Vrouwenkiesrecht

Chapter 1

Chapter 13,633 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

VROUWENKIESRECHT

Handboekjes Elck 't Beste

Onder leiding van L. Simons

Uitgegeven door De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur Amsterdam

Dr. ALETTA H. JACOBS

En

F. S. VAN BALEN-KLAAR

VROUWENKIESRECHT

HOOFDSTUK I.

INLEIDING.

"De afgevaardigde, die prijs stelt op zijn mandaat, moet bewust of onbewust, letten op hen, die bij de stembus invloed hebben, en het is onmogelijk dat de Kamer doorgaand even goed kan letten op de belangen van hen, die geen stem hebben."

_Van Houten._ Vragen des Tijds, 1881.

"Het is onmogelijk op onpartijdige wijze voor de belangen van het geheele volk te zorgen, als de Kamerleden niet de zekerheid hebben, dat alle deelen van het volk zich van hun standpunt uit door middel van het stembiljet in de Kamer kunnen uitspreken."

_Jhr. de Savornin Lohman._

Handelingen van de Tweede Kamer 1886/1887.

Deze twee uitspraken, door bekende Staatsmannen geuit, toonen duidelijk het belang van het kiesrecht voor den bezitter aan. Gemakkelijk zouden vele dergelijke uitspraken van buitenlandsche Staatslieden nog daaraan toegevoegd kunnen worden, uitspraken die allen op de een of andere wijze doen uitkomen, _dat de belangen van hen die geen kiesrecht bezitten, gerust kunnen worden verwaarloosd_, omdat de niet-kiezers op geenerlei wijze bij machte zijn de regeeringspersonen over die verwaarloozing ter verantwoording te roepen.

Wel is waar mag de afgevaardigde bij de uitoefening van zijn taak slechts letten op _het belang van den Staat_, wanneer hij zijn stem gebruikt tot het invoeren van nieuwe, of het afbreken van oude wetten en maatregelen, maar des heeren van Houten's uitspraak, hier boven afgedrukt, maakt het in korte woorden duidelijk, dat een Volksvertegenwoordiger, die prijs stelt op zijn mandaat, bewust of onbewust heeft te luisteren naar de wenschen zijner kiezers, dat hij die wenschen en belangen in de eerste plaats heeft te behartigen, omdat hij anders kans loopt bij de volgende verkiezing zijn zetel aan een ander te moeten afstaan. Men behoeft ook maar eenigen tijd de verslagen van de Tweede Kamer en Gemeenteraadszittingen te volgen, om voorbeelden in overvloed te hebben die bewijzen, dat de leden dier lichamen, die daar zitten om voor 's lands of gemeentebelangen te waken, daar in de eerste plaats--enkelen uitgezonderd--zorgen voor de belangen van hen, aan wie zij bij de stembus hun mandaat danken. Op _het belang_ dat de kiezer bij het kiesbiljet heeft, berust dan ook in alle landen elke kiesrechtuitbreiding.

De groote beteekenis van het kiesrecht voor de bezitters, vooral zoolang zij met uitsluiting van anderen, dit recht als een voorrecht bezitten, wordt door de bezitters maar al te goed begrepen. De tegenstand, dien meestal elke uitbreiding van kiesrecht van de zijde der kiezers ondervindt, vindt hierin zijn oorzaak. Men deelt een voorrecht niet graag met anderen, vooral niet als het daardoor steeds meer van zijn waarde inboet. Hoe beperkter toch het kiesrecht, des te grooter is zijn beteekenis. Uitbreiding van kiesrecht komt alleen dan tot stand, wanneer door een groot aantal niet-kiezers de uitbreiding dringend geeischt wordt en een of ander invloedrijke politieke partij, die dan in den regel niet aan het bewind is, zich er voor verklaart en later, als de regeering in hare handen komt, wel gedwongen wordt de gedane belofte na te komen.

In den regel wordt overal elke kiesrechtuitbreiding zoo lang mogelijk tegengehouden en wordt zij den regeerders als het ware afgedwongen. Herhaalde malen ging zoo'n afdwinging met brandstichten en bloedvergieten gepaard, of, zooals o.a. nog dit jaar in België geschiedde, gaat men tot een algemeene werkstaking over, die het land millioenen kost. Ons land heeft, dank zij den kalmen aard onzer landgenooten, nooit zulke heftige tooneelen voor een kiesrechtuitbreiding beleefd; ook hebben onze politici nooit tot het uiterste oogenblik gewacht, voor zij een nieuwe groep kiezers tot de stembus toelieten. Met langzaam tempo is het mannenkiesrecht in ons land steeds uitgebreid en staat thans het algemeen mannenkiesrecht hier voor de deur.

