Part 3
Toen zij het eindelijk bereikten en Johannes haar binnen leidde, kon zijn vrouwtje niet spreken van vreugde. „Het is een verrukkelijk huisje!” riep zij eindelijk vol blijdschap uit: drie galerijen en vier kamers, niet groot, maar flink hoog, wat konden zij meer verlangen? En alles blonk van nieuwheid; zij behoefde hier geen vuilgroene plekken aan den muur te „cacheeren” of zich te ergeren aan het uitslaan van een vochtigen grond.
Had Dina hare tijdelijke woning zooveel mogelijk gezellig trachten te maken, hier was het haar een genot hun eigen huisje op te sieren en wonderen te doen met de middelen, die haar ten dienste stonden. Toen zij ten laatste alles geheel naar haar genoegen in orde had gebracht, riep zij Johannes en wandelde zielstevreden met hem het heele huis door, als een kind genietend bij zijne betuigingen van bewondering voor haar goeden smaak en practischen zin. Het keurig nette keukentje was haar grootste trots; daar stond „der Herd”, zoo glimmend gepoetst, dat men zich er in kon spiegelen en het niet minder blinkend keukengerei, keurig tegen den wand gerangschikt. „Ja, ja,” schertste Johannes, „dat is het stokpaardje van de Duitsche vrouwen: Die Küche, die Küche.” „Neen, niet alleen: die Küche, wir lieben drei K’s,” lachte Dina vroolijk: “Küche, Kirche und Kinder.”
II.
Haar gelaat betrok terwijl zij het laatste woord uitsprak en er kwam een droevige trek op. „Kinder,” ach zij had zoo vurig gehoopt spoedig moedervreugde te zullen smaken en tot nu toe had zij er niet aan behoeven te denken toebereidselen te maken voor een welkomen kleinen gast. Haar eerst zoo hartstochtelijk verlangen was in de afgeloopen twee jaren langzamerhand in een hopend wachten overgegaan.... maar toch, het gemis van een kindje op haar schoot ontlokte haar menig smartelijken zucht. „Niet mijn, maar uw wil, o Heer,” die ootmoedige woorden wilden Dina niet over de lippen, wanneer haar man haar tot berusten maande.
Dina kreeg nu een druk, werkzaam leven; spoedig leerde zij de taal een weinig verstaan en kon er zich, zij het dan ook gebrekkig, in uitdrukken. Vol ijver aanvaardde zij de haar vanzelf toegewezen taak als raadsvrouw en onderwijzeres voor vrouwen en kinderen op te treden. Zij vergezelde haar man op zijne huisbezoeken en, naarmate zij de menschen beter leerde kennen, trad zij ook dikwijls zonder hem hunne huisjes binnen of haastte zich, als men haar raad en hare hulp inriep, deze in persoon te gaan brengen. In de dessa’s en kampongs der gemeente zag men het vroolijke, vriendelijke zendelingsvrouwtje gaarne komen en Dina van haar kant mocht hare “Christenleutchen” van harte lijden. Vooral tot het opgroeiend geslacht voelde zij zich aangetrokken. Drie keer in de week hield zij school voor groote en kleine meisjes, die zij in het naaien en zingen onderwees. De anderen nam zij dikwijls mede naar de keuken, niet zoo zeer om haar het koken te leeren, want de meesten konden de inlandsche spijzen beter toebereiden dan zij zelve, maar om haar aan het verstand te brengen, dat reinheid op handen en keukengereedschap tot de hoofdvereischten behoort van eene goede kokkin. De aanstaande huisvrouwtjes trachtte Dina te doen begrijpen hoe veel aangenamer en gezonder zij hare huisjes konden maken, wanneer zij deze zindelijk en frisch hielden en er alles een behoorlijke vaste plaats gaven, en zoo gaf zij duizend kleine wenken meer die zij zich ten nutte konden maken. En zij waren gewillig en volgzaam genoeg, Dina’s groote zoowel als kleine leerlingen. Allen deden haar best om het hare geduldige, altijd opgeruimde onderwijzeres naar den zin te maken. Een verwijtende blik of een afkeurend hoofdschudden waren de eenige strafmiddelen van de jonge vrouw en met beide deed zij wonderen.
