Chapter 2
En dan de vrouwen die aan het hoofd staan van een zaak? Hoe menigeen onder haar heeft niet door groote werkkracht en energie een bedrijf tot bloei gebracht en daardoor getoond over de noodige ontwikkeling te beschikken om ook over andere aangelegenheden een oordeel te kunnen uitspreken. Maar als het er op aankomt mee te beslissen hoe de staatsgelden zullen worden besteed, die zij toch ook in den vorm van belasting heeft helpen bijeenbrengen, als het er op aankomt wettelijk de verhouding tusschen werkgever(ster) en werknemer te regelen, als er sprake is van het maken van verzekeringswetten ten behoeve van het personeel, dan wordt naar _hare_ meening niet gevraagd; dan heeft zij eenvoudig aan de wet te gehoorzamen, terwijl haar kantoorbediende, haar kellner, haar loopknecht, als kiezer een woordje kunnen meespreken, alweer alleen om de eenvoudige reden dat zij zijn van het mannelijk geslacht.
Genoeg voorbeelden om te doen zien, dat het, bij de positie die tegenwoordig door de ontwikkelde, beschaafde vrouw in onze maatschappij wordt ingenomen, in hooge mate onrechtvaardig is, haar het kiesrecht te onthouden, en dat dit leidt tot groote wanverhoudingen en inconsequenties.
Doch bovendien hebben al deze vrouwen _belang_ bij de wetgeving.
Het is immers een bekend en erkend feit, dat de belangen van die groepen der bevolking het best worden behartigd, welke door middel van het kiesrecht invloed hebben op de samenstelling der vertegenwoordigende lichamen. Wie dacht er b.v. aan sociale wetgeving, vóórdat het kiesrecht zoover was uitgebreid dat ook een breede schare van arbeiders werd toegelaten tot de stembus?
Wie zal er omgekeerd aan denken de afzonderlijke vrouwenbelangen naar eisch te behartigen, zoolang geen enkele vrouw het kiesrecht bezit?
En al de hierboven genoemde vrouwen hebben toch groot belang bij de wetgeving. Daar is b.v. de bijna alom heerschende ongelijke salarieering van mannelijke en vrouwelijke onderwijskrachten. Men vindt het doodgewoon, dat de leerares aan een middelbare school of een gymnasium minder salaris geniet, dan haar mannelijke collega; de directrice van een gelijksoortige school krijgt minder traktement dan een directeur. Waarom? Wel, men is zoo spoedig geneigd om een salaris "heel mooi" te vinden voor een _meisje_ of voor een _vrouw_. Een leeraar heeft immers een gezin te onderhouden, een leerares niet! Maar als nu die leerares óók eens een gezin had te steunen, b.v. voor de opleiding had te zorgen van jongere broers en zusters, of een ouden vader en moeder had te verzorgen? Of als zij gehuwd was en haar man werd ziek of invalide, en kon niet voor zijn gezin zorgen, of verdiende misschien alleen niet genoeg? Dan had zij toch óók plichten jegens anderen te vervullen, en behoefte aan een grooter salaris?
Niet anders is het gesteld bij het Lager Onderwijs. Ook daar verdient in den regel de onderwijzer meer dan zijn vrouwelijke collega, en men durft als eenig argument tegen deze ongelijke bezoldiging aan te voeren, dat een meisje niet zooveel behoeften heeft als een jonge man!
Maar wat gaat het den Staat of de Gemeente aan, welke behoeften zijne ambtenaren hebben? Wat zou het tot grove onbillijkheden en willekeur leiden, wanneer men bij de bezoldiging van een ambt of betrekking ging vragen welke speciale behoeften de bekleeder er van heeft? De eenige maatstaf moet immers zijn, welk salaris de betrekking waard is en wat men er redelijkerwijs voor beschikbaar mag en kan stellen. Doch dan heeft men _nooit_ te vragen _wie_ het ambt bekleedt. Of dit een man is of een vrouw mag daarbij niet van invloed zijn. Als de opleiding gelijk is, als men aan de geschiktheid om de betrekking waar te nemen dezelfde eischen stelt, als bovendien de praestaties gelijk zijn, dan hebben nòch persoonlijke behoeften, nòch de sexe iets met de bezoldiging te maken.
Doch zoolang de vrouw het stembiljet niet bezit, zal in dezen staat van zaken geen verandering zijn te brengen, eenvoudig omdat de vrouwen het middel missen om invloed te oefenen op de samenstelling der wetgevende macht, en zij zelve haar belangen niet kunnen verdedigen in gemeenteraad of Tweede Kamer.
