Chapter 5
Het is hoog tijd dat aan die vrouwen ander werk wordt gegeven, werk dat haar weer belangstelling geeft en opgewektheid, arbeid die in staat is de energie, die dreigde verloren te gaan, opnieuw aan te wakkeren, die haar weer idealen voorhoudt, waarvoor het de moeite waard is te leven en zich in te spannen.
Het stembiljet zonder meer zou niet bij machte zijn dat nieuwe, opgewekte leven te brengen. Maar wel datgene wat het kiesrecht noodzakelijk in zijn gevolgen _moet_ medevoeren, en wat wij alom zien dat het telkenmale gebracht heeft aan die categorieën van mannen, die bij eene uitbreiding van het kiesrecht in het bezit kwamen van politieke rechten, en dat zich uit in een zich bewust worden van zijn rechten en plichten als staatsburger, in verhoogden gemeenschapszin, in meerdere geestelijke ontwikkeling en ten slotte in de behoefte om al deze nieuw verworven eigenschappen om te zetten in daden ten behoeve van het gemeenschappelijk belang. Onze tegenwoordige maatschappij gaat gebukt onder een te kort aan geestelijke werkkracht, zij lijdt aan een ontbreken van den noodigen gemeenschapszin, om haar zedelijk te verheffen en innerlijk gezonder en krachtiger te maken. Door aan de vrouwen het kiesrecht te verleenen en haar zoodoende meer in het gemeenschapswerk te betrekken, kan men voor een zeer groot deel in dit te kort voorzien.
HOOFDSTUK V.
DE BEZWAREN TEGEN VROUWENKIESRECHT WEERLEGD.
Het kan niemand verwonderen, dat terstond toen het denkbeeld vrouwenkiesrecht voor het eerst werd geopperd, ook bergen van bezwaren daartegen werden aangevoerd, of, eigenlijk niet terstond. Zelfs voor het opperen van bezwaren achtte men in den beginne de zaak te dwaas. Men vergenoegde zich met de schouders op te halen en te lachen om dergelijke dwaze denkbeelden.
Een vrouw die aan politiek zou doen!
Maar daar heeft een vrouw immers geen verstand van! Doch door het lachen heen klonk daar al het eerste bezwaar: een vrouw heeft geen verstand van politiek. Men vergat daarbij te bedenken, dat ook de man niet als politicus wordt geboren; voedde men het meisje evenals den jongen man op tot staatsburger(es), zij zou evengoed verstand krijgen van politiek, zooals zij thans ook wel verstand krijgt van talen, van boekhouden, van geschiedenis enz. enz., zaken die men haar vroeger evenmin leerde "omdat zij een meisje was."
Nu ja, zoo redeneert men, natuurlijk kan een vrouw leeren, evenals een man en zij kan het soms heel ver brengen. Maar dooreengenomen is de vrouw toch intellectueel beneden den man gebleven. De man heeft steeds meer gepresteerd op het gebied van wetenschap en kunst. De mannen zijn het geweest die de maatschappij vooruit geholpen hebben; zij hebben richting gegeven aan het denken der massa, zij zijn het, die de groote uitvindingen deden, aan hen hebben wij de groote schatten te danken op het gebied van muziek, van litteratuur, van beeldende kunsten. De mannen hebben de geschiedenis gemaakt, niet de vrouwen. Daarom moeten de mannen de wetten maken en de leiding in handen houden.
Onlogisch als deze redeneering is, dient zij echter tòch in het kort even te worden bestreden, om de eenvoudige reden, dat zelfs verstandige en geletterde menschen er nog heden ten dage mede aankomen.
Dat tot op heden de vrouw veel minder presteerde dan de man op het gebied van wetenschap en kunst, dat er oneindig veel meer groote mannen dan groote vrouwen zijn geweest, zij grif toegegeven. Hoe zou dit echter anders kunnen, waar tot voor korten tijd beide geslachten onder zoo ongelijke bedeeling leefden, wat betreft de gelegenheid om onderwijs te ontvangen en zich te ontwikkelen? Dat er desondanks door alle eeuwen heen vrouwen zijn geweest die zich door bijzondere geestesgaven of talenten hebben weten te verheffen boven haar tijdgenooten en tot op heden beroemd bleven, mag veeleer verwondering wekken. Eerst als gedurende vele jaren de ontwikkelingsvoorwaarden voor beide sexen gelijk zijn geweest, kan de balans worden opgemaakt en bepaald, aan welke zijde men het grootste intellect heeft gevonden.