Elke uitbreiding van mannenkiesrecht maakt den toestand voor de vrouw slechter. Dit ligt voor de hand. Door het leger der kiezers, der machthebbenden, te versterken, maakt men de positie der uitgeslotenen machteloozer. Met voorbeelden aan de praktijk ontleend, is dit trouwens aantoonbaar. Niet alleen in andere landen is geconstateerd, dat elke uitbreiding van mannenkiesrecht de rechten der vrouwen heeft bekort en dat in de landen met algemeen mannenkiesrecht de wettelijke positie der vrouwen het slechtste is, maar ook voor ons land geldt dat--vooral met betrekking tot haar recht op arbeid, haar recht om in eigen onderhoud te voorzien--de vrouw, telkens als een nieuwe groep kiezers tot de stembus werd toegelaten, een deel van hare vrijheid moest inboeten. Zoo werd zij uit een heele reeks beroepen, waarin zij zich met moeite een plaats had weten te veroveren, verdreven en werden andere, nog vóór zij er kon binnentreden, wettelijk voor haar gesloten.

Maar ook, hoe meer de vrouw in haar strijd voor kiesrecht geïsoleerd staat, des te moeilijker wordt het voor haar dit recht te veroveren. Niet alleen moet zij dan steeds meer kiezers winnen voor haar eisch; moet zij een steeds grooter wordende schare mannen overtuigen, dat het in het belang is der maatschappij als "alle deelen van het volk zich door middel van het stembiljet kunnen uitspreken," maar zij vindt ook bij de Afgevaardigden in het Parlement niet zoo gemakkelijk gehoor, eensdeels omdat die heeren dan zooveel meer tijd noodig hebben om de grieven aan te hooren van hunne grooter groep kiezers, immers "de afgevaardigde die prijs stelt op zijn mandaat _moet_ letten op hen, die bij de stembus invloed hebben," anderdeels, omdat de steeds dringender wordende eisch naar uitbreiding der sociale wetgeving, dan nog meer tijd van de heeren zal in beslag nemen en er nog minder gemakkelijk toe zal worden overgegaan om de wetgevende machine voor een tijd lang stop te zetten, alleen om vrouwenkiesrecht in te voeren. En het is juist die sociale wetgeving, die de meeste vrouwen de oogen geopend heeft, om haar de waarde van het kiesbiljet te doen zien. De groote beteekenis die het kiesrecht voor den bezitter heeft, komt bij sociale wetgeving het duidelijkst aan het licht.

Wel wordt dikwijls door bezitters van het kiesbiljet beweerd, dat de niet-bezitters er een te groote waarde aan hechten, dat de macht er van schromelijk wordt overdreven, dat men door middel van het kiesbiljet geen wet tot stand kan brengen, of de invoering van ongewenschte maatregelen kan tegengaan, maar dezulken toonen alleen dat zij van hun kiesbiljet nog nooit een goed gebruik hebben gemaakt. Wanneer men het kiesbiljet uit een individueel oogpunt beschouwt en er een individueel gebruik van maakt, dan kan er geen groote kracht van uitgaan. Een enkel op zich zelf staand persoon kan met zijn kiesbiljet niet veel tot stand brengen. Eerst als een min of meer groote groep kiezers er een gezamenlijk gebruik van maken, komt de groote macht van het kiesbiljet duidelijk aan het licht. Om daarvan een goed voorbeeld te hebben, ga men slechts na wat de werklieden in ons land, sedert zij in 1887 voor een deel en in 1896 voor een grooter deel tot de stembus werden toegelaten, in dien betrekkelijk korten tijd met dat stembiljet reeds tot stand hebben gebracht. Vóór dien tijd was het alsof de regeering de belangen en behoeften der werkliedenklasse niet kende, en wat sterker is, het was alsof de werklieden zelve toen hunne belangen niet begrepen. Eerst na de werklieden, zij het dan nog slechts voor een deel, tot de stembus werden toegelaten, begonnen in ons land de vakorganisaties eenige beteekenis te krijgen. In organisatie, in een gezamenlijk optreden voor gezamenlijke belangen, wordt aan het kiesbiljet de kracht verleend. In zulk een organisatie kunnen gemeenschappelijke belangen onderling worden besproken en in duidelijk geformuleerde eischen worden belichaamd, die dan bij de stembus gewicht in de schaal leggen, omdat zij dan komen van een groote groep kiezers, die het gezamenlijk in de macht hebben om den afgevaardigde zijn zetel te doen behouden of hem te doen vallen. De reeks wetten en bepalingen, die de werklieden in ons land aan het bezit van het kiesbiljet danken, hebben tal van groote verbeteringen in hunne wettelijke en maatschappelijke positie aangebracht, terwijl zij aan dat bezit ook danken, dat de regeering en de gemeenteraden, waar die zelf als werkgever optreden, op weg zijn modelwerkgevers voor hen te worden.

