Vrouwenkiesrecht in de Skandinavische landen
Chapter 2
Het opvolgend conservatieve Kabinet werd onmiddellijk door een deputatie uit de vrouwenkiesrecht-vereeniging met de eischen der vrouwen op de hoogte gesteld. Evenzoo de oude Koning Oscar. Echter zonder direct gevolg. Toen werd in Febr. 1907 een monsteradres, geteekend door 142000 vrouwen, bij de Tweede Kamer ingediend. Ook deze poging faalde, doch had ten gevolge dat een der leden van de liberale partij inlichtingen vroeg omtrent de resultaten van het onderzoek, verkregen door de ingestelde commissie. Uit het korte antwoord kwam toch duidelijk uit, dat de resultaten voor de vrouwen gunstig waren.
Kort daarna diende de regeering zelf een voorstel in om den vrouwen op dezelfde voorwaarden als de mannen het kiesrecht voor de gemeenteraden te geven en hen ook voor alle functiën in die Raden verkiesbaar te stellen. Dit voorstel werd met groote meerderheid in Eerste en Tweede Kamer aangenomen en is in 1910 in werking getreden.
Nu begonnen de vrouwen hulp te krijgen van de mannen. Vele Kamerleden boden aan om met de vrouwen door het land op vergaderingen te spreken om het vrouwenkiesrecht populair te maken. Evenals de sociaal-democraten reeds een jaar vroeger hadden gedaan namen nu ook alle liberale partijgroepen vrouwenkiesrecht als eerste punt in hun partijprogram op. Als oppositiepartij konden zij nu gemakkelijk een wetsvoorstel tot invoering van vrouwenkiesrecht indienen en weldra kwamen dan ook van de sociaal-democraten, de Werkliedenverbonders, de Lindhagengroep en andere liberalen zulke voorstellen in. Het bestuur van de Ver. v. vrouwenkiesrecht werd uitgenoodigd de vergaderingen bij te wonen waar deze Kamergroepen onderling de voorstellen bespraken, die ingekomen waren. Het kon dikwijls nuttige wenken geven.
Ook door een club uit de Eerste Kamer werd het bestuur uitgenoodigd tot een samenkomst.
De Ver. voor Vrouwenkiesrecht meende toen goed te doen om in Stockholm een openbare vergadering te beleggen, waarvoor alle leden van Eerste en Tweede Kamer een speciale uitnoodiging ontvingen en waar door de leidsters der vrouwenkiesrechtvereeniging het vraagstuk nogmaals van alle kanten zou worden toegelicht. Vele Kamerleden maakten van deze uitnoodiging gebruik en veel van hetgeen zij daar hoorden, werd twee dagen later bij een debat over vrouwenkiesrecht in de Eerste Kamer schitterend aangewend.
Desniettegenstaande werden alle ingediende voorstellen 2 Mei 1908 verworpen.
De vrouwenkiesrechtvereeniging was ondertusschen gegroeid tot 142 afdeelingen met 11000 leden en hiermede meende het bestuur krachtig genoeg te zijn om op de komende algemeene verkiezing grooten invloed uit te oefenen. Met groote meerderheid was in de vereeniging uitgemaakt, dat er momenteel geen dringerder nationale belangen in Zweden bestonden dan de invoering van vrouwenkiesrecht, en dat daarom de vrouwen dit belang nu nummer één moesten zetten. Men besloot een schrijven te richten tot alle politieke partijen, waarin werd meegedeeld, dat de vrouwen, ieder in eigen partij, bij de verkiezing wilden medewerken, indien die partij alleen candidaten wilde stellen, die vóór vrouwenkiesrecht waren. Weigerde de partij zich daartoe te verbinden, dan zou die partij zelfs door eigen vrouwelijke partijgenooten en door alle vrouwen te zamen worden tegengewerkt.
Verder werd door de vrouwen getracht overal in de besturen van geestverwante kiesvereenigingen opgenomen te worden. Op alle kiezersvergaderingen zouden zij tegenwoordig zijn en door vragen de goedgezinde candidaten dwingen zich openlijk voor de kiezers uit te spreken en door debat de tegenstanders te bestrijden.
Ook nam men zich voor zeer ostentatief de herkiezing te verhinderen van uitgesproken tegenstanders, zoodat duidelijk zou uitkomen, dat hun val een gevolg was van het optreden der vrouwen. Door strooibiljetten zou men het groote publiek bewerken en waar in een district alle candidaten voorstanders waren, zou men zich van elke inmenging onthouden.