Doch zelfs al viel de balans dan geheel en al ten nadeele van het vrouwelijk geslacht uit, zoo zou dit allerminst een reden kunnen zijn om aan de vrouw het kiesrecht te onthouden. Immers ook aan den man wordt geen enkele maatstaf van intellectueele ontwikkeling aangelegd om hem tot kiezer te maken. Moge onder de vigeerende kieswet het feit dat men eenig examen heeft afgelegd één der voorwaarden zijn waardoor men aanspraak kan maken om op de kiezerslijst te worden gebracht, aan den anderen kant kan een mannelijke analphabeet hetzelfde voorrecht deelachtig worden, mits hij maar het aangewezen minimum loon verdient, of aan een der andere, met intellect allerminst verband houdende eischen voldoet, die indertijd werden uitgedacht om iemand tot kiezer te maken. Evenmin eischt het zwartmaken van het balletje achter den naam van den gewenschten candidaat eenige bijzondere geestesontwikkeling.
"Maar de vrouw is te goed voor de politiek," zegt de galante man; het zou zonde wezen een zoo idyllisch wezen te besmetten met al het minderwaardige en verderfelijke dat nu eenmaal onafscheidelijk aan alle politiek gedoe is verbonden, daar staat de vrouw te hoog voor.
Wij zouden de vraag kunnen stellen, of door de medewerking der vrouwen ook veel leelijks, wat menigmaal aan de politiek is verbonden, zou kunnen verdwijnen, of althans verminderen; doch men mocht ons eens van te groot idealisme beschuldigen. Evenwel zou de kans op een zuiverder, eerlijker politiek leven allicht grooter worden, wanneer naast de beste mannen, de beste vrouwen aan wetgeving en regeering zouden kunnen deelnemen. Doch vanwaar overigens die vrees om de vrouw z.g. vuil werk te laten doen, onder voorwendsel dat zij er te goed voor is? Acht men de vrouw te goed voor zwaren lichamelijken arbeid? Bespaart men haar als verpleegster der menschelijke ellende naar lichaam en geest die in de ziekenhuizen of op het slagveld te aanschouwen valt? Acht men haar te goed om slecht betaalden nachtarbeid te verrichten indien dit maar in het voordeel is van den werkgever? (Denk aan kellnerinnen in nachtkroegen). En heeft de vrouw zich ooit--óók in de huishouding--het moeielijke en het vuile werk van den hals geschoven, indien zij wist dat het in het belang van anderen gedaan _moest_ worden? Ook dit argument kan men gerust laten varen.
Dat de vrouw te veel gevoelsmensch zou zijn, iets wat óók als argument tegen vrouwenkiesrecht wordt aangevoerd, is nimmer bewezen en indien het zoo ware, zou het nog geen argument zijn. Want indien het waar is, dat bij de mannen het verstand domineert, dan zou dit juist een reden zijn om het vrouwelijk gevoel naast het mannelijk verstand te laten werken in het bestuur van stad en staat. Wat met het verstand alléén geregeld wordt, is dor en liefdeloos; het gevoel brengt leven en warmte aan, dus behooren deze twee eigenschappen elkaar aan te vullen.
Dan is daar nog het stokpaardje van den dienstplicht. Meent niet dat dit beestje te oud is, om nog van stal gehaald te worden; zelfs in den tegenwoordigen tijd hoort men beweren dat de vrouw, indien zij het kiesrecht wil bezitten, dan óók maar soldaat moet worden. Alsof kiesrecht ooit eenig verband had gehouden met dienstplicht! Integendeel; toen het kiesrecht nog enkel werd uitgeoefend door de welgestelden in den lande, waren het juist de _niet_-kiezers die hun dienstplicht vervulden. Immers, wie het betalen kon, kocht zich een remplaçant. En ook thans ontneemt men het kiesrecht niet aan degenen die hun dienstplicht niet vervullen, anders zouden zij die voor theoloog studeeren, de afgekeurden, degenen die vrijloten, kortom allen die buiten de militie vallen, het stembiljet moeten derven. Is het er echter om te doen, dat wie zijn volle burgerschapsrechten wil bezitten ook gedwongen moet kunnen worden om gedurende één of twee jaar gemeenschapsdienst te verrichten, dan zullen de vrouwen zeker niet achter blijven. Doch zij zouden dan ook op echt _vrouwelijke_ wijze aan dien plicht kunnen voldoen, en diensten bewijzen bij de verpleging van burgers en soldaten, bij kinderverzorging, in de huishouding van rijksinrichtingen, enz. enz.
