietstengel met zijn grasmes doorgekapt en wilde hij zich ijlings uit de voeten maken, toen de arm der gerechtigheid zijn loop stuitte. Katjong werd gegrepen, hard heen en weer geschud en eindelijk met een ijzeren greep op zijn mager schoudertje voortgedreven. „Ampon, Ampon!” schreeuwde het kind, worstelend om los te komen. Maar de verbolgen waker duwde hem ruw vooruit en onthaalde den kleinen dief op een woordenvloed, die alles behalve complimenteus genoemd kon worden. Voort ging het, ’t veld door, een glibberig karbouwenpad af, den grooten weg op naar de naastbijzijnde dessa. Katjong wist niet wat er met hem gebeuren zou en dit verhoogde zijn angst; ook was het tijd om Possong en Oerip te gaan baden. Wat zou vader zeggen als hij de dieren niet thuis bracht om negen uur? Het ventje uitte zijn ziels-angst in gillende tonen, terwijl de tranen langs zijn besmoezeld gezichtje vloeiden, maar de onbarmhartige waker dreef hem steeds sneller vooruit. Katjong’s trillende beenen weigerden bijna hun dienst. Daar in de verte lag vaders huisje, een eind verder aan den grooten weg het mooie huis van den petinggi. O, wee, o, wee, de waker sleurde hem het erf op, wat zou Katjong nu overkomen? In het kwartier, dat hij hier moest wachten, kwam het kind een beetje op zijn verhaal; eindelijk verscheen de dorpsburgemeester, de waker deed zijn verslag en nu ging het in gezelschap van dien grooten mijnheer naar een nog veel voornamere grootheid: den assistent-wedono ofte wel het onderdistrictshoofd. Ook hier moest er geruimen tijd gewacht worden; Katjong was moe van het huilen en gillen, den angst en de opwinding. Vóór den grooten heer gebracht, hurkte hij bevend op den grond en herhaalde zijn smeekend: „Ampon, Ampon!” Van wat er nu volgde, begreep hij niet veel; men vroeg hem zijn naam, hij moest vertellen wat er was voorgevallen, hetgeen ’t kereltje, onder de booze blikken van den waker, stamelend deed. Alles wat hij vertelde, werd opgeschreven, toen hoorde hij iets van „rol” en „kotta” en daarop zeide men hem aan, dat hij gaan kon.

„Vrij, vrij,” o heerlijk tooverwoordje, Katjong vertrouwde zijne ooren niet, doch nauwelijks zag hij den waker, die hem tot dusver streng in het oog had gehouden, zich onverschillig afwenden, of als een pijl van den boog vloog het knaapje den weg op, terug naar de weideplaats. Voort, voort, Katjong’s beenen leken wel geëlectriseerd, zijn adem stokte van het snelle gaan, het stof vloog in dwarrelwolken om hem heen, in zijn verwarde haren, tegen zijn mager lichaampje, hij struikelde over zijn sarong en trok deze, al voortrennend, hooger op. De menschen keken hem na, kleine, vieze verschijning die hij was, voort vliegend als zat hem de stormwind op de hielen. Op de weideplaats was het eenzaam en verlaten, van Possong en Oerip geen spoor te bekennen. Natuurlijk, al de jongens waren naar huis, het was zeker al elf uur, en Katjong keek naar den vurigen zonnebol en knipoogde met zijn pijnlijke, rood geschreide oogen. Er zat niet anders op, hij moest ook naar huis en zonder pak slaag zou het wel niet afloopen, al stonden de buffels veilig op stal, door een van de makkertjes thuis gebracht.

Katjong sloop voorzichtig vaders erfje op en richtte zijn schreden allereerst naar den stal ter zijde van het huis; o schrik, de stal was leeg en Katjong’s angstige twijfel, onderweg door de hoop bestreden, bleek zekerheid: Possong en Oerip waren gestolen. Wanhopig keek het kind om zich heen, wat te doen? Hoe kon hij vader en moeder de vreeselijke tijding meedeelen? Tot zijne verontschuldiging kon hij niets bijbrengen: het was zijn schuld, hij had de karbouwen zonder toezicht gelaten en zoo waren zij zeker ver afgedwaald en een welkome buit voor de dieven geworden. Sipin’s dieren waren hem ook eens ontvreemd geworden, doch toen had de kleine drijver voor de overmacht moeten bukken; door een grooten kerel waren hem de oogen dichtgehouden, terwijl diens kameraad het vee wegleidde. Was dit ongeval Katjong ook maar overkomen, want Sipin had geen slaag gehad. O, als Possong, zijn mooie, sterke karbouw, eens geslacht werd door de gemeene roovers!! Katjong hield van niemand ter wereld zooveel als van dit dier, de gedachte alleen maakte hem wanhopig. De liefde voor Possong deed den knaap zijn vrees overwinnen; als er nog iets aan de zaak te verhelpen viel, moest vader alles weten, doch over den rietdiefstal besloot Katjong maar te zwijgen, hij zou het voorstellen alsof het ongeluk gebeurd moest zijn toen hij ver weg aan het spelen was.