Nauwelijks was dit besluit door de pers publiek gemaakt of door sociaal-democraten en liberalen werden de vrouwen uitgenoodigd om over vrouwenkiesrecht in hunne afgelegen afdeelingen te komen spreken en werd haar aangeboden vrije reis- en verblijfkosten en zoo noodig een kleine vergoeding. Den geheelen zomer van 1908 reisden de vrouwen door het geheele land om op vergaderingen door de politieke partijen uitgeschreven over vrouwenkiesrecht te spreken. Het gevolg was, dat in het najaar bij de Rijksdagverkiezing een groote meerderheid voorstanders voor vrouwenkiesrecht verkozen werd en dat de groote tegenstanders uit de oude Kamer overal verslagen werden, en reeds bij eerste stemming vielen.
In Maart 1909 werd eerst door een der liberale partijen en direct daaropvolgend door de sociaal-democratische Kamerclub een voorstel ten gunste van vrouwenkiesrecht ingediend, dat in het eind van April in behandeling werd genomen en direct, zonder een enkel woord van tegenspraak, met algemeene stemmen werd aangenomen. Ook de Koning had zich verklaard vóór aanneming. Doch de Eerste Kamer, nog uit de oude conservatieve leden bestaande, verwierp het.
Op 31 Dec. 1910 telde de Zweedsche Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht 174 afdeelingen, waaraan nog steeds nieuwe worden toegevoegd tengevolge van de groote uitbreiding der beweging door het kongres van den Wereldbond te Stockholm, dat in Juni gehouden is.
Op de jaarvergadering 10 Jan. 1910 te Jönköping gehouden, toonde de juriste Fru Anna Wicksell aan, dat de nieuwe belastingwet in de praktijk aan alle gehuwde vrouwen het kiesrecht toekende, als zij maar een eigen jaarlijksch inkomen van 10 Kr. (op sommige plaatsen slechts 1 Kr.) bezitten. De beide Kamers hebben die opvatting der wet bevestigd en verklaard, dat zij bij het aannemen der wet deze konsequentie ook bedoeld hadden. Nu de vrouwen dus het aktief en passief kiesrecht voor de gemeenteraden bezitten, hebben zij ook invloed op de samenstelling der Eerste Kamer, en dien zullen zij niet ongebruikt laten. Reeds in 1910 is daar het aantal voorstanders van het Vrouwenkiesrecht belangrijk toegenomen en als de geheele Eerste Kamer volgens de nieuwe kieswet (met evenredige vertegenwoordiging) zal zijn samengesteld, zal daar de taaie tegenstand tegen het burgerrecht der vrouw gebroken zijn.
Verleden jaar (1910) zijn er in 't geheel 37 vrouwen van verschillende partijen in de gemeenteraden gekozen, die daar haar ambt wel zoodanig zullen vervullen, dat de perzik naar meer zal smaken.
De belofte van een enquête omtrent het vrouwenkiesrecht in andere landen waarmede de regeering zich vooreerst van de zaak af hoopte te maken, moest intusschen vervuld worden, en in Maart 1911 verscheen een dik boek van prof. Reuterskiöld, dat een verzameling bevat van regeeringsvoorstellen en debatten vóór- en tegen het vrouwenkiesrecht in vele landen en een herdruk van de aan de Fransche Kamer door Buisson verstrekte gegevens, maar geen ander advies dan dit: "als de vrouwen zich tot een "machtsfaktor" hebben weten te verheffen, dan moet men haar het kiesrecht geven."
Na deze enquête kwam het Wereldbondkongres te Stockholm en nu is men midden in de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Zooveel is zeker, dat het in Zweden niet veel jaren meer duren zal, voor de vrouwen er de zoo nuttige medezeggenschap in het staatsbestuur bezitten.
IV. NOORWEGEN.
In Noorwegen bezitten de vrouwen het langst kiesrecht en verkiesbaarheid voor de Gemeenteraden, zoodat van daar reeds over de resultaten van haar zitting nemen in deze lichamen gesproken kan worden. Dat deze resultaten gunstig zijn, spreekt het meest hieruit, dat de Regeering in Noorwegen geen bezwaar heeft gezien in 1907 het kiesrecht en de verkiesbaarheid voor alle staatslichamen aan een groot deel der vrouwen te geven.