Het is te begrijpen, dat voor de gehuwde vrouw nog enkele afzonderlijke bezwaren worden te berde gebracht. Dat de gehuwde vrouw op voldoende wijze door haar echtgenoot zou worden vertegenwoordigd, is reeds in een der vorige hoofdstukken weerlegd; thans kan dit argument dus buiten bespreking blijven.
Een ander bezwaar is dit, dat de vrouw geen tijd zou hebben; immers haar gezin eischt al haar krachten. Gaat de vrouw mee-kiezen, dan wordt zij uithuizig; zij verwaarloost dan haar kinderen en verzuimt haar huishoudelijke plichten. Welke wonderlijke denkbeelden heeft men toch omtrent het wezen der vrouw. Zou de uitoefening van het kiesrecht en al wat daarmee verband houdt, nu werkelijk zóóveel beslag op haar tijd leggen, zóó haar denken en haar geheele wezen vervullen, dat zij alle andere plichten daarvoor zou moeten verzuimen? De mannen hebben toch immers óók hun betrekking, hun beroep, hun zaken, en nog nimmer is gebleken dat zij die niet konden behartigen en daarbij tòch hun kiesplicht naar behooren waarnemen. Wij moeten dus aannemen, dat men veronderstelt dat de vrouw zich in meerdere mate van haar werk zal laten aftrekken. Doch dan rijst de vraag, besteedt de vrouw dan nu werkelijk al haar tijd aan huishouding en kinderen? De arbeidersvrouw moet in vele gevallen mee den kost verdienen; de vrouw uit den kleinen burgerstand helpt mee in winkel of zaak. En de welgestelde vrouw? Denkt men er ooit over haar kwalijk te nemen dat zij uit wandelen gaat, theevisites ontvangt, schouwburg en concerten bezoekt? Toch onttrekt zij de daarvoor benoodigden tijd evengoed aan haar gezin; wat voor kwaad zou er dan in steken, wanneer óók een avond nu en dan wordt besteed aan het bijwonen van een vergadering, of wanneer de romanlectuur eens wordt afgewisseld met wat degelijker kost in tijdschrift of courant?
Dan is daar nog het schrikbeeld, dat er twist zal ontstaan in de gezinnen wanneer man en vrouw beiden het kiesrecht bezitten, en zij van politiek inzicht verschillen. Ook dit argument kan gerust bij de vorige worden opgeborgen, als zijnde van onwaarde. Men bedenke toch dat er over zooveel andere zaken als de politiek verschil van meening kan bestaan tusschen echtgenooten; er kan verschil in godsdienst zijn, over de opvoeding der kinderen kunnen vader en moeder het oneens zijn, en over nog heel wat andere zaken meer. Ontstaat daarover dan ook steeds twist, of leert men niet elkanders meening eerbiedigen, of tracht tot overeenstemming te komen? Wanneer de vrouw door middel van het stembiljet eigen inzicht kan doen gelden, zal dit zelfs in zeer vele gevallen een aanleiding tot oneenigheid wegnemen.
Een bezwaar dat haast het tegenovergestelde van het voorgaande zou kunnen worden genoemd, is dit: dat het geven van kiesrecht aan de gehuwde vrouw hierop zou neerkomen, dat de man dan 2 stemmen had. Uit dit argument blijkt weer hoezeer is vastgeroest de meening, dat de gehuwde vrouw geheel opgaat in haar echtgenoot en eigen persoonlijkheid prijsgeeft. Het gaat toch niet aan om voor twee zelfstandige, denkende wezens maar willekeurig te bepalen: "omdat gij waarschijnlijk over politiek beleid dezelfde meening zijt toegedaan, is het voldoende dat één uwer die meening tot uiting brengt, anders hebt gij een dubbele stem." Wonderlijk toch, dat daarbij dan als vanzelf sprekend de vrouw wordt geëlimineerd! Maar bovendien: in de meeste gezinnen zullen de denkbeelden van vader en van de volwassen inwonende zoons óók parallel loopen; doch die zoons zal men om die reden het kiesrecht niet willen ontnemen. Zelfs de voorstanders van het z.g. gezinshoofden-kiesrecht zitten met deze aangelegenheid in de war en zoeken naar middelen om aan het euvel te ontkomen, dat vele volwassen jonge mannen door hun systeem het kiesrecht zouden moeten verliezen.
