Part 2
Den volgenden dag zat de jonggetrouwde vrouw in haar bruidstooi gekleed, weer om vier uur klaar, wachtend op den bruigom, ditmaal om met hem een rit door de stad te maken. Spoedig hield de fraaiversierde bruidswagen, gevolgd door wel twintig karretjes, waarin Sakerto’s vrienden hadden plaats genomen, voor Wagini’s woning stil. Door hare verwanten begeleid, trad het bruidje naar buiten in den vollen zonneschijn en daar stond zij, klein en tenger schepseltje, een vreemde onnatuurlijke verschijning met haar saffraankleurig gezichtje en getooid in dat bonte, opgeschikte gewaad. Zwijgend nam zij naast haar man plaats en zoolang de rit duurde bleven beiden als beweginglooze poppen strak voor zich uitstaren. Misschien ging Sakerto met hart en ziel in de glorie op, als bruigom zoo deftig en met groot gevolg rond te rijden en overal bekijks te wekken. Ieder week voor den bruidsstoet uit, de kampongs liepen leeg om den optocht voorbij te zien komen. Maar het bruidje kon hare tranen nauwelijks bedwingen en af en toe trilde het verraderlijk om den kleinen, strakken mond. Eindelijk was ook deze lijdenstocht volbracht en nu stapte de bruiloftsstoet af voor het huis van den jongen man, waar deze met zijne moeder en zusters woonde, en dat nu voortaan ook Wagini’s tehuis zou zijn. Nadat de nieuwe schoondochter plechtig was ingehaald, met inachtneming van al de ceremoniën, die de adat voorschrijft, trad de schoonmoeder uit het binnenvertrek het jonge vrouwtje vriendelijk te gemoet. Er lag een wereld van goedheid in de zachte, bruine oogen, toen zij op het schepseltje rustten, dat voortaan een deel van haar gezin zou uitmaken. Wagini was echter te ontdaan om dit op te merken.
Het bruidspaar vormde weer het midden van een aantal gasten en toeschouwers, de drukte was nog grooter dan den vorigen dag. Gul werd ieder uitgenoodigd zich te goed te doen aan den overvloed van spijzen, die stonden opgedischt: vleesch en visch met gekruide sausen, rijst met toespijzen, gebak in soorten en een overvloed van vruchten. Hartelijk drong schoonmoeder Bok Djemilah het bruidje toe te tasten en zette haar het beste en lekkerste voor, doch Wagini kon geen bete naar binnen krijgen. Zij had nog geen woord met haar man gewisseld en deze nam evenmin eenige notitie van zijn kind-vrouwtje; hij at en dronk en onderhield zich met zijne vrienden. Was dit fijngevoeligheid, begreep hij hoe beschaamd en verlegen zij zich voelde?
Grootmoeder liet het zich intusschen best smaken en keek vergenoegd rond: zij had er niet het minste begrip van hoe het Wagini te moede was en meende tot bestwil van het kind gehandeld te hebben. Haar kleindochter ging een aangenaam leven te gemoet, want Sakerto verdiende flink geld met timmeren, hij was een zachtzinnig, bedaard mensch en zou zijn vrouwtje zeker goed behandelen. Wagini hoefde nu niet meer met de zware vischmanden te sjouwen, want de dessa, waar haar man woonde, lag niet aan zee. Zij had slechts hare plichten als huisvrouw te verrichten en kon nog een aardig stuivertje bijverdienen in den tijd van den padi-oogst. Op hare beurt kon zij grootmoeder nu steunen en het goede kind zou nénéh op haar ouden dag het dagelijksch bordje rijst zeker graag gunnen.
De feeststemming onder de bruiloftsgasten werd steeds grooter. Een paar bont uitgedoste dansmeisjes wekte de bewondering en den luiden bijval van het publiek, door de kunstige, lenige wijze, waarop zij hare ledematen wisten te draaien en te wringen naar de eischen der tandakkunst.