In 1885 werd in Christiania voor het eerst een locale vrouwenkiesrecht-vereeniging gesticht, die eerst 12 jaren daarna een Nationale vereeniging werd. Ondertusschen waren in 1886 reeds twee voorstellen omtrent Vrouwenkiesrecht in het Parlement behandeld en verworpen, terwijl in 1893 een dergelijk voorstel wel een meerderheid van 58 stemmen verwierf, doch niet de vereischte 2/3 meerderheid haalde.
In 1901, toen een voorstel door tien leden van de Storthing ingediend, om het gemeentekiesrecht voor mannen algemeen te maken, in behandeling kwam, zond de vrouwenkiesrechtvereeniging een verzoek in om dit recht tegelijkertijd aan de vrouwen te verleenen. 25 Mei 1901 werd dit verzoek ingewilligd, doch het gemeentelijk kiesrecht voor de vrouw werd alleen verleend aan belastingbetalende en met een belastingbetalend man gehuwde vrouwen, terwijl voor de mannen een algemeen kiesrecht gold. In 1902 hadden de gemeenteraadsverkiezingen onder de nieuwe wet voor het eerst plaats en de vrouwen beijverden zich om onder de beperkende bepalingen, waaronder zij alleen mochten kiezen, toch nog zooveel mogelijk vrouwen aan de verkiezingen te doen deelnemen en in de gemeenteraden verkozen te krijgen. In alle steden namen dooreengerekend 90% van de kiesgerechtigde vrouwen deel, in een enkele stad zelfs 100%. Op het platteland was de deelneming aanmerkelijk minder, dikwijls een gevolg van den grooten afstand der stembureaux. In het geheel werden 98 vrouwen in de verschillende gemeenteraden verkozen en bovendien nog 60 plaatsvervangende leden. Tegenover deze 98 vrouwen waren er 12330 mannen-raadsleden.
Wat hebben dit gering aantal vrouwen kunnen tot stand brengen, wat uitsluitend mag worden aangemerkt als een gevolg van haar optreden? Natuurlijk hebben zij met de mannen-leden voor vele verbeteringen samengewerkt, doch waar zij alleen op de bres stonden was het steeds om te zorgen voor de belangen van vrouwen, kinderen, armen en misdeelden. Uit de groote lijst stippen wij slechts enkele dingen aan. Zoo diende in Christiania Elisa Heyerdahl een voorstel in om pandjeshuishouders te verbieden goederen aan te nemen van kinderen beneden 15 jaren. Met de aanneming van dit voorstel werd een einde gemaakt aan het zenden van kinderen, soms nog onder de zes jaren, om goederen in beleening te geven, die maar al te dikwijls van diefstal afkomstig waren.
Een ander voorstel, dat ook aangenomen werd, beoogde om opkoopers en daarmede gelijkstaanden te verbieden met kinderen handel te drijven. Als onderwijzeres aan een armenschool wist voorstelster bij ondervinding, dat kinderen door zulke lieden tot diefstallen werden aangespoord, waarna zij hun de gestolen goederen voor eenige snoepcenten afkochten. Door hare heldere voordracht, met tal van voorbeelden aangevuld, smaakte zij de voldoening dat niet alleen in Christiania, doch na onderzoek in alle stedelijke gemeenteraden zulk een verbod werd ingevoerd. Ook wist zij er door te krijgen, dat aan kinderen beneden 15 jaren verboden werd te rooken en dat verkoop van tabak en sigaren aan zulke kinderen strafbaar werd gesteld.
In Drammen wisten de vrouwen-raadsleden o. a. een verbod uitgevaardigd te krijgen, waarbij verboden werd om meisjes beneden 18 jaar aan boord van schepen, die in de haven liggen, toe te laten om boodschappen te verrichten, waschgoed te brengen of iets dergelijks. Het was n.l. bekend dat zulke meisjes daar door werkgevers onder voorwendsels naar toe gestuurd en voor onzedelijke handelingen gebruikt werden. De vrouwen zorgden er ook voor, dat gelijktijdig een som op de begrooting werd uitgetrokken om een inspectrice aan te stellen, die aan de kaden met de zorg voor naleving dier verordening werd belast.
Ook zorgden zij er voor, dat er in Drammen van gemeentewege goede crêches werden tot stand gebracht, waar de moeders die uit werken gaan de kleine kinderen met gerustheid kunnen brengen. In alle ietwat grootere steden wisten de vrouwen er door te krijgen, dat een deskundig controleur werd aangesteld om toezicht te houden op den verkoop der voornaamste voedingsmiddelen, melk, vleesch, visch, brood enz. In weerwil van de bewering der Gezondheidscommissie, dat zulk een toezicht onnoodig was, een bewering die zij in een breedvoerig prae-advies bij den Raad indienden, wisten de vrouwen, sterk door eigen ondervinding, toch het pleit te winnen en kwam de aangestelde controleur weldra tot de afschuwelijkste ontdekkingen.