Weer anderen begrijpen niet, hoe de vrouw zoo op het kiesrecht kan gesteld zijn om haar invloed te vergrooten; deze is immers al groot genoeg en door alle eeuwen heen is hij zelfs in de staatkunde merkbaar geweest?
Ongetwijfeld heeft die invloed bestaan, doch het zijn juist de om kiesrecht vragende vrouwen die daar een eind aan willen maken, omdat zij hem verderfelijk achten. Niet natuurlijk den vrouwelijken invloed op zich zelf beschouwd, maar wel den invloed, die niet wordt beheerscht door een diep besef van verantwoordelijkheid. En bij alle macht die de vrouwen indirect hebben uitgeoefend, óók op de staatkunde, is dat verantwoordelijkheidsgevoel ver te zoeken geweest. Die vrouwen wilden haar zin doordrijven, menigmaal uit puur eigenbelang. Men hield haar buiten alle ernstige vraagstukken, waardoor zij niet konden handelen met oordeel des onderscheids, doch wilde wel als het zoo te pas kwam van haar hulp en van haar macht over den man gebruik maken, om eigen inzicht te doen zegevieren of zichzelf te bevoordeelen. Een dergelijk uitoefenen van niet door een gevoel van verantwoordelijkheid gelouterden en gecontroleerden invloed is verderfelijk voor het algemeen belang, maar tevens vernederend, zoowel voor de vrouw die hem aanwendt, als voor den man die hem ondergaat. Het kiesbiljet daarentegen zal aan de vrouw het recht verschaffen zich openlijk en langs directen weg met de publieke zaak te bemoeien; doch juist door dit openlijk handelen, zal zij zich verantwoordelijk weten voor haar doen en laten, wat wederom meebrengt zelfcontrôle en nadenken.
Nu kunnen wij nog niet van deze algemeene en primitieve bezwaren afstappen, zonder even te weerleggen de bewering, dat de vrouw door zich met politiek te bemoeien haar specifiek vrouwelijke eigenschappen zou verliezen. Alweder is dit argument haast te absurd om het te bespreken; doch wij willen zoo volledig mogelijk zijn.
Wat zou het inderdaad treurig gesteld zijn met die vrouwelijke eigenschappen als zij al reeds door de uitoefening van het kiesrecht konden verdwijnen. In werkelijkheid loopen zij veel meer gevaar in den hoek geduwd te worden door den harden strijd om het bestaan, dien de vrouwen in den tegenwoordigen tijd gedwongen zijn te voeren, een strijd, die haar door het gemis van politieke rechten zoo oneindig veel zwaarder wordt gemaakt. Hoe zou het overigens ooit onvrouwelijk kunnen zijn, belang te stellen in alles wat het algemeen welzijn betreft, en de taak die men in het huisgezin volbrengt ten behoeve van de huisgenooten, uit te breiden tot grooter kring?
Het voorafgaande zou men kunnen noemen de primitieve bezwaren, in dien zin, dat zij voornamelijk in de allereerste tijden van de beweging voor vrouwenkiesrecht werden genoemd, terwijl zij nu zoetjes aan op den achtergrond raken, althans niet meer tellen bij menschen die onbevooroordeeld de zaken beschouwen. Al kan men, wat de behandelde argumenten betreft, dan ook thans voor een goed deel spreken van een overwonnen standpunt, zoo moesten toch deze primitieve bezwaren ter sprake gebracht, omdat men ze nog steeds hoort opperen in sommige kringen waar de denkbeelden over vrouwenkiesrecht voor het eerst hun intrede doen.