Het ging alles als in een roes aan Wagini voorbij, die moeite had om wakker te blijven; het arme kind kon zich bijna niet meer rechtop houden. Doch het werd weer morgen eer zij mocht opstaan om naar hare kampong teruggeleid te worden (de eerste dagen nà haar huwelijk slaapt de jonge vrouw nog in hare eigen woning). Bijna omvallend van vermoeienis trad Wagini er binnen. Goddank, nu was het feestvieren achter den rug.
Twee dagen later werd Wagini voorgoed in het huis van haar echtgenoot opgenomen. Zij moest nu hare schoonmoeder in het huishouden helpen en naast haar man, ook deze gehoorzamen. Dit laatste viel het jonge vrouwtje gemakkelijk genoeg. Bok Djemilah was een goede vrouw, zij verlangde niet te heerschen en te bevelen, haar stem klonk steeds zacht en vriendelijk. Spoedig hield de nieuwe schoondochter bijna even veel van haar als van grootmoeder, doch voor haar man bleef zij even angstig en schuw als op den trouwdag. Weerspannige vrouwtjes worden bij den inlander met de bamboe geregeerd, maar tot dit middel wilde Sakerto vooralsnog zijn toevlucht niet nemen, al verdroot het hem geducht, dat Wagini hem uit den weg ging waar zij kon en zich verstopte of vluchtte als zij hem van verre zag aankomen. „Heb maar geduld, ze is nog zoo jong, het zal wel terecht komen,” verzekerde Djemilah haar zoon, en zij wees het jonge vrouwtje intusschen met liefderijke woorden op hare plichten. Wagini luisterde onderdanig toe, prevelde: „ja, ja,” en bleef onwillig haar man zelfs een hand te reiken. Als een stout kind verschool zij zich nu eens onder een bank, dan weer in het kippenhok of zij klom in een boom, waar de roode mieren het haar zoo lastig maakten met hunne venijnige steken, dat zij zich wel naar beneden moest laten glijden. In plaats van eenige genegenheid voor Sakerto op te vatten, werd haar afkeer van hem steeds grooter. Die dwaze angst bezorgde Wagini op zekeren avond een ernstig ongeluk.
Het was al laat en het jonge vrouwtje had zich juist tusschen hare schoonzusters in, op haar matje gevlijd, toen zij op eens haar man zag binnenkomen. Zij dacht, dat hij al lang sliep en, hoewel Sakerto niet de minste acht op haar sloeg, werd zij eensklaps door zulk een grooten angst aangegrepen, dat ze overeind vloog, vlug over de om haar liggende gestalten heen wipte en naar de deur vluchtte.
Bij den drempel struikelde zij, viel en bezeerde zich zoo hevig aan haar rechtervoet tegen een stuk ijzer, dat zij kreunend bleef liggen.
Weken lang moest Wagini voor hare dwaasheid boeten, de voet wilde slechts langzaam genezen. Grootmoeder kwam haar kleinkind bezoeken en bleef, om haar met Bok Djemilah te verplegen.
De beide vrouwen spraken hoofdschuddend over Wagini’s koppigheid en kuren.
Waar moest dat heen? Straks verstootte Sakerto het ondeugende kind nog en grootmoeder vouwde angstig de handen samen bij dit vreeselijk vooruitzicht.
Maar het noodlot kwam Wagini te hulp.
Zij was nauwelijks hersteld en had zich voor den eersten keer met langzame voorzichtige pasjes buiten gewaagd, toen zij voor hare oogen het ongeluk zag gebeuren, dat haar, geheel onverwacht, hare vrijheid teruggaf.
Een eindje van het huis stond een klapperaanplant en Sakerto was in een hoogen boom geklommen, zooals hij reeds honderden malen gedaan had, om de rijpe vruchten af te kappen.