Doch buiten en behalve deze tastbare voordeelen, die het kiesrecht met zich brengt, moet men er ook nog in anderen zin groote beteekenis aan hechten. Zoo bezit het een groote opvoedende kracht. Al heel spoedig ziet elke kiezer in, dat hij als alleenstaand persoon met zijn kiesbiljet niet veel kan uitrichten, en daarom gaat hij er toe over zich bij een bestaande organisatie aan te sluiten. En mocht hij zelf dit belang niet spoedig genoeg inzien, dan zijn de organisaties daar om hem er van te overtuigen, want elke organisatie wenscht een groot aantal leden, vooral als deze het kiesrecht hebben en bij de verkiezingen de macht der organisatie kunnen vergrooten. Het is natuurlijk hier niet de plaats om in den breede aan te toonen, waardoor het lid zijn van eene organisatie uit zich zelf al reeds opvoedend werkt. In het gezin kan men tot huiselijke deugden worden opgevoed, in het vereenigingsleven doet men meestal de indrukken op, die iemand tot een goed maatschappelijk mensch vormen. Het "allen voor een en een voor allen," dat zich verder moet strekken dan tot eigen familiegroep, leert men in hoofdzaak alleen buiten het gezin en het meest in het vereenigingsleven.

Men kan echter aan het kiesrecht ook nog eene symbolische beteekenis toekennen. Het kiesrecht stempelt den bezitter tot een vrij, een mondig burger. Het verheft hem boven zijn niet-kiesgerechtigden medeburger, die als geestelijk minderwaardige, niet in staat wordt geacht zijn kiesrecht naar behooren te kunnen vervullen.

Tot zulke niet-kiesgerechtigde burgers, tot zulke minderwaardigen in den lande, behooren in Nederland alle vrouwen. Toch mag daaruit niet de gevolgtrekking gemaakt worden, dat men de vrouwen in het algemeen geestelijk zoo minderwaardig beschouwt, dat men haar niet in staat acht het kiesrecht naar behooren te vervullen. Veeleer moet het niet-kiesgerechtigd zijn worden toegeschreven aan het feit dat de vrouwen, door den ontwikkelingsgang der maatschappij, buiten het politieke leven zijn geraakt en dat er tot voor betrekkelijk korten tijd geen sterke drang uitging van de vrouwen om er weder in te worden opgenomen.

Wel waren er in de laatste eeuwen in alle landen vrouwen, die inzagen van welk groot belang het voor de vrouw en de maatschappij was als mannen en vrouwen samen de belangen van den Staat regelden, maar dit waren altijd op zich zelf staande personen, die er niet in slaagden genoeg geestdrift te wekken om vereenigd voor dit recht te gaan strijden. Voor een deel was dit een gevolg van de toen bestaande maatschappelijke toestanden, die zoo geheel anders waren als nu; de vrouw was daardoor te veel aan haar huis gebonden om zich met zaken, het algemeen belang betreffende, veel in te laten. Toch hebben in het laatst der 18e eeuw reeds een aantal Fransche vrouwen, onder leiding van de schoone, later onthoofde, _Olympe de Gouges_, eenigen tijd zeer krachtig voor vrouwenkiesrecht gestreden. Uit dien tijd dateeren ook twee geschriften, de een van den Franschen Staatsman, _Condorcet_, die even als in zijn vlugschrift ook in het Fransche Parlement de toelating der vrouwen tot de stembus op zeer deugdelijke gronden verdedigde; de ander van _Mary Wollstonecraft_, die in Engeland voor de rechten der vrouw een zeer krachtig schriftelijk pleidooi hield. Beide geschriften zouden nog door de verdedigers der politieke rechten der vrouw met vrucht kunnen worden aangehaald.

