Chapter 6
De politieke partijen welke vóór de invoering van vrouwenkiesrecht zijn, denken zich deze oplossing verschillend, zonder daarom nog zelf een vast omlijnd, uitvoerbaar plan te hebben gevonden. Twee partijen, de sociaal-democraten en de vrijzinnig-democraten hebben de invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen op hun programma. De Unie-liberalen willen als einddoel wel het algemeen vrouwenkiesrecht, doch wenschen te beginnen met een beperkte invoering, mits deze niet on-democratisch zij, terwijl de vrij-liberalen als partij tevreden zijn met een beperkt vrouwenkiesrecht. Voor de vrijzinnigen, die nog niet terstond tot algemeen vrouwenkiesrecht wenschen over te gaan, schijnt _deze_ overweging vooral te gelden, dat ook het kiesrecht voor de mannen trapsgewijs is uitgebreid; het zou dus een verbreken zijn van de historische lijn, zoo men ten opzichte van de vrouwen anders handelde. Men zou echter de vraag kunnen stellen of die historische lijn hier wel zooveel gewicht in de schaal mag leggen, omdat de toestanden niet gelijk zijn. Het mannenkiesrecht is telkens uitgebreid, wanneer aan die uitbreiding behoefte bestond, en naarmate de denkbeelden omtrent regeermacht en wetgeving steeds verder voortschreden in democratische richting. Waar men in het bezit van het stembiljet ziet een verdedigingsmiddel om zich het recht op arbeiden, op een behoorlijk loon, kortom, om zich invloed op de regeering te verzekeren, en het thans aan alle arbeiders wil geven, omdat deze er behoefte aan hebben, omdat deze klasse van de maatschappij zich zonder het kiesrecht niet op voldoende wijze kan ontwikkelen op economisch gebied, daar kan men niet meer willekeurig een deel van de vrouwen van dat recht uitsluiten; immers, zij eischen op dezelfde gronden als de arbeiders dat recht op, en kunnen het evenmin als deze langer ontberen. De historische lijn heeft daar niets mee te maken, omdat de vrouwen op het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke ontwikkeling, de evolutie die tot de tegenwoordige toestanden heeft geleid, reeds met de mannen hebben meegemaakt.
De eisch van de vrouwen luidt dan ook: geen sekseverschil bij de stembus; wie de vorige hoofdstukken met aandacht heeft gevolgd, zal begrijpen, dat deze eisch niet anders luiden kàn. Wordt dus bij de eerstvolgende grondwetsherziening algemeen mannenkiesrecht ingevoerd, dan zullen de vrouwen niet tevreden kunnen zijn, zoolang ook niet aan haar datzelfde recht wordt toegekend.
Iets anders is het evenwel, òf, wanneer om practische redenen begonnen werd met aan een gedeelte der vrouwen het kiesrecht te geven, dit ook door haar zou worden aanvaard. Hierop moet het antwoord luiden: zeer zeker. De vrouwen en óók de democratisch-gezinde mannen die voor het _algemeen_ vrouwenkiesrecht strijden, zouden goed doen desnoods aanvankelijk een beperkt kiesrecht te aanvaarden, zonder àl te groote ongerustheid; want men zou dan gemeenschappelijk kunnen werken aan de uitbreiding van het eenmaal verkregen recht. Hier kan Noorwegen ten voorbeeld strekken. In 1907 werd daar voor de vrouwen ingevoerd een census-kiesrecht, dus zeer ondemocratisch; thans, slechts 6 jaren later is in dat land door samenwerking van mannen en vrouwen uit alle politieke partijen het algemeen kiesrecht voor de vrouwen verkregen.
Hiermede zijn wij aan het eind gekomen van de bespreking en weerlegging der bezwaren die tegen de invoering van vrouwenkiesrecht het meest gehoord worden.
Moge het ons gelukt zijn die bezwaren te ontzenuwen, zoodat in ons land deze oude bedenkingen niet meer gehoord zullen worden en tegenstanders van de invoering van vrouwenkiesrecht met nieuwe, frissche argumenten komen aandragen, zoo die er mochten te vinden zijn.
HOOFDSTUK VI.
VROUWENKIESRECHT IN VERSCHILLENDE LANDEN.
