Vrouwenbelangen Drie vraagstukken van actueelen aard

Chapter 5

Chapter 53,811 wordsPublic domain

Langzamerhand legt zij zich evenwel bij het onherstelbare neder en tracht zich te troosten met de gedachte, dat het toch ook wel aardig is, weldra bij broêrtje een zusje of bij zusje een broêrtje te hebben. Zij behoeft nu ook voor no. 2 niet zooveel onkosten te maken daar de kleêrtjes van no. 1 bijna alle nog dienst kunnen doen, en zoo nadert van lieverlede het moment der geboorte en gevoelt de moeder elken dag sterker ook voor het volgende kind hare moederliefde ontwaken.

Maar haar eersteling, kon die ons eens verstaanbaar maken wat in dat kleine hartje moet omgaan als het begreep hoeveel het daardoor te kort komt. Had dit kind niet het recht de moederborst te ontvangen tot het in staat was ander voedsel gemakkelijk te verteren? Door de aangekondigde komst evenwel van broêrtje of zusje weigerde de moederborst de noodige voedselafscheiding. Het zwakke spruitje moest gespeend worden en met kunstvoedsel worden groot gebracht. Als het tweede kindje er is dan wordt zijn plaats aan moeders borst ingenomen door zijn opvolger en nog alleen bij tijd en wijle als broêrtje of zusje slaapt, heeft moeder tijd hem te troetelen, te liefkozen als weleer. O moeder, ik ben zeker als uw eersteling een stem in dezen zou gehad hebben, het zou u gesmeekt hebben te wachten met het broêrtje of zusje tot hij ten minste groot genoeg was om een deel van uwe teedere zorgen te kunnen missen. Alleen zelfs uit liefde voor uw eersteling hadt gij moeten zorg dragen dat een volgende bevruchting niet reeds zóó spoedig kon plaats vinden.

Laat ons echter het jonge gezonde echtpaar volgen dat zorgeloos het leven doorschrijdt en het aan het toeval, of laat mij thans de bij zoo velen geliefde uitdrukking gebruiken, het aan de natuur overlaat, het aantal hunner kinderen te bepalen. Alsof het van zelf spreekt wordt no. 2 spoedig gevolgd door 3, 4, 5 enz.

Als no. 1 juist groot genoeg is om aan vader's hand zijne eerste wandeling te maken en de vader reeds geniet bij de gedachte om in den naderenden zomer des zondags met vrouw en kinderen naar buiten te kunnen gaan; moeder met het kleintje op den arm, hij met zijn oudste aan de hand, ontwaart de moeder dat het weder "mis" is. Thans snelt zij haar echtgenoot niet met gloeiende wangen op den drempel hunner woning te gemoet om hem toch snel deelgenoot te maken van haar zoet geheim, want zij weet het maar al te goed, dat deze tijding thans eene teleurstelling voor hem is. Zij tracht integendeel haar vrees nog wat te verbloemen en op zijne vragen dienaangaande antwoordt zij, "dat het nog niet zoo zeker is, zij kan zich in de voorteekenen nog wel bedriegen."

Hij ziet het echter maar al te goed in en zijn "in godsnaam vrouw, no. 3 zal ook wel groot worden," klinkt heel anders dan de ingehouden juichkreet toen zij hem de komst van hun eerste kind aankondigde. En zoo komt vervolgens 4, 5 en 6 en telkens wordt de teleurstelling grooter, telkens wordt opnieuw na elke geboorte de verzuchting geslaakt, "och, mocht het nu maar hierbij blijven."

Wij weten allen wel, nu zij er eenmaal zijn willen vader en moeder ook niet een van dat troepje missen en no. 6 valt, voorzoover het mogelijk is, dezelfde ouderliefde te beurt en wordt met dezelfde zorgen groot gebracht. Maar vóór zij er waren? Hun komst werd niet met innig verlangen te gemoet gezien, hun geboorte werd met een zucht begroet en waren zij niet verschenen, niemand zou hen gemist hebben. Arme stumperdjes, wier verschijning ongewenscht was!

Wat is er onderwijl van het huisgezin geworden? Wie herkent in deze door zwoegen en zorgen en ongeregelde nachtrust afgetobde vrouw, het jonge, levenslustige meisje van voor eenige jaren?