Toch moesten er blijkbaar nog andere dingen gebeuren om de vrouwen te doen inzien dat zij tegenover de maatschappij verplicht waren, medezeggenschap te verlangen bij het maken der wetten. En zoo duurde het tot het midden der 19e eeuw alvorens er ergens een georganiseerde vrouwengroep voor hare politieke ontvoogding begon te strijden. Amerika ging voor. Het waren vrouwen, strijdende voor de afschaffing der slavernij, die het eerst hare machtelooze positie voelden, zoolang zij allen rechtstreekschen invloed op de wetgeving misten. Deze vrouwen en zij die den oorlog aan de alkohol-dranken verklaard hadden, wisten genoeg bezieling te wekken om den indruk van de eerste openbare vergadering voor vrouwenrechten, die in 1848 te Seneca Falls gehouden werd, blijvend te maken. Uit de eerste strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Amerika zijn de namen van _Lucretia Mott_, _Lucy Stone_, _Elisabeth Cady Stanton_ en _Susan B. Anthony_ het best bekend.

Na Amerika volgde weldra Engeland. Het waren de gruwelen in den Krimoorlog, door _Florence Nightingale_ aan het licht gebracht, en later het lijden en de ontberingen in den opstand in Britsch-Indië geleden, waardoor de oogen van sommige vrouwen in Engeland het eerst geopend werden voor het belang van invloed op het staatsbeleid. Later, toen in 1857 in het Engelsche parlement de wet op echtscheiding werd aangenomen, die nog van kracht is, waarbij een ongelijke maatstaf voor zedelijkheid voor man en vrouw werd afgekondigd, zoodat handelingen door de vrouw bedreven reden tot echtscheiding geven, terwijl diezelfde handelingen door den man ongestraft kunnen worden verricht, toen gingen op eens de oogen van vele Engelsche vrouwen open en zagen zij in, welk belang zij, ook voor eigen recht, bij het kiesrecht hadden. Van dien tijd af dateert de georganiseerde vrouwenkiesrechtbeweging in Engeland. In 1866 werd het eerste groote verzoek om invoering van vrouwenkiesrecht, door 1,499 vrouwen geteekend, bij het Engelsche gouvernement ingediend en in 1867 werd het eerste wetsvoorstel, tot invoering van vrouwenkiesrecht, in het Engelsche parlement besproken en met 73 tegen 196 stemmen verworpen.

Dat mijn, hier voren uitgedrukte bewering, dat met elke kiesrechtuitbreiding der mannen de rechten der vrouwen worden ingekort op feiten berust, blijkt uit de Engelsche geschiedenis duidelijk. In de 19e eeuw werd het kiesrecht van de Engelsche mannen drie keer uitgebreid, telkens werd het aantal kiezers ongeveer verdubbeld. Het was in 1832, 1867 en in 1884 en tegelijkertijd of kort daarna werden vrouwen eenige belangrijke rechten ontnomen. In 1835 werd door invoeging van het woord "mannelijk" het kiesrecht voor de gemeenteraden, hetwelk de vrouwen vóór dien tijd bezaten, haar ontnomen. In 1894 verloren zij het recht als "eigenaars" bij verschillende aangelegenheden te stemmen en in 1899 verloren zij het recht om in armbesturen te zitten. In 1902 ontnam men haar het recht om in schoolbesturen te worden gekozen. Na een zwaren strijd hebben zij nu al deze rechten herwonnen, maar de vele wetten, die in dien tijd aangenomen zijn, waarbij vrouwen uit vele beroepen gehouden of anderen voor hen gesloten worden, zijn legio en niet zoo gemakkelijk te niet te doen.