Behalve deze ongelijke salarisregeling zijn er nog andere zaken die den strijd om het bestaan voor de intellectueel hoog-staande, werkende vrouw zwaarder maken. Zeker, er staan thans vele ambten voor de vrouw open, doch van vele andere is zij nog uitgesloten, terwijl in weer andere de hoogere rangen voor haar niet bereikbaar zijn. En hier heeft men volstrekt niet te doen met verouderde wetten; integendeel, waar voorheen de wetgever slechts sprak van Nederlanders die voor het vervullen van een of ander ambt konden in aanmerking komen, heeft men in onze dagen fluks het woord _mannelijk_ voor Nederlander gevoegd, zoodat de deur flink op slot blijft voor de vrouw.
Dit gebeurde o.a. in 1904, toen de Gemeentewet werd gewijzigd. Bij de opsomming der voorwaarden waaraan men moet voldoen om tot Burgemeester, Secretaris of Ontvanger eener gemeente te worden benoemd, heeft men de _nieuwe_ bepaling ingelascht, dat slechts _mannelijke_ Nederlanders voor deze ambten kunnen in aanmerking komen. Dat het hier de vooropgestelde bedoeling was, om de vrouw te weren, ligt voor de hand; immers de overige voorwaarden waaraan men wettelijk heeft te voldoen om benoembaar te zijn tot genoemde functies zijn al zeer weinige. Er wordt geen examen geëischt, er worden geen bijzondere bewijzen verlangd dat men voor het ambt geschikt is; de betreffende artikelen in de Gemeentewet spreken enkel als criterium voor de benoembaarheid uit, dat men moet zijn: "_mannelijk_ Nederlander, niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer, over zijn goederen heeft verloren, noch van de verkiesbaarheid is ontzet," dat men "den ouderdom van 25 jaar heeft vervuld (voor secretaris is een leeftijd van 23 jaar voldoende) en ingezetene is van de gemeente." Voor een burgemeestersbenoeming kan echter worden afgeweken van de bepaling dat men ingezetene is van de gemeente; voor de benoeming van secretaris of ontvanger bestaat zij niet.
Men ziet het, de wettelijke eischen zijn volstrekt niet onbereikbaar voor vrouwen; zelfs die van het ontzet worden van de verkiesbaarheid kan voor haar niet gelden! Dat daarentegen het niet-verkiesbaar zijn (als volksvertegenwoordiger(ster) in eenig regeeringslichaam) een beletsel zou kunnen wezen om de bedoelde ambten naar behooren te vervullen, weet ieder die eenigszins bekend is met de werkzaamheden die er aan zijn verbonden. Bovendien is het niet verkiesbaar zijn geen schande; de ontzetting uit de verkiesbaarheid natuurlijk wel; deze twee ongelijksoortige grootheden kunnen daardoor evenwel nimmer op één lijn worden gesteld. Een vrouwelijke gemeentesecretaris kan men zich dan ook evengoed denken als een mannelijke, vooral daar zéér vele vrouwen getoond hebben uitstekend geschikt te zijn voor organiseerend en administratief werk. En voor het beheer over geldmiddelen zijn de vrouwen zeker niet minder geschikt dan de mannen; nauwkeurigheid en zuinigheid zijn te allen tijde nog veel meer specifiek vrouwelijke eigenschappen geweest dan mannelijke. En wat de vervulling van het burgemeestersambt betreft: sedert eenige jaren staat in Engeland dit ambt ook voor vrouwen open, en over die vrouwelijke functionarissen schijnt men daar best tevreden te zijn. Willens en wetens heeft men dus in 1904 de gemeentewet in het nadeel der vrouwen veranderd.
Evenzoo is in datzelfde jaar 1904 bij de herziening van de Wet op het Notarisambt art. 23 gehandhaafd, waarbij bepaald wordt, dat een vrouw geen getuige mag zijn bij het opmaken van een notarieele acte. Toch waren er talrijke adressen bij den Minister van Justitie ingediend met verzoek deze voor de vrouw zoo kwetsende bepaling te schrappen. En al wederom rijst de begrijpelijke vraag: zou men ook aldus hebben gehandeld indien de vrouw zich als kiezeres had kunnen doen gelden?