Wat zijn de gevolgen geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht in die landen, waar men den moed heeft gehad te breken met oude gewoonten en de opbouwing en instandhouding van den Staat, evenals die van het gezin, aan mannen en vrouwen gezamenlijk durfde toe te vertrouwen? Heeft het daar de ellende gebracht, die tegenstanders er van verwacht hebben; is het gezinsleven er door ondermijnd; zijn de huishoudingen er door verwaarloosd; heeft het ongenoegen tusschen man en vrouw veroorzaakt; werd de parlementaire arbeid er door op een lager peil gebracht? Of wel, heeft het al de zegeningen gebracht die de vrouwen er van verwacht hebben?
Op deze en soortgelijke vragen kan nu een antwoord gegeven worden, omdat wij op dit oogenblik reeds kunnen nagaan hoe de invoering van vrouwenkiesrecht werkt in geheel Australië, in 9 Staten van Noord-Amerika en in Alaska, in Finland en Noorwegen, alwaar overal algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen bestaat voor alle wetgevende en wetuitvoerende lichamen, terwijl in tal van andere landen en staten de vrouwen thans kiesrecht en verkiesbaarheid bezitten voor een deel dezer lichamen. In rapporten, die alle twee jaar, door de vrouwen aller landen, op de congressen van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht worden uitgebracht, in het boek "Vrouwenkiesrecht in de praktijk," door den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht dit jaar uitgegeven, in de openbaar gemaakte uitingen van regeeringspersonen en mannen van naam en beteekenis uit de landen waar vrouwenkiesrecht bestaat en in de gepubliceerde feiten, vinden wij genoeg gegevens om de bovenstaande vragen te kunnen beantwoorden. Wij behoeven gelukkig niet meer te vreezen, dat met de invoering van vrouwenkiesrecht een sprong in het duister wordt gedaan, wij behoeven niet meer angstvallig te vragen "wat zal het vrouwenkiesrecht ons brengen," wij kunnen nu nagaan "wat _heeft_ het vrouwenkiesrecht gebracht in de landen waar het is ingevoerd."
Wel is waar kunnen wij uit de tot stand gekomen wetten in de landen waar de vrouwen aan de wetgeving deelnemen, niet altijd besluiten, dat zij een gevolg zijn van den arbeid der vrouwen, omdat mannen en vrouwen beide aan de tot standkoming dier wetten hebben medegewerkt; maar bij vergelijking met wat in andere landen onder dezelfde omstandigheden tot wet werd verheven, uit de geuite wenschen der vrouwen omtrent wetswijziging en uit de punten, die zij op de politieke partijprogramma's hebben gebracht, is toch de invloed op de wetgeving van de vrouwen, die over een stembiljet beschikken, duidelijk genoeg na te gaan.
Laat mij beginnen met datgene te vermelden, waardoor de mannen hunne meening omtrent de werking van vrouwenkiesrecht openlijk te kennen gaven in die landen, waar de vrouwen reeds verschillende jaren het kiesbiljet gebruiken. En dan moet bovenaan vermeld worden de daad door het Parlement van de Vereenigde Staten van Australië verricht.
Op 17 November 1910 diende Senator Rea de volgende motie in dat Parlement in: "Dat dit Parlement van meening is, dat het toekennen van kiesrecht voor parlement en gemeenteraden aan de vrouwen van Australië, de meest gunstige gevolgen heeft gehad. Dat het de rust en orde op verkiezingsdagen zeer heeft bevorderd; dat het aantal stemmen door vrouwen uitgebracht bij de laatst gehouden verkiezing voor leden van het parlement percentsgewijs hooger was dan dat der mannen.
"Dat het vrouwenkiesrecht de wetgeving ten behoeve van vrouwen en kinderen meer op den voorgrond heeft gebracht, doch dat daaruit niet de gevolgtrekking mag getrokken worden, dat de vrouwen alleen aandacht wijden aan deze zaken. Dat vrouwen in zaken, de landsverdediging en de imperialistische politiek betreffende, even ruim denken als de mannen.
"Dat deze hervorming het land niets dan goeds heeft gebracht, terwijl er zoovele slechte gevolgen van voorspeld waren en dat daarom bij alle andere natiën, die een constitutioneelen regeeringsvorm bezitten, er eerbiedig op wordt aangedrongen den vrouwen het stemrecht te verleenen."