Langen tijd waren Amerika en Engeland de eenige landen waar de Vrouwenkiesrechteisch gehoord werd. Onder de Europeesche landen behoort Nederland tot een der eerste landen, die dit voorbeeld volgden. Ook in ons land ging de eerste eisch tot uitbreiding van mannenkiesrecht gepaard met het ontnemen van dit recht aan de vrouw. De voorstellen tot grondwetswijziging in 1881 ingediend, waarin de eisch voor het uitgebreider mannenkiesrecht was geformuleerd, gaven tevens aan om dan in elk artikel met betrekking tot kiesrecht en verkiesbaarheid voor het woord "Nederlander" het woord "mannelijk" te plaatsen en ook daar waar het woord "Nederlander" door het woord "ingezetene" is vervangen. Door deze bijvoeging toonde men duidelijk aan, dat bij de oude grondwet de vrouw niet van het kiesrecht was uitgesloten en dat Burg. en Weth. van Amsterdam, het Kantongerecht in Amsterdam en de Leden van den Hoogen Raad in den Haag, onwettig handelden, toen zij in 1883, toen nog de oude grondwet van kracht was, afwijzend beschikten op een verzoek om op de kiezerslijst geplaatst te worden van eene vrouw, die aan alle eischen, aan een kiezer gesteld, voldeed. Bij de oude grondwet waren de vrouwen niet van het kiesrecht uitgesloten, zij verloren dit recht bij de eerste groote uitbreiding van mannenkiesrecht.

Toch duurde het nog tot 1894 alvorens in ons land eene vrouwenkiesrechtvereeniging tot stand kwam. Het waren eenige leden van de Vrije Vrouwenvereeniging die de mannen en vrouwen samenbrachten, door wie in den aanvang van 1894 de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht werd gesticht. Deze vereeniging die nu bijna 20 jaren gewerkt heeft om de vooroordeelen te overwinnen, waarmede elke nieuwe beweging te kampen heeft, bezit thans bloeiende afdeelingen over heel het land en telt hare aanhangers bij duizenden.

Op dit oogenblik zijn er in alle werelddeelen en in bijna alle landen van Europa vereenigingen, die strijden voor invoering van vrouwenkiesrecht, en die aangesloten zijn bij den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. Alleen in Spanje, Griekenland en Perzië zijn de vrouwen met hare organisaties nog niet zoo ver om zich bij den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht te kunnen aansluiten, maar het is toch bekend dat ook daar reeds vele vrouwen samenwerken om invloed te krijgen op het staatsbestuur.

Deze, thans in alle landen geuite, wensch der vrouwen om aan den regeeringsarbeid deel te nemen, vindt zijn grond in hoofdzaak in de tegenwoordige taak der regeeringen. Bij de sociale wetgeving, die thans overal aan de orde is, wordt ten eerste de onderlinge verhouding der menschen wettelijk geregeld en ten tweede beweegt de regeering zich daarbij op een terrein, waar van oudsher de werkkring der vrouw lag. In beide gevallen willen de vrouwen recht van medespreken hebben. Zij meenen dat waar bijv. de verhouding geregeld wordt van werkgever tot werknemer, de vrouwelijke deelnemers aan den arbeid mede gehoord dienen te worden; dat waar de verhouding van man tot vrouw of van ouders tot kinderen geregeld wordt, de vrouw als echtgenoote of moeder dient mede te spreken; zij voelen het als een groote onrechtvaardigheid dat in zulke gevallen de verhouding éénzijdig geregeld wordt, door aan een van de beide partijen het recht van medezeggenschap eenvoudig te onthouden.

En waar de regeering zich tegenwoordig bemoeit met het verzorgen van ouden, armen en zieken, met kinderbescherming, kinderopvoeding en kindervoeding, met wetten voeding en huisvesting betreffende en nog tal van andere moederlijke bemoeiingen meer, daar meent de vrouw, dat zij zich de haar opgelegde taak op aarde, er de moederrol te vervullen, niet verder uit handen mag laten nemen. Het ligt toch voor de hand dat de vrouwen, die van oudsher zich met al deze zaken hebben belast, die daarvoor eene roeping gevoelen en die zich ter wille van dit werk hebben laten terugdringen van andere arbeidssferen, zich verplicht gevoelen om bij de wettelijke regeling er van de moederstem te laten medespreken.