Er verliep bijna geen dag of Dina ging minstens tweemaal met Johannes naar het in aanbouw zijnde kerkje. Beiden zagen met groot verlangen de voltooiing te gemoet. De oefeningen werden nu bij hen aan huis gehouden, waar de noodige ruimte ontbrak en tal van andere bezwaren hen ieder keer tot elkander deden zeggen: „wanneer zal het voor ’t laatst zijn?”
„Ik heb heusch ons kerkje al lief,” betuigde het zendelingsvrouwtje af en toe, terwijl zij vergenoegd het nette, ruime gebouw rondkeek. „Zie eens hoe flink hoog de vensters zijn en hoe vele zijn er wel! Mij dunkt, wij zullen het hier niet warm hebben, het dak is zoo hoog en er staan overal boomen om het huis. Waar zullen we het orgel zetten, Johannes? Dáár voor het podium?” Zij wipte vlug de steenen treden op, en vervolgde: „Hier zult ge staan, hé, man, wanneer je preekt? Jammer, dat er geen geld genoeg is voor een preekstoel, maar een kerkklok krijgen we toch zeker, niet waar?” Toen Johannes niet dadelijk antwoordde, verdween de vroolijke trek op Dina’s gezichtje en, hare vraag herhalend, keek zij hem angstig aan.
„’k Vrees er voor, vrouwtje,” antwoordde de zendeling eindelijk, „het spijt mij zoo, maar het is toch beter, dat ik het je maar ronduit zeg. Ik geloof, neen ik weet zeker, dat wij onze kerk niet met klokgelui zullen inwijden, de kosten zijn niet meegevallen en....” Hij zweeg, want hij las op Dina’s gelaat zooveel teleurstelling, verslagenheid en verdriet, dat het hem aan het hart ging en haar liefkoozend op den schouder kloppend, troostte hij:
„Kom, mijn beste, trek het je zoo niet aan, later....”
Het jonge vrouwtje knikte maar eens, zij kon niet spreken, de tranen zaten haar in de keel. „Glockengeläute,” zij kende geen liefelijker, schooner muziek ter wereld; van kind af had het gelui der kerkklok een onuitsprekelijk zoete aantrekkingskracht voor haar gehad, het riep tal van geheimzinnige gewaarwordingen in hare ziel wakker, het maakte haar vroom en goed, het deed haar dubbel erkentelijk zijn voor de zegeningen in haar leven.
En nu zou die beminde roepstem ontbreken als hun eigen kerkje werd ingewijd; zij zou niet over het land heenbeieren, om der geheele gemeente in heldere metaalklanken te verkonden, dat de groote dag daar was, waarop zij voor het eerst in haar eigen Godshuis kon vergaderen. Het was heel hard, vond de arme Dina, en telkens als zij over de inwijding spraken, zuchtte zij heimelijk, als zij bedacht, dat toch eigenlijk het voornaamste zou ontbreken, om dien plechtigen dag voor haar tot een dag van inwijding te maken.
Maar ter wille van Johannes, deed zijne vrouw haar best om hare teleurstelling zoo goed mogelijk te dragen en hielp hem ijverig het programma voor den inwijdingsdag opmaken. Deze naderde nu snel, „in het begin der volgende week kwam de kerk zeker klaar,” had de opzichter verzekerd; den daarop volgenden Zondag zou de inwijding plaats hebben.