Wagini luisterde onwillekeurig naar het regelmatig kloppen en den harden plof, waarmee de vruchten achtereenvolgens naar beneden kwamen. Op eens werd het geklop gestaakt, een rauwe gil weerklonk door de lucht en tegelijkertijd stortte Sakerto naar omlaag. Een kleine onvoorzichtigheid had hem het evenwicht doen verliezen, en, toen op Wagini’s angstgeschreeuw, de huisgenooten kwamen toeloopen, bleek het, dat de arme Sakerto zijn ruggegraat gebroken had, en onmiddellijk een lijk was geweest.
Den volgenden morgen werd Sakerto begraven, diep betreurd door zijne moeder en zusters, die weeklagend bijeen zaten. Wagini trachtte haar te troosten, doch de oogen der weduwe zelve bleven droog.
Een jaar ruim is verloopen. Overal op de sawahs heerscht vroolijke opgewektheid, men is in het volle getij van den padi-oogst. Vóór dag en dauw tijgen mannen en vrouwen, meisjes en jongelingen naar de velden om de rijpe halmen één voor één, met het scherpe mesje af te snijden en tot bundels saam te binnen. Er wordt van ’s morgens tot ’s avonds gearbeid en in de schemering ziet men overal menschen met welgevulde bundels op den rug, tevreden huiswaarts gaan. Die niet op eigen grond werkt, verhuurt zich bij zijn buurman en hoe vlijtiger de handen zich reppen, hoe grooter de bos padi, die als welverdiend snijloon naar huis wordt meegedragen.
Geen tijd in het jaar, waarop de jongelieden prettiger en vrijer met elkaar verkeeren dan wanneer de gouden halmen vallen, die den Javaan zijn levensbrood geven. Alle stijfheid en vormelijkheid wordt op zij gezet, oud en jong werkt lustig en opgewekt.
De zon is zoo even herrezen en giet haar gouden gloed over de akkers, zacht wiegelen de volle padihalmen op den adem van den morgenwind; ach armen, ze weten niet hoe spoedig het gedaan zal zijn met hun jong krachtig leven.
Zie, daar komen de snijdsters aan, achter elkaar loopend, op het smalle pad. De meesten dragen het hoofd nog onbedekt, doch allen hebben den grooten toedoeng of zonnehoed in de hand, die haar straks beschermen moet tegen de al te vurige liefkoozingen der dagvorstin. Hoe vroolijk steken de kleurige baadjes tegen de omgeving af, hoe veel lieve jonge gezichten ziet men tusschen de oude, verweerde vrouwen in. Het zijn hare dochters en kleindochters, die spoedig zullen worden als zij: hard werken in zon en regen maakt vroeg oud.
Maar aan die toekomst denken de jongeren niet, nu is het leven nog heerlijk en vol beloften en velen lachen stil voor zich heen bij een of andere zoete herinnering. Onder de padisnijdsters is ook Wagini, een mooie, tot haar vollen wasdom ontwikkelde vrouw, heerlijk om aan te zien met haar krullend haar en donkere schitteroogen. Zij lacht verstolen en slaat even de oogen op, als zij, druk aan het snijden, denzelfden jongen man, die haar nu reeds drie dagen het hof maakt, over het veld naar zich toe ziet komen. Wat een knap uiterlijk, wat een prettig gezicht heeft hij, die slanke Ramidin! Daar komt hij haar op zijde en lacht en Wagini, het schuwe preutsche vrouwtje, lacht terug en laat van terzijde, van onder de lange wimpers, haar blik met welgevallen op Ramidin rusten.
En nu begint tusschen dit paar het spelletje oud als de wereld: hij lokt en vleit, en zij doet als weet ze niet waar hij heen wil. Ze laat toe, dat hij de door haar gesneden halmen tot schooven bindt en ze voor haar draagt. Den heelen dag blijft hij haar ter zijde en om het paartje heen lacht en fluistert men: die twee worden het ééns.