Verder werd er voorgesteld dat een afschrift van deze motie gezonden zou worden naar den Eersten Minister van Engeland, om zoodoende het Moederland in deze gewichtige zaak van advies te dienen.
In zijne toelichting zeide Senator Rea o. a. "dat nu de tijd voorbij is, dat een vooruitstrevende natie kan volhouden, dat de vrouwen minderwaardiger dan de mannen zijn." Op het argument "dat het Australische parlement zich niet het recht mocht aanmatigen het Moederland raad te geven," antwoordde hij "dat de Regeering van Australië niet geaarzeld had zijn oordeel uit te spreken over het Doggersbank-incident, over den Russisch-Japanschen oorlog, over Home-rule voor Ierland en dat z.i. het vrouwenkiesrecht een even gewichtig, zoo niet gewichtiger vraagstuk was, dan de genoemden. Door de invoering van vrouwenkiesrecht wordt de weg tot vele sociale en economische verbeteringen gebaand."
De tegenstanders van de motie gaven toe, dat door de invoering van vrouwenkiesrecht veel goeds was tot stand gekomen, maar zij vonden dit geen reden om het Moederland van ongevraagd advies te dienen. De voorstanders waren evenwel van oordeel, dat in zulk een gewichtige zaak de verkregen ervaring wel degelijk het geven van raad gebiedend voorschreef. Ten slotte werd de motie met eene groote meerderheid van stemmen aangenomen, terwijl de enkele tegenstemmers er prijs op stelden, dat uitdrukkelijk werd vermeld, dat zij wel vóór de gunstige resultaten van vrouwenkiesrecht gestemd hadden, doch er alleen tegen waren, dat de gehouden bespreking aan de Engelsche regeering werd medegedeeld.
De geheele motie met uitgebreide toelichting, werd toen aan Minister Asquith getelegrapheerd, en door de pers openbaar gemaakt.
Een ander feit waarop wij kunnen wijzen, en dat niet minder getuigt van de gunstige werking van vrouwenkiesrecht is: "dat in de Vereenigde Staten van Amerika de Gouverneurs van die Staten, waar de vrouwen het kiesrecht hebben, zich hebben vereenigd om de Gouverneurs van andere Staten tot voorlichting te dienen, wanneer dit gewichtig vraagstuk ook bij hen om oplossing vraagt." Van deze samenwerking der Gouverneurs hebben de vrouwen reeds veel goeds ondervonden. Sedert kan geen courant in Amerika meer onware berichten verspreiden omtrent de werking van vrouwenkiesrecht, omdat dan onmiddellijk de Gouverneur van dien Staat daarmede in kennis wordt gesteld en daardoor in staat is met ware gegevens de onware berichten te logenstraffen.
En getuigt het niet ook van de goede werking van het vrouwenkiesrecht in Noorwegen, dat de Regeering bij elk Congres, waarop dit vraagstuk ter sprake komt, een of twee Regeeringsafgevaardigden zendt, die op kosten van de regeering reizen en die komen met een opdracht van de regeering om de ingenomenheid met de resultaten van vrouwenkiesrecht aan de wereld kenbaar te maken? Maar sterker spreekt die ingenomenheid met de resultaten, nu de regeering van Noorwegen in eene vergadering in Juni l.l. met algemeene stemmen het besluit nam om de vrouwen, die tot dien tijd nog slechts een beperkt kiesrecht voor het Parlement bezaten, het volledig kiesrecht toe te kennen, toen een daartoe strekkend voorstel, uitgaande van leden uit alle politieke partijen, bij de regeering inkwam.
En in Finland? Meer dan boekdeelen vol theoretische beschouwingen over het nut van vrouwenkiesrecht, zeggen de uitspraken van de meest invloedrijke mannen uit Finland, die in de gelegenheid waren de werkzaamheden van de vrouwen in het Finsche parlement van nabij gade te slaan. Zij werden in brochurevorm op het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht den afgevaardigden ter hand gesteld.
De voornaamsten zullen wij hier vertaald wedergeven.