Zij had zich in haar verlovingstijd het huwelijk anders voorgesteld. Zij had zich een Eden op aarde gedroomd. In hare verbeelding zouden zij en haar man de avonden na gedane dagtaak wijden aan geestelijke ontwikkeling; zij zouden samen lezen, de kwesties van den dag samen bespreken, openbare vergaderingen bezoeken en des zondags heerlijke wandelingen in de vrije natuur maken. Hij zou haar mededeelen hoe zijne kameraden op kantoor of werkplaats dachten over dit of dat maatschappelijk vraagstuk en samen zouden zij trachten zich een eigen oordeel er over te vormen.

"En als er dan eens een klein huisgenootje kwam," waagde hij schuchter op te merken; o, maar dat zou immers hun geluk verhoogen! Wat zouden zij het liefhebben, wat zouden zij het troetelen, het met zorg bewaken, welk een goede opvoeding zouden zij het geven! Het zou meer leeren dan zij, langer en beter scholen bezoeken, opdat het later goed beslagen op 't ijs kwam en het den strijd om het bestaan gemakkelijker kon voeren dan zij!

Hadt gij hen op dat oogenblik het beeld der werkelijkheid voor oogen gehouden, hoe zouden zij geschrikt zijn. Want, komt de man des avonds van zijn werk tehuis, dan vindt hij eene vrouw die "_op_" is; zij interesseert zich niet voor de kwesties die zijn hoofd bezig houden, zij is te vermoeid om zich ook maar één oogenblik in te denken in de zaken van algemeen belang. Wie zou het haar kwalijk nemen?

Laat ik slechts vertellen hoe zij haar 8jarig huwelijksleven doorbracht. _Zes_ kinderen schonk zij in dien tijd het leven; dit beteekent, dat zij in die acht jaren tijds zes keeren negen maanden zwanger was, zes kraambedden doorstond en zes kleine kinderen had te verzorgen. Den geheelen dag sloofde zij zich af, nooit kreeg zij voldoende rust, nooit geregelde slaap. Van uitspanning is thans geen sprake meer, want afgezien van het feit, dat haar de middelen daartoe ontbreken, zou zij er toch te vermoeid en te lusteloos voor zijn. Aan de toekomst durft zij niet denken, daar zij nog geen 30 jaren oud is en haar nog een heele reeks van jaren hetzelfde lot te wachten staat. Is het te verwonderen dat haar soms de moed ontzinkt, als zij bedenkt dat zij met elk nieuw kraambed meer kans loopt haar leven er bij in te schieten en haar kinderen dan in vreemde handen moet achterlaten? Bij zoo'n vrouw is ten slotte alle energie, alle geest uitgedoofd. Zij heeft nooit gedaan werk en hoewel man en vrouw beiden de wrange vruchten plukken van hun vooroordeel, onkunde of onverschilligheid omtrent de leer der willekeurige beperking van het kindertal, op _haar_ hoofd vallen toch de wreedste en hardste slagen als gevolg van beider roekeloosheid.

Toen zij verloofd waren hadden zij uitgerekend van het inkomen van den man een aardig huishoudinkje te kunnen onderhouden, want zij was netjes en zuinig. Zij zou wel zorgen van dat geld goed voor den dag te komen en nog trachten elke week wat over te houden, opdat hun kinderen, misschien wel twee of drie, later een goed vak konden leeren en een klein sommetje zouden vinden om in de wereld wat vooruit te komen. Warm en veilig wilden zij het nestje bouwen, waarin hun lievelingen ontvangen zouden worden. Hoe staan echter thans de zaken? Het eerste jaar kon niets overgespaard worden, alles was noodig voor het uitzetje van de eersteling en voor de extra-uitgaven van bevalling en kraambed. Met no. 2 was reeds een kleine bezuiniging noodig geworden en zoo ging het voort, totdat met 3, 4 en 5 langzamerhand de vader afstand moest doen van eenige genotmiddelen en de moeder zelfs het hoog noodige versterkende voedsel moest missen.