Het is niet mogelijk in een kort bestek alle maatregelen op te sommen, die op initiatief der vrouwen-raadsleden werden genomen. Deze enkele mogen tot bewijs dienen in welke richting zij in de gemeenteraden werken en dat ook in Noorwegen de samenwerking van man en vrouw in de stadsregeering geen nadeel, doch alleen voordeel kan opleveren. Dat de mannen in Noorwegen dit beseffen, blijkt uit de woorden, waarmede de Burgemeester van Christiania een deputatie Engelsche gemeenteraadsleden toesprak, bij hun bezoek aan Noorwegen. Hij zeide o. a.: "De Noorsche Regeering heeft twee en een half jaar geleden den vrouwen kiesrecht en verkiesbaarheid verleend voor de gemeenteraden. Zij was daarmede de eerste in Europa. Ik kan u verzekeren, en dit is het éénstemmig oordeel van al mijne ambtgenooten, dat wij niets dan lof kunnen uitspreken voor de belangstelling, die de vrouwen voor de gemeentebelangen aan den dag leggen en de verstandige wijze waarop zij aan ons werk deelnemen. Ik neem daarom de vrijheid onze gasten opmerkzaam te maken op het nut, dat er voor de gemeenten in gelegen is, wanneer vrouwen zitting hebben in den Raad en ik spreek den wensch uit, dat uw bezoek aan Noorwegen tengevolge moge hebben, dat ook in Engeland de vrouwen binnenkort lid van de Gemeenteraden zullen worden". (In Engeland verkregen de vrouwen dit recht een jaar daarna).
Een onmiddellijk gevolg van het werk der vrouwen in de Noorweegsche Gemeenteraden was hare benoembaar-verklaring tot leden van de jury. Hoe zij daar de haar opgelegde taak volbrengen, blijkt uit hetgeen een radicaal blad onlangs in een leadingartikel schreef. "De groote waarde en beteekenis van het feit, dat vrouwen als Gezworenen worden toegelaten, treedt het meest naar voren in onaangename en pijnlijke aangelegenheden. In alle gevallen, waarin moeilijkheden tusschen man en vrouw gerezen zijn, heeft het vrouwelijk inzicht, de vrouwelijke rechtvaardigheidszin, er toe geleid, dat er een hoogst verstandig, uiterst rechtvaardig vonnis over schuld en onschuld kon worden uitgesproken."
Sedert 1902 hebben twee nieuwe gemeenteraadsverkiezingen plaats gehad en is het aantal vrouwelijke gemeenteraadsleden en juryleden telkens toegenomen.
In 1907 werden 11.134 mannen en 224 vrouwen tot raadsleden gekozen en in 1910 11.716 mannen en 379 vrouwen. Het aantal kiesdistrikten, waar geen vrouwen hebben deelgenomen aan de stemming was in 1907 nog 186, in 1910 nog maar 55.
Dat onder deze omstandigheden de vrouwen in Noorwegen 14 Juni 1907 ook het kiesrecht en de verkiesbaarheid voor het Parlement kregen is te begrijpen. De Nationale vereeniging voor Vrouwenkiesrecht had in 1906 een voorstel ingediend om aan vrouwen op dezelfde voorwaarden als aan mannen ook de politieke rechten te verleenen en terzelfdertijd zond eene andere vrouwenvereeniging een verzoek in, om den vrouwen het politieke kiesrecht te verleenen op dezelfde voorwaarden als waarop zij het kiesrecht voor de Gemeenteraden bezitten.
Beide voorstellen werden door verschillende politieke partijen gesteund. Den grootsten steun ondervonden de vrouwen echter van Prof. Stang, den leider der conservatieve partij in Noorwegen. Hij hielp de vrouwen in elk opzicht met raad en daad en toen het eerste voorstel "gelijke politieke rechten voor man en vrouw" (de mannen bezitten sedert 1898 algemeen kiesrecht in Noorwegen), met 43 tegen 73 stemmen viel, was het zijn gloedvolle rede, die vele wankelmoedige tegenstemmers van hunne dwaling overtuigde, zoodat het tweede voorstel "vrouwenkiesrecht op de voorwaarden, waarop zij ook het gemeentekiesrecht uitoefenen" met 96 stemmen voor en 25 tegen werd aangenomen.