Senator Mechelin, de man die in 1906 het vrouwenkiesrecht voor Finland invoerde, na het eerst tegenover den Czaar van Rusland verdedigd te hebben, werd in 1839 geboren. Van 1874 tot 1882 was hij Professor in het Staatsrecht en Finantiewezen aan de Hoogeschool te Helsingfors. Daarna ging hij in het politieke leven over en werd weldra de leider van zijne politieke partijgenooten. Als zoodanig is hij nog werkzaam. Hij schrijft: "Daar de vrouwelijke afgevaardigden in den Landdag geen afzonderlijke afdeeling vormen, maar in de verschillende afdeelingen met de mannen samenwerken, daarom kunnen wij over hen geen collectief oordeel uitspreken. De grootste arbeid wordt in onzen Landdag, even als in alle parlementen het geval is, in de commissies en afdeelingen verricht. In alle commissies, waar de vrouwen tot leden benoemd werden, hebben zij hare plaats op bevredigende wijze ingenomen. Vooral was dit het geval in de Commissies voor de financiën, de sociale hervormingen en voor de landbouwafdeeling. In de openbare vergaderingen hebben niet alle vrouwenleden het woord gevoerd, maar dit geldt toch ook voor vele mannen-leden, maar zij die aan de openbare beraadslagingen deelnamen, deden dat met niet minder welsprekendheid dan de mannen en toonden over dezelfde zaakkennis te beschikken als hunne mannelijke collega's. Zoowel de uitingen der vrouwelijke afgevaardigden, als ook de wetsvoorstellen die op haar initiatief werden ingediend, bewijzen dat de vrouwen ten opzichte van het algemeene welzijn aan de Volksvertegenwoordiging nieuwe krachten hebben toegevoerd en dat zonder haar medewerking vele vraagstukken door de mannen niet naar behooren overwogen zouden zijn geworden.
Onder de hervormingen, die door de vrouwen in den Landdag tot stand zijn gekomen, moeten de volgende in de eerste plaats genoemd worden: "hervorming van het huwelijksgoederenrecht, verbetering van de rechtspositie van het onechtelijk geboren kind, moederschapsverzekering, invoering van vrouwelijke inspectrices van gezondheid, regeeringsbijstand aan vereenigingen die werken tot verbetering der zeden, uitbreiding van den arbeid der vrouw in staatsdienst etc.
De genoemde voorbeelden toonen aan, dat de vrouwen zich bij voorkeur bewegen in de sfeer, waarin de vrouw dieper inzicht heeft dan de man. Dat noem ik geen feminisme, want de voorgeslagen maatregelen waren steeds ten algemeenen nutte. In politieke vraagstukken, welke tot partij-strijd aanleiding geven, heeft zich nooit eene afzonderlijke vrouwenmeening doen gelden. In het partijleven staan de mannen en vrouwen bij ons solidair.
De vrouwelijke en mannelijke afgevaardigden werken als goede kameraden samen, nooit is het voorgekomen dat een vrouwelijke afgevaardigde over gebrek aan beleefdheid van hare mannelijke collega te klagen heeft gehad. Op de verhouding in het gezin en in het sociale leven heeft de politieke ontvoogding der vrouw geen ongunstigen invloed gehad, veeleer is het tegendeel waar. Het ligt toch in den aard van de zaak dat gelijkstelling, eenen gunstigen en veredelenden invloed op de menschen tegenover elkander uitoefenen moet. _En dat de uitoefening van het kiesrecht op het gezinsleven en op de plichtsvervulling der vrouw als moeder ongunstig zou werken, is een hersenschim van zwakke mannen, die vreezen hunne traditioneele autoriteit te verliezen._ [3]
Wij in Finland hebben geen reden over de invoering van vrouwenkiesrecht te klagen. In de moeilijke tijden, waarin door het telkens ingrijpen der Russische regeering onze zelfstandigheid wordt bedreigd en het werk van den Landdag wordt verlamd is eene verheffing en versterking van het solidariteitsgevoel der geheele natie, waartoe de politieke gelijkstelling van man en vrouw heeft bijgedragen, niet hoog genoeg te waardeeren!"
w.g. L. Mechelin.
Helsingfors, 18 Jan. 1913.