Hoe staat het echter met degenen voor wie alle tot dusverre genoemde bezwaren niet meer bestaan en die zich in beginsel voorstanders noemen van de invoering van vrouwenkiesrecht? In die kringen worden weer andere moeielijkheden geopperd en deze zullen opnieuw door de vrouwen moeten worden overwonnen, vóór haar zonder aarzelen het stembiljet in handen zal worden gegeven.
Laten we dan beginnen met een paar argumenten te noemen die zoo ongeveer tegen elkaar opwegen en daardoor hun kracht van zelf verliezen.
Het is gevaarlijk om aan de vrouwen het kiesrecht te geven zegt de eene partij, want zij staan veel meer dan de mannen onder den invloed van de geestelijkheid; het conservatisme zou dan in ons land hoogtij vieren. Als de vrouwen het kiesrecht krijgen, zullen de sociaal-democraten te veel aan invloed winnen, zegt de andere, wij zouden dan veel te veel naar links opschuiven. Beide bezwaren heffen elkaar dus op. Het zijn echter alleen denkbeeldige bezwaren, want in landen waar vrouwenkiesrecht bestaat, heeft de uitkomst bewezen, dat er in de verhouding der politieke partijen geen noemenswaardige verandering is gekomen.
Doch hoe dit ook zij, men vraagt toch ook bij de uitbreiding van het mannenkiesrecht niet eerst hoe de nieuwe groep kiezers stemmen zal? De groote Engelsche staatsman Gladstone noemde het een zondigen tegen grondbeginselen om eerst na te gaan hoe een groep zal stemmen, alvorens men haar het kiesrecht verleent. Moet deze uitspraak niet evenzeer gelden waar het vrouwen betreft?
Maar de vrouwen zijn onverschillig voor het kiesrecht, zij begeeren het niet, zegt weer een ander. Minister Heemskerk ging zelfs zoo ver om te verklaren dat hij de vrouwen die om kiesrecht vragen niet zag; de vrouwen zijn stil in ons land, zeide hij. Wonderlijke uitspraak inderdaad van een minister, onder wiens regeering twee groote volkspetitionnementen ten gunste van de invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen werden ingediend, waarop ver over de honderdduizend handteekeningen van vrouwen voorkwamen. En dat geschiedde in een land, waar ruim 20.000 vrouwen in twee groote corporaties die voor de invoering van vrouwenkiesrecht strijden, vereenigd zijn, waarvan ééne, de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, alleen meer dan 16000 leden telt, een schare, die nog met ettelijke duizendtallen zou vergroot worden, wanneer alle vrouwen die het kiesrecht begeeren, zich bij die vereenigingen hadden aangesloten. Geen enkele politieke partij in ons land telt zooveel leden als het gezamenlijk aantal strijdsters voor vrouwenkiesrecht bedraagt; indien die 20.000 vrouwen dan ook kiezers waren geweest, geen twijfel, of minister Heemskerk zou hen wèl hebben gezien!
Verder mag nog wel gewezen worden op de groote meeting die 4 Mei 1913 in den Haag was belegd door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, om te protesteeren tegen de kiesrechtparagraaf in de voorstellen tot grondwetsherziening, door het ministerie Heemskerk ingediend. Genoemde meeting was bezocht door 3 à 4000 personen, waaronder vrouwen uit alle streken van ons land, die zich veel moeite en kosten hadden getroost om tegenwoordig te kunnen zijn.
Een ander staaltje, dat getuigt van de belangstelling der vrouwen in de publieke zaak is dit, dat, toen onder het ministerie Heemskerk wetsvoorstellen tot wijziging van de Tariefwet werden ingediend, onder de vrouwen in ons land eene spontane beweging ontstond om de Tweede Kamer te verzoeken dat wetsontwerp niet aan te nemen. Een adres in dien geest, dat circuleerde in alle plaatsen van eenige beteekenis in ons land, werd in korten tijd door 94.000 vrouwen geteekend.