Eenzelfde opzettelijk uitsluiten van de vrouw geschiedde in 1912, toen in de Beroepswet werd bepaald dat geen vrouwen kunnen zitting nemen in de Raden van Beroep of in den Centralen Raad van Beroep. Toch zijn er werkgeef_sters_ en arbeid_sters_, en zijn er eveneens vrouwen te vinden, die voldoen aan de eischen die gesteld worden aan de leden van den Centralen Raad van Beroep. Maar men heeft door de bepaling dat enkel _mannelijke_ ingezetenen des Rijks benoembaar zijn, de vrouwen aan den eenen kant belet om voor de belangen der vrouwelijke werkgeefsters en der arbeidsters op te komen, en aan den anderen kant een goed gesalarieerde betrekking voor haar onbereikbaar gemaakt.
Wat nu betreft het feit dat in vele ambtelijke betrekkingen slechts de lagere rangen voor de vrouwen openstaan dient o. a. gewezen te worden op de arbeidsinspectie, waar de adjunct-inspectrice in rang steeds blijft beneden den adjunct-inspecteur. Men heeft in 1909 voor deze vrouwelijke ambtenaren de examen-eischen verlaagd, zonder daarom haar werkkring in belangrijkheid te doen verminderen. De lagere eischen die men toen echter voor het examen aan haar ging stellen, waren voldoende motief om haar salaris aanzienlijk te verminderen, en veel lager te stellen dan dat van den adjunct-inspecteur. Verder op den dienst bij Post- en Telegrafie, waar ook slechts de lagere rangen door vrouwelijke ambtenaren kunnen worden bezet. Men is in dezen tak van dienst zelfs op dit moment nog bezig om meerdere belemmerende bepalingen ten opzichte van de vrouwen in het leven te roepen. Konden tot nu toe de vrouwen nog werkzaam zijn als commies, en konden zij het beheer hebben over kleinere post- en telegraafkantoren, thans Juni 1913 is door den betrokken Minister het besluit genomen, en door het Hoofdbestuur van Post- en Telegrafie gepubliceerd, dat in het vervolg geen vrouwen meer zullen worden toegelaten tot het examen van commies. Van 1914 af zullen dus ook de hoogere rangen, die tot nu toe wél bereikbaar waren, nog bovendien voor de vrouwen zijn afgesloten.
Is er sterker bewijs te leveren voor de bewering dat enkel het bezit van het kiesrecht de vrouwen zal kunnen vrijwaren voor een dergelijk driest ingrijpen in hare bestaansvoorwaarden? Zelfs al komt wellicht een andere regeering het besluit van den reactionnairen minister te niet doen, zoo blijft de vrees toch steeds bestaan, dat bij verandering van bewind de zaak weer opnieuw ten nadeele van de vrouwen wordt geregeld.
Doch genoeg over deze zijde van het vraagstuk.
Hoe staat het echter met de vrouw die in de meer gangbare beteekenis van het woord loonarbeidster is; heeft ook zij behoefte aan het kiesrecht?
Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat wie belang heeft bij de wetgeving, ook in staat moet worden gesteld er invloed op te oefenen, dan heeft wellicht niemand meer dan juist de loonarbeidster behoefte aan het stemrecht. Zij, die door den drang der omstandigheden werd gedreven naar werkplaats en fabriek, kantoor of winkel, eensdeels omdat in het gezin niet genoeg werk meer is te vinden voor veel vrouwenhanden, (immers nam de groot-industrie een groot deel van de vroegere taak der vrouwen over) anderdeels omdat bij de noodzakelijkheid om datgene te koopen wat vroeger in het gezin werd vervaardigd, het loon van den vader alleen niet meer voldoende was om in de levensbehoeften te voorzien,--kwam daar binnenvallen op de arbeidsmarkt, en haar deel opeischen van het werk, zonder dat er een plaatsje voor haar open was. Dat gaf natuurlijk een geweldige botsing en een strijd van belang. De vrouw werd door de mannelijke werkers volstrekt niet met open armen ontvangen en had veel moeite zich een bestaan te veroveren. Toch gelukte haar dit in zeer vele gevallen, omdat zij arbeidzaam is en handig, en een zeer bruikbare werkkracht bleek te zijn. Doch in vele gevallen kan ook de arbeidster slechts werk krijgen of behouden, indien zij bereid is haar arbeidskracht voor minder loon te geven dan haar mannelijke concurrent. Doet zij dit, dan is zij dikwijls een zeer gewilde werkkracht voor den werkgever, en de concurrentie tusschen mannen en vrouwen wordt heviger dan ooit.