Het was een heerlijk frissche morgen, „net een lentedag in mijn lief Heimatland,” dacht Dina, toen zij buiten trad. „Was het haar eigen opgewekte stemming, die alles om haar heen zulk een bijzonder feestelijk aanzien gaf?” vroeg het zendelingsvrouwtje zich af, terwijl zij beurtelings den blik richtte naar de stralende zon, de helder blauwe lucht en den vollen bladerrijkdom der boomen, waar de wind vroolijk doorheen speelde. Zongen de vogeltjes niet nog liefelijker dan anders, verspreidden hare rozen geen heerlijker geuren dan gisteren? Dina glimlachte om zich zelve. Dat alles was maar zoete verbeelding, omdat zij zich zoo heel gelukkig voelde, omdat heden de blijde Zondagmorgen was aangebroken, waarnaar zij, haar man en de geheele gemeente met hen maanden lang verlangend hadden uitgezien, de inwijdingsdag van hun eigen kerk. Om negen uur zou de plechtigheid aanvangen, het was nu al zes uur geslagen en er viel nog veel te doen. De jonge vrouw spoedde zich in huis en riep haar volkje bij elkaar. Weldra waren alle handen in de weer om de kerk nog eens een extra beurt te geven. De vloer en de banken werden geboend en afgewreven, hier en daar knaapjes geplaatst om leege plekjes te vullen. Vóór het podium stond het orgel juist op zijn plaats en er bleef ruimte genoeg over voor de leden der gemeente, die er zich bij het gezang om heen zouden scharen. Inmiddels hadden andere gedienstige handen het gebouw buiten versierd, guirlandes van groen waren om de pilaren geslingerd en in groote bogen voor de open vensters bevestigd. Dina offerde hare mooiste rozen „met hart en ziel,” betuigde zij haar man. “Es musz überall festlich geschmückt aussehen.”
Toen alles klaar was mocht zij met gewettigden trots op het werk neêrzien.
De ruime zaal met drie rijen banken door twee flinke gangpaden gescheiden, met de breede deuren, en vele hooge vensters bood een even vriendelijken als gastvrijen indruk. Er is plaats voor velen, noodden de lange banken, er is frissche lucht in overvloed voor iedereen, beloofden de wijd geopende ramen en buiten suizelde de wind door het frissche groen: de boomen en ik, wij beiden, zullen de onbescheiden zon verhinderen het u lastig te maken.
Dina bleef maar ronddrentelen en Johannes moest haar wel driemaal aanmanen om zich nu heusch te gaan kleeden, ten einde gereed te zijn als hare gasten kwamen. Behalve het bestuur van de afdeelingshoofdplaats, verwachtte Johannes de zendelingen in de residentie werkzaam, benevens eenige goede vrienden en particulieren, die van hunne belangstelling blijk wilden geven. „Van de gemeente zou stellig niemand thuis blijven,” dacht Dina, terwijl zij vlug voortmaakte; o de kerk zou vol genoeg zijn!
Met een aardig blosje en een hartelijk welkom in de heldere oogen, ontving het zendelingsvrouwtje een half uur later hare gasten. Zij voelde zich ietwat zenuwachtig, het was de eerste keer, dat Johannes bepaald zou preeken voor zooveel menschen. Zou hij zich niet beklemd gevoelen en op een gegeven oogenblik naar zijne woorden moeten zoeken?