Door dit besluit zijn nu ongeveer 300.000 Noorsche vrouwen politiek ontvoogd, terwijl er nog ongeveer 200.000 het kiesrecht missen. De vrouwen geven echter den strijd niet op, alvorens er in Noorwegen, evenals in Finland, gelijke politieke rechten voor mannen en vrouwen verkregen zijn.
Dat de Noorweegsche Regeering overtuigd is met deze daad goed werk te hebben verricht lijdt geen twijfel. Op verzoek zond zij officieele Regeeringsvertegenwoordigsters naar de Congressen van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht te Amsterdam, Londen en Stockholm om daar namens de Regeering te spreken.
In de verkiezingen voor het Storting in 1909 hebben van de 779.847 kiesgerechtigden 490.246 mannen en 162.928 vrouwen hun stem uitgebracht. Er zijn geen vrouwen verkozen, alleen is Mej. Anna Rogstad tot Plaatsvervangend Afgevaardigde gekozen, in welke hoedanigheid zij dezen zomer veertien dagen zitting gehad heeft. Door kollega's en publiek is zij zeer welwillend ontvangen, maar het trekken van besluiten omtrent de vrouwen in parlementen is door haar korte zittingstijd en haar stemmen vóór de oorlogsbegrooting zooals haar partij dat meebracht, volstrekt niet gewettigd.
Toen het ministerie Knudsen wegens de wet op de watervallen plaats moest maken voor het ministerie Konow, meende men, dat er vooreerst geen verdere uitbreiding voor het vrouwenkiesrecht te wachten was. Toch kwam in Mei 1910 het gemeentekiesrecht voor alle vrouwen tot stand, en dat feit gepaard met de schitterende ontvangst, die de Presidente van den Wereldbond te Kristiania vond, deed de vrouwen een beter uitslag hopen, dan zij 10 Aug. 1911 kregen. Met 47 stemmen vóór en 73 tegen viel toen het voorstel om alle volwassen vrouwen stem te geven voor de parlementsverkiezingen zoo goed als zij die hebben voor gemeenteverkiezingen.
Intusschen begrijpt men wel, dat het niet lang kan duren voor in Noorwegen de politieke gelijkstelling van mannen en vrouwen zal zijn ingevoerd.
V. DENEMARKEN.
Denemarken, het dichtst bij ons liggende land, waarvan de bevolking in geaardheid ook het meest met de onze overeenkomt, is het laatst en het achterlijkst der Scandinavische landen in het verleenen van kiesrecht aan de vrouw.
In 1888 begonnen de vrouwen daar het eerst te werken voor kiesrecht, doch eerst in 1899 konden zij voor dat doel een organisatie tot stand brengen, die echter uitsluitend voor kiesrecht en verkiesbaarheid voor de gemeenteraden werkte. Eerst in 1904, na de totstandkoming van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, zagen de Deensche vrouwen in, dat zij de eischen wat verder moesten uitstrekken. Zij togen met moed en ijver aan den arbeid en noodigden den Wereldbond uit, zijn eerste groote Congres in 1906 in Kopenhagen te komen houden om de vrouwen wakker te schudden en hen te bewegen tot het groote doel "politieke gelijkstelling van man en vrouw" mede te werken.
Het congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht werd in Augustus 1906 te Kopenhagen gehouden en het heeft voor Denemarken in het algemeen en voor de Deensche vrouwen in het bijzonder, meer gedaan dan men er van verwacht had. Niet alleen toch schudde het de vrouwen wakker, maar het overtuigde ook vele mannen benevens de Deensche pers, dat het streven der vrouwen, om directen invloed te verkrijgen in alle staatslichamen, het geheele land zal ten goede komen.
Herhaaldelijk werden op dat Congres bekende politieke figuren gezien, die de besprekingen volgden en door het gehoorde, onvervalschte voorstanders van invoering van vrouwenkiesrecht werden. De pers, die aanvankelijk de Congressisten met spotbladen ontvangen had, veranderde gaandeweg van toon en eindigde met zich unaniem te verklaren vóór deze hervorming.