Doch nu komt de arbeidswetgeving een woordje meespreken. De arbeid van jeugdige personen en vrouwen wordt volgens wettelijke bepalingen geregeld; men vindt dat deze arbeid bescherming behoeft. Uitstekend; om uitbuiting te voorkomen en de volksgezondheid te bevorderen is het goed dat de wetgever ingrijpt. Maar wat is voor de vrouw-arbeidster het gevolg van al die bescherming, waarbij men haar oordeel niet vraagt, waarbij zij geen stem heeft in het kapittel? Dat zij en haar arbeid zóó hevig worden beschermd, dat het verkrijgen van goed betaald werk haar in vele gevallen onmogelijk wordt gemaakt.
De voorstanders van de afzonderlijke bescherming van vrouwenarbeid behoeven zich geen illusies te maken, dat zij daardoor de loonarbeid der vrouw zullen doen verminderen, en dus, naar hun beweren althans, de gezondheid der vrouwen zullen sparen. Integendeel: van de fabriek, uit winkel of werkplaats verdreven, waar zij te voren een ordentelijk loon genoot, waar de arbeidsinspectie zorgt voor licht en ruimte enz., zal zij moeten omzien naar ander werk, en dit veelal vinden onder veel ongunstiger omstandigheden. En anders zal zij haar werkkracht moeten geven aan de huisindustrie, en dáár zeker iederen kans op een menschwaardig bestaan verliezen en hare gezondheid er bij inboeten.
Men begrijpe het toch goed, dat de vrouw niet uit liefhebberij naar fabriek of werkplaats trekt. Zij moet toch in haar levensonderhoud voorzien, evengoed als de man! En overal vindt zij belemmeringen. Niet enkel dat de groot-industrie haar een goed deel van den gezinsarbeid ontnam; in vele vroeger bij uitstek vrouwelijke vakken wordt zij door den man verdrongen. Ziehier enkele voorbeelden.
Hoe staat het b.v. met boter en kaas maken, vroeger toch wel een uitsluitend vrouwelijke bezigheid? Het is bij uitzondering dat tegenwoordig op de boerderij boter en kaas gemaakt wordt, anders dan voor eigen gebruik. De melk gaat in groote hoeveelheden naar de zuivelfabrieken en wordt daar verwerkt tot boter en kaas of tot margarine door.... _mannen_! Niet anders gaat het bij het inmaken en conserveeren van groenten en vruchten in het groot. Wèl worden daar voor sommige onderdeelen van het werk vrouwenhanden gevraagd, maar het groote werk wordt in de conservenfabrieken door _mannen_ verricht.
Onze vensters worden gewasschen door mannen; zelfs neemt men mannen aan voor het schoonmaken van winkels en magazijnen en laat door hen in uur- en vakarbeid verrichten, wat voorheen door de dienstbode of schoonmaakster in huisdienst werd gedaan.
In onze coöperatieve keukens bestaat voor een groot deel het personeel uit mannen, en er moet heden ten dage nog strijd gevoerd worden om het klaarmaken van den maaltijd, wanneer dit in het groot geschiedt, evengoed aan vrouwen toe te vertrouwen als wanneer het in ieder gezin afzonderlijk gebeurt!
Deze voorbeelden zouden ongetwijfeld met nog verscheidene andere zijn aan te vullen. Genoeg echter om te doen zien, dat aan de vrouw zeer veel echte vrouwenarbeid wordt ontnomen door den man. Wil zij kunnen bestaan, dan _moet_ zij dus naar ander werk omzien. En in het vinden daarvan wordt zij aan alle kanten bemoeilijkt door ongelijke bescherming, minder loon, en slechter vakopleiding.
Ook tengevolge van deze laatste omstandigheid wordt menigmaal de best betaalde arbeid aan de vrouw ontnomen. Daar is b.v. het schoenmakersbedrijf. Wie zou beter geschikt zijn voor het vervaardigen van het _fijne_ schoenwerk, dan juist de vrouw? Maar op de vakscholen voor schoenmakers worden tot nu toe in den regel geen meisjes toegelaten; gevolg hiervan is, dat deze tak van bedrijf voor haar zoo goed als gesloten is.
De mode die het dragen van het tailor-made costuum begunstigt, is oorzaak dat ook in het naaisters-vak dikwijls aan mannen de voorkeur wordt gegeven boven vrouwen. Immers de man, met zijn betere _vakopleiding_, kan meer voldoen aan de eischen welke men aan een goedzittenden mantel stelt, dan de veelal ongeschoolde vrouw.