Doch al die onrust verdween, toen de jonge vrouw, in de kerk gezeten, haar man zoo kalm vooruit zag treden, en zich achter het hooge tafeltje plaatsen van waar hij de gemeente zou toespreken. Geen plaatsje was onbezet gebleven, de banken waren dicht gevuld en al die menschen zagen tot haar Johannes op, vouwden op zijn voorbeeld de handen en bogen stil het hoofd, terwijl hij God’s zegen over de bijeenkomst inriep. Dina verstond slechts enkele woorden en van de aanspraak, die nu volgde, zou zij ook veel gemist hebben, wanneer zij deze niet van te voren in het Duitsch had gelezen. Nu kon zij den zin vrij goed volgen, Johannes sprak langzaam en duidelijk; ieder moest hem verstaan en met belangstelling luisteren, dacht zijn vrouwtje, waar hij over het ontstaan der gemeente vertelde. Het eerste zaad, nu vijftig jaar geleden uitgestrooid, was in vruchtbare aarde gevallen. Telde de gemeente in den aanvang eenige tientallen, nu was zij zoovele honderdtallen groot. Slechts enkelen werden afvallig of onwaardig gekeurd langer tot haar te behooren, over het geheel kon de stichter met vreugde neêrzien op zijn werk. Hier in dit stille hoekje tusschen de bergen leefde de arbeidzame bevolking kalm en tevreden voort, trouw hare godsdienstplichten vervullend, ook toen de gemeente langen tijd zonder voorganger bleef. In hare dessa’s en kampongs waren roof en diefstal onbekende voorvallen, het behoorde tot de uitzonderingen wanneer het bestuur klachten kreeg over de Christengemeente van Soeka Slamat. Daarom was het een vreugdedag voor hem geweest, toen hij geroepen werd de open plaats te vervullen en hun voorganger te worden. Hij wenschte niets liever dan lange jaren voor en met hen werkzaam te zijn, daar gave God zijn zegen toe.
Een oogenblik later klonken de orgeltonen door de kerk. Dina stond op en trad naast het orgel, terwijl de vrouwen en meisjes zich om haar heen schaarden. Vol en schoon verhief zich het koor van mannen- en vrouwenstemmen, de zendeling en zijn vrouwtje hadden voldoening van het veelvuldig oefenen met hunne leerlingen. De tekst werd natuurlijk in Javaansche woorden gezongen, maar het gezang klonk er niet minder liefelijk om.
Toen orgel en koor zwegen, stond een oud man op, wien men zijn tachtig jaren echter niet kon aanzien. Nog flink en ongebogen van houding, kalm en duidelijk sprekend, vertelde hij, het eerst toegetreden lid der gemeente, met hoeveel vreugde deze dag door hem verbeid was. Van de lange toespraak begreep Dina overigens zeer weinig, evenmin als van de verschillende kleine preeken door de broeders zendelingen achtereenvolgens gehouden. Maar zij verveelde zich toch geen oogenblik. Het deed haar hart goed de groote aandacht en belangstelling te zien, waarmee de gemeente luisterde: mannen en vrouwen bogen zich naar voren, om toch geen woord te verliezen; de kinderen zaten doodstil.
Af en toe klonk een schreiend stemmetje door de ruimte, want geen moeder had thuis willen blijven, en velen brachten een zuigelingetje mede. Maar de hongerige vogeltjes wilden niet zoet blijven slapen; wat wisten de onnoozele schaapjes van plaats of tijd? De vrouwen susten hare kleintjes op de beste wijze, menig geheimpje tusschen moeder en kind werd achter de slendang afgehandeld.
Met een gretig verlangenden blik volgde Dina de bewegingen der moeders, die met hare kindertjes bezig waren. „Ach, kon zij ook zulk een klein schepseltje het hare noemen, het even teeder, als die vrouwen vóór haar, aan haar warme borst vleien.” Zij boog het hoofd en, terwijl haar man, de gemeente oproepend tot het laatste gebed, de handen vouwde, smeekte zij uit het diepst van haar bewogen ziel: „Geef mij een kindje, o Heer! als het Uw wil is, ik zal het zoo liefhebben en slechts het goede leeren.”
De plechtigheid was afgeloopen; kalm en zonder gedruisch, als zij gekomen was, ging de gemeente uiteen, geheel vervuld van hetgeen zij gehoord had. Het was voor allen een dag van beteekenis geweest, dien zij zich, als ouden van dagen, nog zouden herinneren.