Theodolf Rein, vroeger Professor in de Philosophie aan de Universiteit te Helsingfors, later lid van den Landdag en thans wethouder van de stad Helsingfors, schrijft: "Sedert de invoering van vrouwenkiesrecht in 1906 is er tijd genoeg verloopen om een op ervaring gegrond oordeel over de werking er van te kunnen uitspreken. Ik koester de overtuiging, die ook wel de gangbare in heel Finland is, dat deze hervorming, welke mondige medeburgers van beiderlei geslacht gelijke politieke rechten verleende, het land geen schade gebracht heeft, al is ook het positieve nut voor de geheele gemeenschap niet altijd duidelijk aantoonbaar. Dit laatste voor een deel het gevolg van de ongunstige politieke verhoudingen waarin wij leven. De vrees, dat de deelneming aan het politieke leven de vrouw minder geschikt zou maken voor haar werkkring als vrouw en moeder, is bij ons niet bewaarheid geworden. Inderdaad is het toch slechts een gering aantal dat een werkzaam aandeel neemt aan het politieke leven en van deze zijn de meesten ongehuwd of bezitten geen kinderen. De meeste vrouwen nemen aan het politieke leven slechts bij de verkiezingen deel, door eens in de drie jaar haar stembiljet in de bus te werpen. Daardoor wordt niet zooveel tijd in beslag genomen, dat er een of andere plicht door verzuimd moet worden. Het is toch ook niet aan te nemen dat deelneming aan de verkiezingen de belangstelling in eigen private aangelegenheden zou verzwakken. Dat vrouwen trachten zich de noodige kennis te verschaffen tot eene goede uitoefening van hare nieuwe rechten, kan toch niet anders dan gunstig werken. Daardoor is bij de vrouwen een grooter belangstelling gewekt voor het algemeene welzijn, is haar algemeene kennis verrijkt en grooter verantwoordelijkheidsgevoel ontstaan voor maatschappelijke toestanden. Vrouwen die kinderen op te voeden hebben, zijn daardoor beter in staat de opgroeiende jeugd liefde voor land en volk in te prenten en het plichtsgevoel als burgers bij te brengen. Doch ook voor de verhouding in het huwelijk is de vergrooting van den gezichtskring der vrouw een winst geweest.
Vrouwelijke afgevaardigden zijn nog niet talrijk, maar velen hebben zich reeds door verstand en zakenkennis een grooten naam gemaakt. Dooreen genomen hebben de vrouwen-afgevaardigden zich in den Landdag niet zooveel doen hooren als de mannelijke collega's, doch hieruit mag niet geconcludeerd worden dat zij minder goed werk hebben geleverd. Sedert 1905 tot 1912 hebben de vrouwen, eensdeels gezamenlijk, anderdeels met mannen, moties en wetsvoorstellen ingediend, die van groote algemeene beteekenis zijn, ook al hebben zij de belangen der vrouwen in de eerste plaats op het oog gehad. Daaronder zijn: Verhooging van den verantwoordelijkheidsleeftijd der meisjes, veranderingen in het huwelijksgoederenrecht, afschaffing van de voogdij van den gehuwden man over zijne vrouw, moederschapsverzekering, verbetering van den rechtstoestand van het onechtelijk geboren kind, vergrooting van den werkkring der vrouw in staatsdienst, oprichting van staats-huishoudscholen, maatregelen tegen drankmisbruik, verbeteringen in het gevangeniswezen, invoering van vrouwelijke inspectrices voor het gezondheidswezen enz. Daarbij komen nog wetsontwerpen op het gebied van communaal recht, van algemeenen leerplicht, van uitbreiding van het spoorwegnet, van verbetering der rechtspositie der Joden enz. Een deel dezer wetsontwerpen zijn reeds aangenomen, een ander deel is nog in behandeling.
De deelneming der vrouwen aan het politieke leven heeft den politieken partijstrijd niet verscherpt, veeleer getemperd. De vrouwen hebben geen eigen politieke partij gevormd, doch zijn tot de bestaande politieke partijen toegetreden. Daardoor zijn de verhoudingen der verschillende partijen vrijwel gelijk gebleven en is in geen partij eene verandering ten goeden of ten kwaden ontstaan.
Ten slotte staat thans de vrouw ten opzichte van de groote levensvraag van ons land aan de zijde van den man met een helderder bewustzijn en vaster besluit om gezamenlijk met hem het goed recht van het land te verdedigen dan zij dat in haar vroeger rechtlooze positie heeft kunnen doen."
w. g. Th. Rein 18/1, 1913.