De woorden, waarmede de heer Carl Bonde, Bisschop van de Luthersche Kerk te Stockholm, tijdens het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht aldaar in 1911, zijne rede over dit vraagstuk eindigde, dat "de tijd voor invoering van vrouwenkiesrecht reeds lang is gekomen en de regeeringen in alle landen met deze invoering niet meer te vroeg maar wel te laat kunnen komen," verdienen in parlementen ernstig overwogen te worden.

Vóór men op het gebied van sociale wetgeving verder gaat, dient men eerst de vrouwen het kiesrecht te geven.

HOOFDSTUK II.

HET BELANG VAN HET KIESRECHT VOOR DE ONGEHUWDE VROUW.

Wanneer men met anderen, hetzij mannen of vrouwen, spreekt over de wenschelijkheid van de invoering van vrouwenkiesrecht, dan wordt vrij spoedig toegegeven, dat althans de ongehuwde vrouw, die haar eigen brood verdient, aanspraak zou mogen maken op het bezit van het stembiljet. Laat mij er terstond bijvoegen dat men dan gemeenlijk het oog heeft op de vrouwen uit den beschaafden stand, die in eene ambtelijke betrekking, of in de z.g. vrije beroepen werkzaam zijn. De reden waarom men aan die categorie van vrouwen het kiesrecht zou willen geven, berust voor het grootste deel op het rechtvaardigheidsgevoel.

Waarom ook niet?

Waar bij post en telegrafie, in de regeeringsbureaux, ten stadhuize, op belastingkantoren, de vrouwelijke ambtenares werkt naast haar mannelijken ambtgenoot, waar de leerares naast den leeraar, de onderwijzeres naast den onderwijzer voor de klasse staat, daar springt wel allereerst de billijkheid in het oog van den wensch om bij gelijke opleiding,--dus gelijke bekwaamheid--ook dezelfde staatkundige rechten te bezitten.

Nog sterker sprekende voorbeelden zijn, van dit gezichtspunt uit beschouwd, aan te voeren.

Wanneer men de vrouw uitsluit van het bezit van staatkundige rechten, omdat zij niet de noodige bekwaamheid tot de uitoefening daarvan zou bezitten, dan komt men tot de volgende dwaze tegenstellingen.

Daar is de directrice van een Hoogere Burgerschool voor meisjes, die dus aan het hoofd staat van een groote onderwijsinrichting, eene betrekking waarvoor veel studie werd vereischt, en voor de vervulling waarvan allerlei andere bekwaamheden, als menschenkennis, tact, organiseerend talent, enz. worden verlangd. Als het er echter op aankomt een lid voor den gemeenteraad of een volksvertegenwoordiger in de Tweede Kamer te kiezen, dan acht men den concierge van hare inrichting daartoe beter geschikt dan haar, alleen omdat hij een man is!

Daar is de vrouwelijke arts. Jaren van ernstige studie heeft zij moeten doormaken, en vele menschenlevens worden aan hare bekwaamheid toevertrouwd. Doch als er bestuurders van stad en land moeten worden gekozen, dan geeft men haar koetsier, die het loon dat hem tot kiezer maakt, bij _haar_ verdient, daartoe het recht, terwijl _zij_ mag toezien.

Nòg sterker komt de inconsequentie welke men begaat door de vrouw van het kiesrecht uit te sluiten, uit in het volgende geval.

In ons land zijn reeds verscheidene vrouwelijke rechtsgeleerden toegelaten tot de balie, en oefenen de rechtskundige praktijk uit als advocaat en procureur. Door hare studie hebben zij natuurlijk groote kennis opgedaan omtrent onze wetgeving en alles wat daarmede in verband staat. Zij treden in de rechtszaal op, om de belangen te verdedigen van hare cliënten, waaronder natuurlijk ook menigmaal mannen zijn. Van hare bekwaamheid en kennis hangt het voor vele menschen,--waaronder ook weer mannen--af, of zij een proces zullen winnen of verliezen, of zij tot een kleine of groote straf zullen worden veroordeeld, of wel in vrijheid gesteld. Doch men staat aan diezelfde vrouwelijke rechtsgeleerden, aan wie toch zooveel ernstige zaken worden toevertrouwd, niet toe, invloed te hebben op wetgeving en regeering, alweder om haar _vrouw_-zijn, terwijl haar minst ontwikkelde mannelijke cliënt, omdat hij nu eenmaal een _man_ is, wèl wordt in staat geacht om de volksvertegenwoordigers te helpen kiezen.