Dit zijn alle verschijnselen die wijzen op het tegendeel van onverschilligheid. Dat deze nog in sommige kringen van vrouwen bestaat, mag men gerust op rekening schrijven van het feit, dat tot dusverre de vrouwen zijn opgevoed in het begrip, dat politiek en kiesrecht zaken zijn die buiten de vrouwelijke sfeer liggen; nu de publieke meening in dezen begint te veranderen, zal ook die overgebleven onverschilligheid met toenemenden spoed verdwijnen. Wel merkwaardig is het, dat die onverschilligheid voor het kiesrecht ook bestond bij de arbeiders, toen de beweging voor algemeen kiesrecht voor het eerst tot uiting kwam. De arbeiderspartijen klaagden daarover tijdens de grondwetsherziening van 1887. Niet veel beter was het, toen in 1893 de kieswet-Tak in behandeling kwam; doch terecht vonden de voorstanders van algemeen kiesrecht het feit dat nog niet alle arbeiders het begeerden, geen reden om hun strijd te verslappen, omdat zij wisten dat het bezit van het stembiljet voor den man uit het volk van onschatbare waarde zou zijn. Het is dan ook goed, en volkomen verklaarbaar, dat de voorstanders van vrouwenkiesrecht zich op hetzelfde standpunt plaatsen.
Weer anderen komen met het bezwaar aandragen dat het gros der vrouwen nog niet rijp zou zijn voor het kiesrecht. Wat is natuurlijker dan dat wij daar tegenover de vraag stellen, of alle mannen daar dan wél rijp voor zijn? Niemand voorzeker zou deze vraag bevestigend durven beantwoorden; de onrijpe mannen worden evengoed gevonden, en wel in alle kringen der samenleving. Maar zooals ieder weet, ontbreekt het in de verkiezingsdagen allerminst aan de noodige voorlichting. Groote en kleine pers bespreken de zaken en de candidaten dag in, dag uit; er worden vergaderingen gehouden, waarop de candidaten hun standpunt uiteenzetten en er zijn kiesvereenigingen die bij de keuze der volksvertegenwoordiging de organisatie en de leiding op zich nemen. Hebben de vrouwen het kiesrecht verkregen, dan kunnen zij dus van diezelfde gelegenheden tot voorlichting gebruik maken. Overigens zal van verschillende zijden wel getracht worden, den vrouwen de noodige politieke kennis bij te brengen. Immers, wanneer de vrouw kiezeres is geworden, d.w.z. iemand die een woordje mee mag spreken en met wie dus rekening dient te worden gehouden, dan hebben verschillende partijen en personen er belang bij haar voor zich te winnen; alleen reeds om die reden zal zij gedwongen worden kennis te nemen van de zaken van den dag.
Maar men behoeft zich over die beweerde onrijpheid van de vrouwen niet bezorgd te maken. Reeds gedurende 20 jaar is er hier te lande op krachtige wijze propaganda gemaakt voor vrouwenkiesrecht. Men deed dit op verschillende wijze; maar de kern van die propaganda bestond toch steeds hierin, dat men de vrouwen bekend maakte met wetten en wettelijke toestanden, met de inrichting van den Staat en de werking van de regeermachine. De vereenigingen die voor vrouwenkiesrecht werken (de Vereeniging v. Vrouwenkiesrecht doet dit sedert 1894; de Ned. Bond v. Vrouwenkiesrecht sedert 1907) hebben in hare talrijke afdeelingen evenzoo vele middelpunten van waaruit kennis onder de vrouwen wordt verspreid. Er worden daar cursussen gehouden, debating-clubs opgericht, in huishoudelijke vergaderingen worden de partij-programma's besproken, in openbare bijeenkomsten worden door bekwame spreeksters en sprekers sociale en politieke vraagstukken behandeld, terwijl lectuur over dit alles met ruime hand wordt verspreid of op gemakkelijke wijze verkrijgbaar gesteld. [2] Bovendien worden door het zitting nemen in de besturen tal van vrouwen practisch geoefend in het vereenigingsleven, waardoor een groot aantal geschoolde krachten ontstaat. Door op deze wijze te werken hebben de vrouwen elkander reeds gedurende tal van jaren opgevoed voor de taak die haar onvermijdelijk eenmaal wacht. Het is dus niet te veel beweerd, wanneer wij zeggen, dat, wanneer aan de vrouwen het stembiljet wordt gegeven, het kiezerskorps nog nimmer te voren met een zoo beduidend aantal goed toegeruste stemgerechtigden is vergroot geworden.
Ten slotte dienen wij nog even stil te staan bij wat men zou mogen noemen het practische bezwaar bij uitnemendheid, n.l. de vraag, aan welke vrouwen voor het eerst het kiesrecht zal worden verleend.