Doch ook om betere vakopleiding te verkrijgen, is het noodig, dat de vrouw als kiezer(es) met meer klem dezen eisch kan doen hooren. Thans kan zij niets anders doen, dan verzoekschriften indienen om op de bestaande vakscholen voor jongens ook meisjes toe te laten. Is de Regeering den vrouwenarbeid goed gezind, dan wordt het verzoek misschien ingewilligd; wellicht zullen enkele Kamerleden een lans breken voor het goed recht der vrouw, voor haar persoonlijk belang, en voor het profijt dat het te verrichten werk zelf er van heeft, als slechts vakkundigen het ter hand nemen. Maar de Regeering kan ook _tegen_ vrouwenarbeid zijn; misschien zijn er te weinig Kamerleden wie de zaak ter harte gaat, om er zich bijzonder druk over te maken. Is de toestand zóó, dan helpt het dringendst gestelde verzoekschrift niet.
Hoe anders zou het echter gaan wanneer de Kamerleden achter zich wisten de vrouwelijke kiezers, wanneer het bestaan van hun zetel mede afhankelijk was van de wijze, waarop zij de vrouwenbelangen hadden behartigd. Haast overbodig is het hier nog bij te voegen, hoe vrouwelijke Kamerleden, het belang der meisjes meer gevoelende, meer kennende ook, met meer warmte en kans op succes de zaak in de volksvertegenwoordiging zouden bespreken en verdedigen. Eerst dàn ook zou met eenige kans op succes kunnen worden aangestuurd op het stichten van afzonderlijke vakscholen voor meisjes, waar een bij uitstek vrouwenberoep dit noodig maakt, en waar de bestaande industriescholen niet voldoende zijn.
Dat de loonarbeid van vrouwen niet gering is, moge blijken uit enkele cijfers.
Volgens het vrouwenjaarboekje [1] zijn in ons land vrouwen werkzaam in 239 beroepen. Dit getal is zeer zuinig berekend, als men in aanmerking neemt dat b.v. _alle_ textiel-arbeidsters daarbij in één beroep zijn ondergebracht, terwijl daar juist zoo'n sterke onderverdeeling in verschillende vakken bestaat. Volgens de beroepstelling van 31 December 1909 zijn in Nederland niet minder dan 540.987 vrouwen in beroepen werkzaam, waaronder 414.615 ongehuwde vrouwen. Al deze vrouwen hebben zich te onderwerpen aan alle wetten die op eenigerlei wijze den arbeid regelen, wetten die zijn gemaakt _voor_ haar en die beschikken _over_ haar, zonder dat daarbij ooit naar haar eigen meening werd gevraagd. Hoe lang zij zal arbeiden en waar, en wat, welk loon zij zal genieten, hoe hare verhouding zal zijn tot den werkgever, of zij zal deelen in de voorrechten van ouderdoms-, invaliditeits- en ziekteverzekering, of zij onder de begunstigden bij de ongevallenwet wordt gerekend,--men beschikt het alles buiten haar om, omdat zij van het _kiesrecht_ dus van _alle medezeggenschap is uitgesloten_. Zelfs de vakorganisatie kan haar niet voldoende helpen, alweder omdat de wetgever in de eerste plaats slechts rekening houdt met de _kiezers_. Van dit laatste zij het volgende sprekende voorbeeld aangehaald.
In eene vergadering van vakvereenigingen te Lancashire in Engeland zeide eens de secretaris van den Weversbond: "Mijn oordeel moet gewicht in de schaal leggen, want ik vertegenwoordig hier de vereeniging met het grootst aantal leden." Doch de secretaris van den Timmerliedenbond voegde hem toe: "Welke kracht gaat er van uwe vereeniging uit, het zijn enkel vrouwen. Mijn bond mag niet groot zijn, maar al de leden hebben het kiesrecht, dat is meer waard."
Dat de wetten, welke buiten medewerking van de vrouw worden gemaakt, in verreweg de meeste gevallen in haar nadeel zijn, daarvan zijn voorbeelden genoeg te noemen. Bij de ouderdomsverzekering wordt zij eenvoudig buitengesloten; bij de arbeidswetgeving drukt haar de ongelijke bescherming; bij de ongevallenwet vallen een groote categorie van loontrekkende vrouwen buiten hare bepalingen, n.l. de dienstboden.
Eveneens zijn bij de thans door de Kamer aangenomen wet op de ziekteverzekering de dienstboden uitgesloten.