In de schemering, als zij naast elkander huiswaarts gaan, zij met den zwaren bundel padi, in de slendang op den rug gebonden, spreekt hij het groote woord en Wagini, fier en gelukkig, dat zij nu, in vrije keuze, de inspraak van haar hart mag volgen, reikt haar vriend de kleine, tengere hand en belooft Ramidin, dat zij met hem door het leven wil gaan.
EEN ZENDELINGSVROUWTJE.
I.
Zij hadden elkaar bijna drie jaar lang dagelijks gezien en gesproken, elkander goed, heel goed leeren kennen vóór hij het beslissend woord sprak, haar vroeg zijn vrouwtje te worden, en met hem mee te trekken naar het verre, vreemde land. Als zij haar Johannes niet zoo innig had lief gehad, de blonde, slanke Dina, met eene liefde, die langzamerhand van kleinen knop tot een volle, heerlijke bloem was ontwikkeld, dan zou zij zeker geaarzeld, hem haar jawoord niet zoo gemakkelijk gegeven hebben, maar nu.... En toch hij vroeg zooveel; voor hem moest zij haar „Heimat,” doch wat oneindig zwaarder woog, haar dierbaar tehuis, haar „süsses Mütterchen,” verlaten. „Ach, waarom koos hij juist een werkkring, die hem naar verre landen riep?” zuchtte zij, droef te moede als zij aan de naderende scheiding dacht. Zij wist echter hoe lief haar aanstaanden man zijne roeping was, hij vertelde het haar meer dan eens, hoe reeds als kind het denkbeeld hem bezielde Christus’ zachtaardige leer onder de onwetende heidenen te verspreiden en hun daarmede geluk en zegen te brengen.
In hare dwepende meisjesliefde zag zij een apostel in haar Johannes, even goed en zachtzinnig als de meest geliefde leerling van den Heer, toen deze nog rond ging op aarde. En Dina peinsde en droomde over de toekomst, doch menigmaal toefden hare gedachten ook in het verleden, toen zij zelfs den naam niet kende van den man, die haar nu alles en alles was. Hoe goed herinnerde zij zich den avond, waarop hij voor het eerst hun huis betrad. Zij was een aankomend meisje, de zware blonde vlechten nog hangend op haar rug en als een echt bakvischje blozend bij iedere gelegenheid. Zoo was die lastige blos natuurlijk ook naar hare wangen gestegen, toen zij kennis met hem maakte en voor het eerst den blik ontmoette van zijne ernstige, donkere oogen.
Vriendelijk en goedig had hij in het geheel niet laten bemerken, hoe in het oog vallend hare verlegenheid was geweest; dat had haar toen reeds dadelijk voor hem ingenomen.
Het sprak vanzelf dat hij, de zoon van haar vaders besten vriend, spoedig als kind bij hen aan huis kwam, al de uren, die hij niet aan zijne studie wijdde, bij hen sleet.
Zij zag hoog tegen hem op in die dagen, als tot een zeer ontwikkeld, knap man, die met haar vader over onderwerpen redeneerde, waarvan zij nooit gehoord, veel minder over gedacht had.
Toch luisterde zij gretig toe, al begreep zij niet alles; het gebeurde dikwijls, dat Johannes zich tot haar wendde, of, om harentwille, het gesprek eene andere richting gaf; dit vervulde haar steeds heimelijk met trotsche blijdschap. Die nieuwe huisgenoot bleek voor het geheele gezin een groote aanwinst, spoedig kon hij niet meer gemist worden in hun kring. Hij stal Dina’s hart door zijne vriendelijke attenties voor „lieb Mütterchen,” zijne stille hulpvaardigheid en groote deelneming in al wat de haren betrof. Aan alles kon zij bemerken, dat hij graag in hun midden toefde; zelf stil en ernstig van aard, zich aangetrokken voelde door den opgewekten toon, die bij hen heerschte. Zij was niets ernstig, integendeel, zij kon den verpersoonlijkten levenslust voorstellen, het leven bood haar tot nu toe enkel rozen.