Het oudste knaapje dat men zoo'n veilige toekomst had willen bereiden, zal reeds zoo spoedig mogelijk van school moeten worden genomen, om met zijn kleine kinderhandjes de wekelijksche inkomsten te helpen vergrooten. Zijn jeugd, die zonnig en vroolijk had zullen zijn, bracht hem niets dan ontbering. Van zijn eerste jaar af was hij reeds de oudste, en elk jaar schoof er eentje onder en ondervond hij daarvan mede de treurige gevolgen. Moeder had hoe langer hoe minder tijd om hem nog eens te liefkoozen en naar zijn aardig gesnap te luisteren en zijn kinderlijke spelen werden telkens onderbroken, omdat hij broertje of zusje zou wakker maken. Slechts zelden mocht hij zijne dartele vroolijkheid botvieren, want er was altijd een, waarvoor het hinderlijk was. Zijn voedsel, zijn kleeding, het bestond alleen in het allernoodzakelijkste en zijn onderwijs was zeer gebrekkig omdat hij zoo dikwijls de school moest verzuimen om moeder van dienst te zijn of op de kleintjes te passen. En zóó worden gaandeweg de broertjes en zusjes allen grooter en naar fabriek of werkplaats gezonden op een leeftijd, waarop zij nog zoo noodig en zoo gaarne met hun makkers op de schoolbanken hadden plaats genomen.

Hadden dezelfde menschen slechts één of twee kinderen in die jaren verwekt, dan hadden die goed kunnen gevoed, gekleed en geregeld naar school gezonden worden, zoodat ook hun toekomst voor zoover dit te berekenen is, gewaarborgd was. Zij zouden dan maatschappelijk en zedelijk een heel wat hooger standpunt ingenomen hebben.

Het hier geschetste ouderenpaar bleef in het bezit zijner kinderen, wat ook indien zij eenmaal geboren zijn, meestal gewenscht wordt; in het dagelijksch leven treedt echter in zulke gezinnen de wreede dood dikwijls onbarmhartig tusschenbeide. De groote kindersterfte die reeds jaren lang hoofden en gemoederen van vele menschenvrienden heeft bezig gehouden, vindt in die snel elkaar opvolgende geboorten haar voornaamste oorzaak. Er zijn wel is waar nog andere oorzaken waaraan het moet worden toegeschreven dat jaarlijks zoovele kinderen sterven nog vóór zij het 1e levensjaar bereikt hebben, maar de talrijkheid van het gezin moet als voornaamste worden aangemerkt. Deze oorzaak werkt, evenals bijv. het alkoholisme der ouders, zoowel direct als indirect de kindersterfte in de hand. Niet alleen toch worden ten gevolge daarvan de krachten van het kind reeds vóór de geboorte ondermijnd en is het daardoor niet bestand tegen de gevaren die het eerste levensjaar bedreigen, doch zij is tevens bevorderlijk aan andere oorzaken der kindersterfte. Ik noem slechts als zoodanig de ellendige wonings- en voedingstoestanden, slechte verzorging der zuigelingen, ondoelmatige kleeding, gemis aan zindelijkheid enz.

De moeder dient daarom zorg te dragen dat geen nieuwe bevruchting kan plaats vinden alvorens zij haar oude krachten herwonnen heeft, voordat de zoogperiode geheel verstreken is en het kind oud genoeg is om haar weder geregelde nachtrust te laten genieten. Zorgt zij daarvoor niet dan zullen hare krachten te sterk afnemen en zoowel voor haar zelf als voor haar volgende kinderen zullen de nadeelige gevolgen hiervan niet uitblijven.

Dat hierop nu enkele uitzonderingen bestaan en allen in hun midden wel een of ander groot gezin zullen weten aan te wijzen, waarvan de kinderen oogenschijnlijk gezond zijn, doet aan het feit, dat het te snel elkaar opvolgen der geboorten de voornaamste oorzaak der groote kindersterfte is, geen afbreuk. Daarvoor wijzen de statistieken te duidelijk aan dat de kindersterfte in die landen, en in ons land in die provinciën betrekkelijk het grootst is, waar het aantal geboorten per echtpaar het talrijkst is.