Over het vakonderwijs werd hierboven reeds gesproken. Toch moge het hier nog even worden herhaald, dat bij de regeling van dat onderwijs steeds in de eerste plaats aan jongens wordt gedacht. Het afzonderlijke vakonderwijs voor meisjes is nog zeer onvoldoende geregeld, terwijl de ambachtsscholen nog maar bij groote uitzondering en ook dan gewoonlijk eerst na veel onvermoeide pogingen van de zijde der vrouwen, voor meisjes hare deuren openen.
Natuurlijk valt niet te bewijzen, en is het zelfs niet waarschijnlijk dat alle vrouwen in ons land over de hierboven genoemde aangelegenheden eene gelijkluidende meening zouden hebben. Zelfs is het mogelijk dat vrouwen, konden zij zitting nemen in de Tweede Kamer, verschillend over de wetsontwerpen die den arbeid der vrouwen regelen zouden stemmen. Doch eene gelijkgezindheid over enkele bepaalde punten bestaat bij de mannen evenmin; alleen, men vindt het alleszins billijk, dat zij een woordje meespreken wanneer over hunne belangen, hunne bestaansvoorwaarden wordt onderhandeld.
Ditzelfde recht werd tot op heden aan alle vrouwen onthouden en wordt haar nog altijd door velen in den lande ontzegd. Voor de vrouw geldt nog steeds in hooge mate het bekende woord van den Franschen staatsman: "Wij zullen onderhandelen _over_ u, _bij_ u, maar _zonder_ u." Dit nu is een groote onrechtvaardigheid, een grove onbillijkheid, die in den tegenwoordigen tijd niet langer mag of kan worden gehandhaafd. Er is voor het geven van kiesrecht aan den man geen enkel argument aan te roeren, dat óók niet van toepassing zou zijn waar het vrouwen betreft. Reeds daarom alleen zou zij het kiesrecht moeten bezitten. Doch het feit dat de vrouw wat haar arbeidsvoorwaarden betreft en in nog zoovele andere gevallen wettelijk wordt achtergesteld bij den man, maakt dat zij _in nog meerdere mate dan hij behoefte heeft aan het bezit van politieke rechten_. Het stembiljet zal aan de vrouw haar recht op arbeiden verzekeren, en het feit dat zij als kiezeres de macht zal verkrijgen om voor gelijk werk gelijk loon te eischen, zal haar voor den man maken tot een eerlijke en daardoor minder gevreesde mededingster. Mannen, het is óók in uw eigen belang, wanneer gij medewerkt om aan de voor loon arbeidende vrouwen het kiesrecht te bezorgen.
Al is het duidelijk dat in de allereerste plaats die categorieën van ongehuwde vrouwen welke loonarbeid verrichten, behoefte hebben aan het bezit van kiesrecht, omdat hare bestaansvoorwaarden daarmede zoozeer samenhangen, zoo moet men niet meenen, dat het verkrijgen van het stembiljet voor een andere schare van ongehuwde vrouwen, wier gunstiger financiëele positie haar niet noodzaakt om met werken haar brood te verdienen, een onverschillige zaak zou zijn. Vooreerst beheeren toch de meesten van deze vrouwen haar eigen geldzaken. Reeds enkel daarom zijn alle belastingkwesties voor haar van groot belang. Misschien volgt wel niemand zoo goed als de rentenier de belastingwetgeving; ja zelfs is wellicht niets van zoo grooten invloed op het uitbrengen van zijn stem als het standpunt dat de candidaten voor Gemeenteraad of Tweede Kamer innemen tegenover de belastingkwestie, of de wijze waarop zij de gelden uit gemeente- of rijkskas wenschen te besteden. Alleen reeds om in deze zaken invloed te kunnen oefenen, zou hij niet gaarne het kiesbiljet missen; en met reden. Waarom zou dit dan anders zijn waar het vrouwen betreft? Voor haar toch is het van niet minder belang, hoe de vermogens- en successiebelasting geregeld worden; of beschermende rechten de productiekosten en de prijzen der levensbehoeften zoodanig zullen verhoogen, dat hare tot nu toe voldoende inkomsten aan renten enz. in het vervolg ontoereikend zullen blijken te zijn. Het verschil in sexe heeft toch met deze zaken niets te maken?
Doch ook verreweg de meesten van deze vrouwen, al moeten zij niet werken om den broode, verrichten daarom wel arbeid. Zij zijn het vooral die zich wijden aan filantropischen en socialen arbeid. En hoe menigmaal komen zij juist op dit terrein in aanraking of in botsing met de wetgeving!