Altijd gezond en opgewekt, geliefd kind in huis, ja zelfs wel een beetje verwend en vertroeteld als eenige dochter en zuster, zou zij haar lot met niemand hebben willen ruilen, en wenschte zij, dat het maar immer zoo blijven mocht.
Doch het kind groeide op tot jonkvrouw en het uur kwam, waarin ook in haar het stille, reine, heerlijke gevoel ontwaakte, dat liefde heet. ’t Was ongemerkt en als vanzelf gekomen, dat de genegenheid en vriendschap, die zij voor Johannes koesterde, langzamerhand in een dieper en inniger gevoel veranderden. En zij wist, zij voelde het aan duizend kleinigheden; een lange blik, een zachter klank in zijne stem als hij tot haar sprak, een heimelijke handdruk, deze alle zeiden het haar, dat hare liefde beantwoord werd. Haar eigen zoet geheim bewaarde zij als een schat diep in haar hart, zelfs Mütterchen kon zij er niet over spreken, en zoo wachtte zij vol geduldig, hoopvol vertrouwen, tot Johannes tot haar komen zou om het woord te spreken, dat over hun beider toekomst zou beslissen. Toen dat uur aanbrak, wie kon haar geluk beseffen? Alles jubelde in haar en, nauw was zij alleen, het gelaat nog nat van vreugdetranen of zij knielde neder en deed de stilte gelofte om haar Johannes waarlijk een zegen te zijn, hem vol vertrouwen en toewijding te volgen waarheen hij ook gezonden mocht worden, zijne lasten lichter, zijne vreugde grooter te maken en hem zoo, in ieder opzicht, te wezen een licht op zijn pad. Die heilige, goede voornemens bleef zij trouw, ook toen zij de haren vaarwel moest zeggen. De verloopen maanden waren Dina als in een droom voorbijgegleden; haar korte engagementstijd, haar huwelijk, een verrukkelijk reisje langs den Rijn, gevolgd door de niet minder heerlijke weken, die zij als jong getrouwde vrouw bij haar ouders aan huis had doorgebracht. Maar nu naderde het scheidingsuur met droevige snelheid en de arme Dina ontwaakte uit haar gelukkigen droom en leed bijna meer dan zij dragen kon. Ze wilde haar man geen verdriet doen en verborg hem haar strijd, doch ’t viel het arme vrouwtje oneindig zwaar haar geliefd huis te verlaten en dikwijls moest zij naar eenzame hoekjes vluchten om eens flink uit te schreien. Vooral wanneer zij, Mütterchen aankijkend, bedacht, dat de uren geteld waren, waarin zij dat lieve, dierbare gelaat voor het laatst zou aanschouwen, was het haar of zij dit niet kon overleven. Maar kost het strijd en bittere pijn, ook het zwaarste leed wordt gedragen, en zoo kwam ook Dina door het vreeselijk scheidingsoogenblik heen, en nam zij als troost naar het verre land de herinnering aan moeders kussen en de vurige zegenbeden harer ouders mede.—De tijd, de vele nieuwe gewaarwordingen op de reis, eerst over land, naderhand over zee en vooral de groote liefde van haar trouwen Johannes, zij deden het overige; toen het jonge paar Batavia bereikte, had Dina hare aangeboren opgeruimdheid grootendeels herwonnen en verlangde zij vol geestdrift den werkkring van haar man te deelen. Hoe bewonderde zij hem in zijn vasten wil en doorzettingskracht; zoodra hij zeker wist, dat zijn arbeidsveld op Java zou liggen, was hij aan het moeielijk Javaansch begonnen, ieder vrij uur, met taaie volharding aan die studie wijdend; Dina’s bewondering maakte echter ook wel eens voor naijver plaats op die nare boeken welke al Johannes’ tijd in beslag namen; slechts af en toe kon hij een uurtje aan vrouwlief wijden en zij had altijd wat te vragen en te babbelen, wilde haar man immer naast zich hebben om hem deelgenoot te maken van iedere gedachte. In die uren van eenzaamheid overviel haar ein fürchtbares Heimweh, dat zij niet altijd overwon, al streed zij er dapper tegen.