Een klein half jaar was na den inwijdingsdag verloopen en de west-moesson naderde, door Dina juist niet met genoegen te gemoet gezien. „Wij verlangen nu wel naar regen,” gaf zij haar man toe, „maar als ik denk aan verleden jaar, hoe wij hier als ’t ware op een eiland zaten, van de buitenwereld afgestorven, terwijl wij vele dagen zelfs geen voet buitenshuis konden zetten, neen, dan moet ik je ronduit bekennen, dat ik wel wat opzie tegen de naderende maanden. Ik ben niet bang mij te vervelen, vervolgde zij snel, dat is het niet, de dagen vliegen om, ik kom nog tijd te kort. Maar ik houd zoo dol veel van de zon en den blauwen hemel. Een sombere, donkere lucht, waaruit de regen uren achtereen neerplast, stemt mij melancholiek.” De jonge vrouw wilde er niet voor uitkomen, dat de hoofdoorzaak van haar afkeer voor de west-moesson een andere was. Dat getijde bracht de tijgers mede en, al noemde iedereen dit overdreven, zij was doodsbang voor die gevaarlijke buren. Het vorig jaar waren twee lieden uit hunne dessa een offer van de wilde dieren geworden. Zij hadden hun dood wel is waar drie kwart aan eigen onvoorzichtigheid te wijten, daar, zij zich tegen schemeravond ongewapend in het bosch hadden gewaagd, doch dat maakte de zaak niet minder verschrikkelijk, oordeelde het zendelingsvrouwtje.
„Druk de menschen toch op het hart voorzichtig te zijn, Johannes,” verzocht Dina meer dan eens, nadat het haar een poos later ter oore was gekomen, dat het volk tijgersporen had gezien. „Spreek vooral eens ernstig met Karsiman en Petrus, ze zijn zulke waaghalzen, en mij dunkt, Petrus mag wel dubbel oppassen, nu hij zulk een lief, jong vrouwtje thuis heeft en zij een kindje verwachten.”
„Ja, ja, je hebt Petrus en Maria nu eenmaal in het hart gesloten,” schertste Johannes, „ik geloof, dat je wel drie keer naar hen toegaat tegen éénmaal naar de andere gezinnen.”
„’t Is zoo,” bekende Dina gul, „maar man, ge moet niet vergeten, dat Maria van het begin af mijn lievelingsleerling is geweest, dat ge het paartje getrouwd hebt en het lieve vrouwtje mij dubbel aantrekt, nu zij een kleintje te gemoet ziet. Zij gaat zoo vertrouwelijk met mij om en is zoo dankbaar voor de kleinste gave. ’t Naaien van de kleertjes voor haar popje, was een genot voor ons beiden. En Petrus is een trouwhartige, beste vent, ik weet wel, dat gij hen ook graag moogt lijden, al lacht ge mij uit, nu ik zoo opgewonden over hen spreek.”
„Dat doe ik volstrekt niet, wijfjelief. Wees maar gerust, kind, ik zal de menschen de grootst mogelijke voorzichtigheid aanbevelen, maar tob dan ook niet meer over denkbeeldige ongelukken. Wij zullen de tijgers nu laten rusten en prettig gaan lezen; krijg je naaiwerk, lieve, dan haal ik „Ekkehard” voor den dag.
„Hoe heerlijk!” betuigde Dina, „we hebben de laatste maanden allerprettigste avonden, nu je niet meer zoo aanhoudend voor je zelf zit te werken als je verleden jaar altijd deed.”
„Dat had zijn reden, vrouwtje.” En Dina met een geheimzinnigen glimlach aankijkend, vroeg Johannes eensklaps: „Wie is er einde Januari jarig, kind?”
„Dwaze man, of je dat niet weet,” lachte zijn vrouwtje en deftig voegde zij er bij: „Den dertigsten Januari van het jaar onzes Heeren 1894 wordt Johannes’ huisvrouw: Everdina, Maria, Elizabeth, drie en twintig jaar. En vertel mij eens waarom ik je dat zeggen moest?”