Bepaalde ik mij tot hiertoe tot een gezond paar ouders, ouders die voor zoover zij weten geen overerfelijke ziekten in zich omdragen, en trachtte ik aan te toonen dat het alleen een gevolg van onnadenkendheid, vooroordeel of onverschilligheid moet zijn, als zij handelen in lijnrechten strijd met hun belang en dat hunner kinderen door in eene zoo belangrijke kwestie hun rede niet te laten spreken; anders, erger wordt dit verzuim indien de ouders niet gezond zijn, indien de vader of de moeder lijdende is aan eene ziekte die hetzij direct op de kinderen overgaat of hen "belast" ter wereld doet komen. "Belast" wil zeggen, dat zulke kinderen den aanleg hebben om bij de minste aanleiding dezelfde of een aanverwante ziekte te krijgen als die der ouders. Zoolang er nog geen wettelijk verbod bestaat, rust op ouders met overerfelijke kwalen de zedelijke plicht te zorgen dat hun huwelijk kinderloos blijft. Zij weten dat zij kans hebben alleen aan zwakke, ziekelijke wezentjes het levenslicht te schenken; wezentjes die alleen in de wereld schijnen te komen om hier eenigen tijd een kommervol bestaan te voeren en de som van ellende te vergrooten.

Een sterk sprekend voorbeeld van dien aard levert het mij van nabij bekend ouderenpaar, waarvan de vader lijder is aan longtering en de moeder aan elf kinderen het leven schonk. Tien er van gingen heen nog vóór zij hun tiende jaar bereikt hadden. De oudste bleef tot nog toe in leven. Deze zoon is thans de twintig jaren gepasseerd en zweeft aanhoudend tusschen leven en dood. Voor elke kleine hygiënische fout wordt hij gestraft met dagen--soms wekenlange--bedlegerigheid, en hoesten, benauwdheden, bloedspuwingen zijn aan de orde van den dag. Ongeschikt als hij is voor elk handwerk, zou hij gaarne zijne zwakke krachten wijden aan kantoorwerk; doch waar mag men hem plaatsen? Door zijn aanhoudend hoesten en opgeven bezwangert hij elk lokaal waar hij zich eenigen tijd ophoudt met de smetstoffen zijner ziekte en stelt daardoor de andere aanwezigen bloot aan besmetting.

Welk een bron van nameloos lijden heeft dat echtpaar veroorzaakt. Steeds koesterden zij voor een korten tijd de ongegronde hoop een kind te zullen krijgen dat levensvatbaar was en altijd weder opnieuw moesten zij ervaren dat het stumperdje dat geboren werd zwak en teer was, te zwak, te teer om de stormen des levens te kunnen trotseeren. Na een korten tijd van angst en hoop zagen zij het steeds heengaan aan de gevolgen van dezelfde ziekte, die zich nu eens openbaarde op deze, dan eens op andere wijze. Doch de kinderen, niets anders dan ellende was hun deel en de eenige troost die zij achterlieten was, "dat nu goddank hun lijden uit was." Hoeveel verdriet en zorgen en hoe weinig vreugde leveren onder zulke omstandigheden kinderen op.

In zulke gevallen dienen de ouders te worden gewaarschuwd, indien zij het zelf niet weten, dat de kans voor hen zeer gering is om gezonde kinderen te krijgen. Verregaand zelfzuchtig wordt het verwekken van kinderen, wanneer reeds vooraf kan vastgesteld worden dat voor dezen de levenskans gering en levensgeluk een onmogelijkheid zal zijn. Toch zien wij dagelijks mannen en vrouwen huwen en kinderen krijgen die daarvoor ten eenenmale ongeschikt verklaard hadden moeten worden.

Bezaten wij reeds thans een juiste voorstelling van hetgeen te dezen opzichte zedelijk of onzedelijk is, dan zou het zonder twijfel als een onvergeeflijke misdaad worden aangemerkt wanneer lichamelijk of geestelijk zieke menschen kinderen het aanzijn geven. Wij leven echter nog in het stadium der maatschappelijke en zedelijke wanbegrippen, waarin de ouders van een ziek en abnormaal kroost ons medelijden in plaats van onze veroordeeling opwekken. Men doet nog alsof men niet wist dat kinderen, lichamelijk, geestelijk en zedelijk met de eigenschappen hunner ouders en voorouders ter wereld komen. Nog kort geleden werd hier te Amsterdam de openbare liefdadigheid ingeroepen voor een gezin van zes kinderen, waarvan volgens de circulaire de moeder idioot is en de vader aan longtering was gestorven.