Wanneer zij maar eenmaal in haar eigen huisje zat, zoo sprak het jonge vrouwtje zich zelve moed in, dan zou alles beter gaan, zij zou hare vaste bezigheden hebben en trachten Mutter’s verzekering, „dat Dina eene uitstekende huishoudster was,” niet te beschamen. Het duurde ook zoo lang en de tijd kroop voorbij juist omdat zij zoo verlangde naar haar eigen „Herd,” „doch endlich bleibt nicht ewig aus,” troostte zij zich. Groot was hare vreugde toen Johannes met de welkome tijding tot haar kwam: „Ik heb mijne aanstelling, Dina, wij gaan naar Soeka Slamat, waar ik de kleine gemeente, die broeder J. vijftig jaar geleden stichtte, zal voorgaan. Langen tijd hebben die Christenen geen leeraar gehad, er staat ook nog geen kerkje, maar het geld er voor is al grootendeels bijeen.”
Dina klapte in de handen. „O, Johannes, hoe heerlijk, dan zult gij de kerk inwijden, niet waar? Krijgen we een lief huisje, man?”
„Dat is ook in aanbouw. We zullen daar heel stil wonen, kindlief, zonder Europeanen in de buurt. ’k Hoor zelfs, dat in den regentijd de weg naar de hoofdplaats der afdeeling onbegaanbaar moet wezen. Ziet ge er niet tegen op, vrouwtje, in die eenzaamheid te leven met je stillen man tot eenig gezelschap?”
Maar Dina sloeg de armen om zijn hals en betuigde vol nadruk: „Neen, neen, ik zie er geen ziertje tegen op. Ik mag je helpen met je werk, hé Johannes? Als de vrouw van onzen „pastor,” mag ik mij wijden aan de vrouwen en kinderen der gemeente, niet waar? En dan hoe heerlijk om mijn eigen huishouden te hebben, je lievelingskostjes te koken, alles rein en net om ons heen te houden, o man!” Hij glimlachte over haar enthusiasme.
„Nu beste, als dat vooruitzicht je bekoort, zul je je hart kunnen ophalen, je zult de handen nog al eens moeten uitsteken, vrees ik. Wat bedienden betreft zullen we daar, op dat afgelegen plekje, niet veel keuze hebben en dan.... we moeten het zuinig overleggen, kind.”
„Of dàt mij schrik zou kunnen aanjagen,” lachte het jonge vrouwtje, „ik heb thuis werken geleerd, dat verzeker ik je,” en hem met een vroolijk gebaar hare niet kleine, doch welgevormde handen voorhoudend, voegde zij er bij: „Deze twee verstaan de kunst van aanpakken, dat zult ge eens zien.”
Hij kuste haar dankbaar. „Wanneer vertrekken we?” vroeg Dina, haar oogen, met een blijden glans tot haar man opslaande.
„Zoo gauw je klaar kunt komen, kind.”
Dat hield zij zich voor gezegd. O! zij was het kofferleven zoo moede, hoe goed en vriendelijk de menschen ook waren bij wie zij deze verloopen maanden gastvrijheid hadden genoten, zij verlangde met heel haar hart hun vaarwel te kunnen zeggen: „Eigener Herd ist Goldeswerth.”
Onder het pakken zong het zendelingsvrouwtje half haar repertoire Duitsche liedjes af; zij was zoo innig gelukkig en Johannes niet minder, al voelde hij niet, als zij, de behoefte om zich zoo luide te uiten.