Doch Johannes schudde het hoofd met de bewering, dat hij Dina maar eens had willen plagen, terwijl hij „Ekkehard” voor zich legde en de bladzijde opsloeg, waar hij den vorigen avond gebleven was.
Geen vroolijke zonneschijn begroette Dina’s feestdag, integendeel, uit de zwarte wolken ontlastte zich een zware regenvloed, die als gisteren, zeker den geheelen dag zou aanhouden. De zendelingsvrouw stond voor het venster van de gesloten binnengalerij naar de druipende boomen en struiken te zien, waartusschen de heftige wind ruw huis hield. De feestelijke stemming, waarmee zij straks Johannes’ warme gelukwenschen had ontvangen, was geheel verdwenen; zij voelde zich lusteloos en neêrslachtig, was dat nu ook een weer voor haar verjaardag?
Op dat oogenblik hoorde zij de stem van haar man uit de achtergalerij: „Waar blijf je kind, gaan we niet ontbijten?”
Hij kwam haar halfweg te gemoet en trok haar arm door den zijne. „Scheelt er wat aan, vrouwtje?” vroeg hij hartelijk, „je kijkt zoo bedrukt.”
Zij legde hare wang even tegen zijn schouder en poogde te glimlachen. “’t Is al over, beste, let er maar niet op,” antwoordde zij zacht en wilde op hare plaats gaan zitten, toen zij verrast achteruit week.
„O lieve, beste man, wat een verrassing!”
Vóór haar bord stond een bouquet, verregend wel is waar, en slechts bestaande uit wilde bloemen en grassen, maar zoo smaakvol geschikt en zulk een welsprekende getuige van Johannes’ innige genegenheid, dat zijn vrouwtje de tranen in de oogen sprongen. Als soldaatjes in het gelid, waren verscheidene mailbrieven tegen de glazen en vingerkommen overeind gezet. Daar zij in den loop der laatste week waren gekomen, giste Johannes, dat zij gelukwenschen voor den 30sten zouden bevatten en had hij de brieven stil verstopt om er zijn jarige nu dubbel mee te verrassen. En dat hij zijn doel bereikt had, bewees de luide juichkreet, waarmee Dina er de hand naar uitstrekte. Doch juist toen zij Mutter’s brief wilde openbreken, zag zij een gesloten couvert op haar bord liggen, dat haar adres droeg in het welbekende handschrift van Johannes. Verrast keek zij hem aan, wat beteekende dat? Maar het jonge vrouwtje kreeg geen ander antwoord dan een lachend hoofdschudden, waarop zij moeder’s brief neêrlegde en den anderen greep; snel scheurde zij het couvert open en hare oogen vlogen over de weinige regels. Wat las zij? Wat deed haar op eens het papier neêrwerpen, om vol verrukking hare armen om Johannes heen te slaan?
Als het meest welkome nieuws, dat zij op dezen dag kon hooren, deelde de zendeling zijn vrouwtje mede: „De klok voor ons kerkje is in Europa besteld en zal weldra hier zijn.”
„O Johannes, lieve man, is het heusch waar? ik kan het haast niet gelooven,” sprak Dina, bijna schreiend van aandoening. „Hoe heb je die groote som bijeen kunnen krijgen? En mij niets te vertellen, dat alles buiten mij om te beredderen, ondeugende man, ik vergeef het je nooit als je mij nu niet dadelijk mijne nieuwsgierigheid bevredigt.”
„Kom dan eens kalmpjes naast mij zitten, wijfje,” en toen Dina aan zijn verzoek voldaan had, onthulde Johannes het geheim.
Al had hij er niet zoo over gesproken en gezucht als zij, het was hem iederen Zondag ook telkens een stil verdriet, dat hun kerkje geen klok rijk was. Hij had er veel en dikwijls over gedacht of er geen kans zou zijn de benoodigde ƒ 300 bijeen te krijgen. Misschien, dat de gemeente mettertijd wel in staat zou zijn de som samen te brengen, maar hoe lang kon dat nog duren?