Met dezen ondergrond was het gemakkelijk in den winter 1907/08, toen een voorstel tot invoering van vrouwenkiesrecht en verkiesbaarheid voor gemeenteraden het Lagerhuis bereikte, er een meerderheid voor te winnen. De geheele pers hielp daartoe krachtig mede. In Maart 1907 werd dit voorstel in behandeling genomen en zoowel in het Folketing (Tweede Kamer) als in het Landsting werd het aangenomen en 20 April 1908 tot wet verheven.
In Maart 1909 namen de vrouwen voor het eerst in Denemarken actief aan de gemeenteraadsverkiezingen deel. Haar stemrecht is aan een census gebonden. Slechts 62% vrouwen zijn stemgerechtigd, terwijl 75% der mannen dit recht bezitten. In aanmerking genomen dat de vrouwen van Denemarken nog maar kort geleden begonnen zich te organiseeren en voor politieke rechten te strijden, kan de deelneming der vrouwen aan deze verkiezingen alleszins bevredigend geacht worden. In de steden namen ongeveer 70% der kiesgerechtigde vrouwen aan de verkiezingen deel, op het platteland veel minder, zoodat de deelneming over het geheele land tot 50% moet worden teruggebracht.
In het geheel werden er in 85 van de 1206 gemeenten vrouwen in de gemeenteraden gekozen, ten getale van 127. Van deze vrouwen-gemeenteraadsleden zijn 84 gehuwd, 5 weduwen en 38 ongehuwd.
In Kopenhagen werden 7 vrouwen verkozen, die 1 April 1909 voor het eerst in den Raad zitting namen. Bij de opening der Vergadering werden zij door den Voorzitter begroet met de volgende woorden: "Het is een historische gebeurtenis, het is een revolutie, op de meest vredelievende wijze tot stand gebracht, dat vrouwen zitting nemen in deze Raadzaal, daartoe gekozen door mannen en vrouwen van eigen richting. De ijverige deelneming der vrouwen aan de verkiezingen en het feit, dat zij zich onmiddellijk volgens hare politieke overtuiging bij de partijen indeelden, is een bewijs dat zij rijp zijn voor het haar geschonken recht ..... in elk geval rijper dan de mannen in Denemarken ten allen tijden waren, op het oogenblik, dat zij voor het eerst aan de verkiezingen deelnamen en verkiesbaar werden gesteld. Ik ben nooit bang geweest, dat de deelneming der vrouwen aan de regeering van Stad of Land, den vooruitgang een halve eeuw lang zou tegenhouden, zooals er in 's Lands vergaderzaal tegen aangevoerd werd. Het zal integendeel spoedig blijken, dat een steeds toenemende vooruitgang in naastenliefde, in waar liberalisme, en die soort menschenliefde, welke zijn wortel vindt in het moederlijk gevoel, er het gevolg van zullen zijn. Het is mijn diepgevoelde, waarachtige meening, dat de goede wijze waarop de vrouwen hier en in het geheele land aan de verkiezingen hebben deelgenomen, den krachtigsten stoot zal blijken te geven aan een spoedige geheele politieke gelijkstelling van mannen en vrouwen.
Welkom in deze Raadzaal! Moge de nieuwe Raad nu in samenwerking van mannen en vrouwen de welvaart van onze schoone stad sneller en beter weten te bevorderen dan tot heden het geval was".
De 127 vrouwelijke gemeenteraadsleden kwijten zich zeer goed van haar taak. Zij zitten in menige kommissie voor ziekenverpleging, kinderverzorging, armenzorg, schoolcommissies enz. Vaak wordt in zulke kommissies ook door een vrouw het voorzitterschap waargenomen. Men verwacht, dat bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen in 1913 nog veel meer vrouwen zullen verkozen worden.
De invoering van het kiesrecht der vrouwen voor het parlement, Folketing en Landsting, vindt bijval in alle partijen. Zij is slechts afgestuit op de samenkoppeling van deze hervorming met de verlaging van den kiezersleeftijd, het toelaten van huisbedienden tot de stembus en verandering der kiesdistrikten. Bovendien is het recht van de kroon tot benoeming van 12 onafzetbare Kamerleden een technisch bezwaar tegen grondwetsherziening.
Hoe lang nog? Dat is juist in Denemarken al bizonder moeilijk te voorspellen. De beide nationale vereenigingen voor vrouwenkiesrecht met elk ongeveer 11.000 leden laten niets onbeproefd om den voortgang der zaak te bespoedigen.
Zou het voorbeeld van de vier Scandinavische landen in ons land niet spoedig navolging verdienen?
Dr. Aletta H. Jacobs.