Op nagenoeg dezelfde gronden verklaarden nog de volgende mannen van beteekenis in Finland zich ingenomen met het bestaande vrouwenkiesrecht in hun land en alleen daar, waar zij iets aan het voorgaande hebben toe te voegen, zal ik hen citeeren. 1º Rechter P. E. Svinhufvud, 2º Doctor en Lid van den Landdag A. Neovius, een bekend uitgever, die o. m. zegt: "dat het gemiddelde niveau van het intellect der vrouwen-kiezers nergens lager, veeleer hooger staat dan dat der mannen. En in den Landdag staan de vrouwen in bekwaamheid niet achter bij de mannen," 3º Jonkheer V. A. von Born, groot-grondbezitter en politicus. 4º Ernst Estlander, professor in de geschiedenis van het Recht aan de Universiteit van Helsingfors en lid van den Landdag. Hij zegt o. a. "De medewerking der vrouwen aan het werk in den Landdag heeft nooit moeilijkheden opgeleverd, maar wel heeft het in de Volksvertegenwoordiging nieuwe ervaring en andere zaakkennis aan het licht gebracht op sociaal en humanitair gebied." 5º Ook Professor Wrede spreekt zich ongeveer in den geest van den te voren genoemde uit. 6º Jonkheer Palmen, ook een professor en afgevaardigde in den Landdag schrijft o. a. "Voor het overige hangt toch de bekwaamheid van den persoon van den afgevaardigde af. Enkele vrouwelijke afgevaardigden hebben zich ontegenzeggelijk, hoe onervaren zij ook in het politieke leven traden, als zulke bekwame personen doen kennen, dat zij boven hunne mannelijke collega's uitsteken, even als voor een halve eeuw de eerste vrouwelijke studenten aan onze Universiteiten zich wisten te verheffen boven het gemiddelde niveau hunner mannelijke medestudenten." 7º Dr. Axel Lille, hoofdredacteur van het politieke Dagblad "Nya Pressen". 8º Rector V. T. Rosenqvist, aan het hoofd van het Staatsgymnasium voor jongens. 9º Professor C. G. Swan, uitgever van een ander politiek blad. 10º Professor Ossian Asschan en anderen laten zich allen in ongeveer dezelfde termen uit. De laatste eindigt zijn lang artikel met de volgende ontboezemingen: "Onze moeders, vrouwen en zusters hebben op grond van ervaring het volle recht zich als rijp te beschouwen voor de uitoefening van politieke rechten. Dit geldt zoowel voor de vrouwen uit de hoogere standen als voor die uit het volk. Alle in het buitenland rondgestrooide geruchten, dat de politieke ontvoogding der vrouwen haar onbekwaam heeft gemaakt voor de uitoefening van hare huismoederlijke plichten, berust op slechte voorlichting of opzettelijk valsche voorstelling der feiten."
Alvorens van Finland af te stappen is het goed ook nog even een der vrouwen van dit land, welke daar een invloedrijke positie inneemt en ook in ons land bekend is, aan het woord te laten. Het is Vera Hjelt, de bekende fabrieksinspectrice, die van den wetgevenden arbeid der vrouwen in Finland, gedurende de jaren 1907-1911, een uittreksel heeft gemaakt en dit werk, ten behoeve van de vrouwen in andere landen, gepubliceerd heeft. Zij geeft een volledige reeks van alle wetsvoorstellen door de vrouwen in die jaren ingediend, een reeks die meer dan dubbel zoo groot is dan die door de heeren Mechelin en Rein opgesomd. Ik zal er alleen van noemen die hier nog niet bij de namen der genoemde heeren voorkomen. Zij zijn: moeders en vaders gelijk recht te geven over hare kinderen; de oprichting van te-huizen voor verlaten moeders en kinderen; verhoogde strafbaarheid voor prostitutie en verminderde strafbaarheid voor kindermoord; uitbreiding van de wetten tot bescherming van kinderen; de verplichting van elken gemeenteraad te zorgen dat er in elk dorp goede vroedvrouwen zijn: een goede dienstbodenwet; hervorming van het gevangeniswezen, met de verplichting dat elke gevangene een vak moet leeren; tusschenkomst van de plaatselijke autoriteiten bij moeilijkheden tusschen werklieden en werkgevers; oprichting van bureaux voor sociale adviezen; leerplicht; verbod van verkoop van alkohol in het klein; staats-inrichtingen voor drankzuchtigen; wetten die het vereenigingsleven regelen; een voorstel om het Ministerie van Justitie om te zetten in een onafhankelijk Hoog Gerechtshof.