Toen had hij bedacht, dat hij in zijn vrijen tijd wel weer beproeven kon met schrijven er wat bij te verdienen en zie! dat was boven verwachting gelukt. Dien geheelen vorigen west-moesson, toen zij in huis zaten opgesloten, had hij druk vertaald en geschreven: allerlei stukken op godsdienstig en wetenschappelijk gebied, en deze, als vóór zijn huwelijk, aan verscheidene Duitsche bladen ter opname gezonden. Langzaam, bij kleine beetjes, waren de verschillende honoraria binnengekomen, maar eindelijk was de som bijeen. Het had hem wel eens moeite gekost een en ander voor zijn vrouwtje stil te houden, maar hij wilde haar verrassen en was dus steeds op zijn hoede geweest, dat geen woordje, het geheim betreffend, aan zijne lippen ontsnapte.
En Johannes had wil van zijne verrassing: Dina was een en al opgetogenheid en verrukking. Zij moest alles weten: waar en wanneer de klok besteld was, of deze haar eigendom bleef wanneer zij elders werden heengezonden, waar wellicht ook een „Glocke” ontbrak, enz. enz. enz. Zou er nu maar niet dadelijk een begin worden gemaakt met den klokketoren?
„Een klokketoren zou het gebouw niet kunnen dragen,” meende de zendeling. De klok zou, zooals hij dit wel elders had gezien, in een hooge stellage worden opgehangen, naast de kerk natuurlijk.
Dienzelfden middag nog, toen het even droog was, wilde de jarige Dina het plekje gaan uitzoeken waar de „Glocke” geplaatst zou worden en, in hare verbeelding zag zij; haar cadeau er al hangen.
Het zendelingsvrouwtje vond, dat de dagen na haar feestdag voorbijkropen, nimmer had zij vuriger naar „die Glockentöne” verlangd dan nu zij wist, dat zij ze spoedig zou hooren. Doch juist toen Johannes bericht had ontvangen dat de klok uit M. verzonden was, trad een droevig voorval tusschenbeide, dat Dina’s gedachten een geheel andere wending gaf.
De regenmoesson liep ten einde, en, hoewel er vele hongerige tijgers in de buurt waren geweest, had geen enkel ongeval in de dessa’s der christengemeente plaats gegrepen. Eenige karbouwen en paarden waren een prooi der wilde dieren geworden, doch menschenlevens had men niet te betreuren. Helaas! het zou niet zoo blijven.
Op een avond, toen de zendeling en zijne vrouw gezellig bijeen zaten en juist een partij schaak zouden spelen, werden zij opgeschrikt door een luid rumoer, dat van buiten tot hen doordrong. Johannes vloog op en spoedde zich, door zijne vrouw gevolgd, naar de voorgalerij. Een koor van verwarde stemmen steeg uit den zwarten menschenhoop op, die voor het huis stond; de zendeling wenkte met de hand om stilte te verzoeken, waarop men een jongentje naar voren drong, dat, nog bevend van angst en het harde loopen, een vreeselijk nieuws aan het ontstelde echtpaar vertelde. Hij was het karbouwenknechtje van Petrus en van avond met hem de karbouwen van het veld gaan halen, zooals zij iederen dag deden. Zij schenen zich echter verlaat te hebben, want in het bosch was het bijna donker, en eensklaps had hij door het groen een paar vurige tijgeroogen zien fonkelen. Met den kreet: een tijger, een tijger, was hij toen weggevlucht, zoo snel als zijne voeten hem konden dragen en had in het omkijken nog gezien hoe Petrus den karbouw vastgreep, dien hij zeker niet in den steek wilde laten. Had hij het maar gedaan. Toen het volk met flambouwen en lansen de plek van het ongeluk bereikte, was er van Petrus niets meer te zien en de karbouw lag stervend aan den kant.