Op de hoofdplaats der afdeeling, waartoe de gemeente van Johannes behoorde, kon het jonge paar maar één huis vinden, geschikt om te bewonen, tot het hunne in de bergen gereed zou zijn. Ofschoon het oud en vervallen was en zij er, als beiden hoopten, slechts kort in zouden blijven, trachtte Dina het er toch zoo gezellig en aardig mogelijk in te richten. Zij schikte hare huwelijksgeschenken op tafeltjes en kasten, versierde de stoelen met de handwerkjes, haar door de vriendinnen vereerd, en maakte zoo de plekjes, waar zij het meest zouden zitten, bepaald „gemüthlich.” Hare vroolijke, optimistische levensbeschouwing kwam haar nu te pas. O heden, wat een gesukkel was dat met die inlandsche bedienden. Hoe hemelsbreed verschilden zij met haar in opvatting van reinheid, zuinigheid en orde. De jonge vrouw had tal van groote en kleine ergernissen, doch viel er wijselijk haar man niet mede lastig. Aan de theetafel toonde zij hem slechts den grappigen kant van hare beproevingen, en beschreef in kluchtige verhalen hare ontzetting over de vuilheid van Sarina, de kokkin, die maar één baadje scheen te bezitten en dat nacht en dag aan had. En schaterend van het lachen vertelde zij verder, dat de huisjongen alles precies omgekeerd deed als zij gelastte; haar gebroken Maleisch wilde hij maar niet begrijpen. Nu dacht zij er over hare bevelen precies in omgekeerden zin te geven, als zij ze wenschte uitgevoerd te zien, dan moest het immers goed uitkomen? Neen, het smerige, luie stelletje bedienden, dat zij nu had, nam zij zeker niet naar de bergen mee; kokkie had n. b. opslag durven vragen ook.
„En die heb je haar zeker dadelijk beloofd,” plaagde Johannes, “’t mensch kan dan een tweede baadje koopen.”
„Dat kun je zoo denken! Ik heb haar juist gezegd, dat ze direct gaan kon, die luie slons, ik kan best zelf voor ons beidjes koken op onzen „Herd”; hoe heerlijk toch, dat wij die uit Duitschland meenamen. Ik verbeeld mij zoo, dat wij op Soeka Slamat betere bedienden zullen vinden dan hier zijn te krijgen. Dat zij nooit bij Europeanen dienden kan mij niet schelen, ik leer hun graag alles, mits zij maar zindelijk en eerlijk zijn.”
Johannes was reeds eenige keeren naar Soeka Slamat geweest: tot hare teleurstelling had Dina hem niet kunnen vergezellen. De reis was te lastig nu, in den regentijd, meende Johannes; allerlei ongemakken, die hij als man zoo erg niet telde, werden onoverkomelijke bezwaren waar het eene dame gold; Dina moest geduld hebben tot hun huisje daarginds gereed was.
Zes maanden na hunne aankomst te N. was het zoover. „Voor het laatst en nu voorgoed,” juichte het zendelingsvrouwtje onder het inpakken. Alles deed zij zelve bijna; het orgel waaraan zij zoovele genotrijke uren te danken had, als zij er, geaccompagneerd door haar man, hare liederen bij zong, emballeerde zij met bijzondere zorg en keek met een ongerust hart de karbouwenkar na, die haar schat naar de nieuwe woning zou brengen. Gelukkig, dat Johannes stemmen kon, want op dat schudden en schokken op den bergachtigen weg had zij het niets begrepen, het orgel leed er stellig van. Maar alle bekommernissen, de behouden overkomst van haar meubilair betreffend, zette Dina ver van zich toen zij naast haar man, in hunne nieuwe bendy gezeten, de reis aanvaardde naar het plekje, dat voortaan hun eigen zou zijn. Zij klaagde over hitte noch stof op den langen grootendeels onbeschaduwden weg, zij telde het niet wanneer zij, af en toe, kleine einden te voet moesten gaan, omdat Johannes de primitieve bruggen niet vertrouwde; aan het einde van dien weg lag immers hun „tehuis?”