Voor een ander gezin werd de offervaardigheid gevraagd met den volgenden oproep:

"Een braaf huisvader, sinds 10 jaren lijdende aan een ongeneeslijke kwaal, is niet meer in staat een enkelen penning voor vrouw en kinderen te verdienen. Wie beschrijft de ellende, de nijpende armoede, de kommervolle omstandigheden, waarin zich dit ongelukkig gezin bevindt. De man, zijn vrouw en zes kinderen, waarvan het oudste nauwelijks 10 jaren is, aanstarende en niet in staat hun honger te stillen, wel kalm eigen lijden dragende, maar vertwijfeld over de toekomst van het gezin, waarvan hij voorheen de zorgzame man en vader is geweest."

De ongeneeslijke kwaal bleek bij onderzoek tering te zijn. Zonder nu de aandacht te vestigen op het schandelijke van het feit, dat een man die teringlijder is huwt en kinderen verwekt, wordt juist het groot aantal kinderen als motief gebezigd om medelijden op te wekken en de vader voorgesteld als "een braaf huisvader!"

In een ander mij bekend gezin waren de twee eerste kinderen doofstom geboren. In plaats van toen te zorgen dat geen nieuwe bevruchting kon plaats vinden, was de begeerte om ook een gezond kind te hebben grooter dan het gevoel van medelijden voor het komende spruitje dat immers weder de kans had als abnormaal wezen geboren te worden. En toen ook het derde doofstom bleek, werden de ouders beklaagd in plaats van gelaakt.

Nu meene men niet dat zulke voorbeelden alleen voorkomen bij onontwikkelde menschen; zelfs personen die hooger onderwijs genoten en tot de wetenschappelijke élite willen gerekend worden, maken zich tegenover hun kinderen en de maatschappij aan zulke zedelijke dwalingen schuldig. In een dusdanig gezin, alwaar de man ernstig zenuwlijder is en de vrouw erfelijk belast met tuberculose meent men geen gruwelijk onrecht te plegen met het kweeken van een nageslacht, en waarschijnlijk eischen zulke ouders later nog dankbaarheid van hun kinderen, omdat zij dezen het leven schonken.

De verantwoordelijkheid die men op zich laadt met het verwekken van kinderen wordt blijkbaar door de meeste mannen en vrouwen zeer licht geteld. Men vraagt er niet naar of men zedelijk het recht heeft zich te reproduceeren en beschouwt het als een van zelf sprekend feit dat elke nieuwe geboorte een aanwinst is voor de maatschappij. Onbekendheid met de zedelijke verplichting van elk individu tegenover zijne nakomelingen en tegenover de maatschappij kan zulke daden wellicht verontschuldigen, doch wat te denken van hen die deze plichten niet durven ontkennen en toch door hun stilzwijgen zulke dwalingen helpen bestendigen? Iedereen heeft het recht om te leven, doch daarmede is niet toegestemd dat iedereen ook het recht heeft nieuwe levens te verwekken. Deze beschouwing die geheel in mijn betoog past, ontleen ik aan een der hoofdstukken van John Stuart Mill's "Political Economy".

Was hetgeen ik vooraf deed gaan waarschijnlijk reeds genoeg om de noodzakelijkheid aan te toonen, dat de vrouwen kennis nemen van de beginselen waarvan de voorstanders der facultatieve steriliteit uitgaan, er bestaat nog een andere kant van het vraagstuk waarop ik hier nog even uitdrukkelijk wil wijzen.

De verheffing der vrouw tot een economisch onafhankelijk individu hangt met deze kwestie nauw samen.

De economische onafhankelijkheid is immers zooals ik in het eerste hoofdstuk uiteenzette het fundament waarop een nieuwe zedenleer, die hooger staat dan de oude, moet worden opgebouwd. "De economische onafhankelijkheid der vrouw zal voor het eerst het hoogste menschelijke verbond mogelijk maken, door de vereeniging van man en vrouw te baseeren op zuivere liefde, die boven elke verdenking van dwang of elke smet van koopwaar verheven is," verklaart Karl Pearson terecht in zijn "Ethic of Freethought", terwijl Dr. Havelock Ellis in zijn "Evolution in Sex" zegt: "de veranderde positie der vrouwen, door economische onafhankelijkheid verkregen, zal zeker strekken om de teeltkeus in hare werkelijke waarde voor de menschelijke ontwikkeling te herstellen." Verder zegt hij:

"Zoodoende zal het zeker ook leiden tot vernietiging der prostitutie, die maar één van de vormen is, waarin de geslachtsverhouding uit zijn natuurlijke baan geweken is. Overal waar de teeltkeus vrij spel heeft, niet door economische overwegingen belemmerd wordt, daar is prostitutie onmogelijk. De overheerschende type van het huwelijk is, evenals bij prostitutie, gegrondvest op stoffelijke belangen; de vrouw huwt dikwijls alleen om haar levensonderhoud te verdienen; wij kunnen hierin zeker ook diepgaande wijzigingen verwachten. Wij hebben lang gezocht om het sociaal evenwicht te behouden met in de eene schaal eene onredelijke vrijheid te leggen en in de andere een even onredelijke onthouding; de economische onafhankelijkheid der vrouwen zal strekken om beide uitersten onnoodig te maken, zij kan de sexueele verhouding weder op een gezonde en vrije basis brengen."

Hoe kan echter een vrouw economisch onafhankelijk zijn, indien haar huwelijksleven slechts een aaneenschakeling is van moederplichten en moederzorgen, als zij al haar geest, talent of kennis laat verstikken onder de overmaat harer vruchtbaarheid? Zoo'n vrouw is in den regel slechts de voortbrengster, niet eens de opvoedster harer kinderen. Is dat niet te betreuren? Wij weten immers maar al te goed hoe groot de invloed kan zijn door eene verstandige moeder op de karaktervorming van haar kind uitgeoefend. Wie kan beter dan zij met zulk een lieve teederheid de kleine zwakheden van een kinderziel doorgronden en door vroegtijdig aangewende maatregelen verhoeden dat zij tot karakterfouten aangroeien? Wie kan zoo goed als zij het dwalende kind behoeden tegen de gevaren die het omringen als het zich ontwikkelt tot man of vrouw? Wie kan beter dan de moeder de kinderziel opvoeren tot een hooger leven?

Maar hiervoor is naast teederheid en moederliefde eene zekere mate van geestelijke ontwikkeling en tijd noodig en wat komt van beide terecht als de moeder van haar 20e tot haar 45e jaar, de schoonste jaren van haar leven, opgaat in het onbeperkt voortplanten? Velen zijn wel is waar van meening hiermede een daad van maatschappelijke beteekenis te verrichten, genoegzaam opwegend tegen elken anderen socialen arbeid, doch nemen wij kennis van de verschillende inzichten der staathuishoudkundigen over dit vraagstuk, dan zien wij dat dit nog lang niet zeker is. Alleen in het allergunstigste geval, dat man en vrouw volkomen gezond zijn en, want ook daarop komt het aan, in staat hun kinderen goed op te voeden, kan het van maatschappelijk belang zijn als zulk een gezin zich uitbreidt. Maar dan nog dient, in het belang van het nieuwe geslacht, tusschen iedere geboorte genoegzaam tijd te verloopen, opdat de moeder niet te veel van haar krachten inboet en genoeg tijd overhoudt om ook de opvoeding van haar kinderen zelf te kunnen leiden.

Die gunstige gevallen behooren evenwel helaas tot de uitzonderingen en er zullen nog vele geslachten na ons moeten komen, voordat alle ellende is overwonnen veroorzaakt door het tot dusver bijna algemeen gevolgde systeem van een roekeloos kweeken van zieke individuen. Want met onze tegenwoordige begrippen van de huwelijkswaarde der vrouw, een huwelijkswaarde die maar al te dikwijls schuilt in de brandkast van den vader, blijven vele gezonde, krachtige vrouwen ongehuwd en als gevolg daarvan kinderloos, terwijl een menigte zwakken en ziekelijken onder hen voor de voortplanting worden bestemd.

De economische onafhankelijkheid der vrouw evenwel loopt voorloopig ook nog groot gevaar indien de gezonde vrouwen te veel kinderen krijgen. Het valt niet te ontkennen dat het meerendeel der vrouwen, zelfs de meest ontwikkelden en nuttigst werkzamen onder haar een verlangen, een drang gevoelen naar het moederschap, (voor een deel, wel is waar, een gevolg van een bewuste of onbewuste behoefte aan geslachtsgemeenschap) een drang waaraan echter meestal met het bezit van een of twee kinderen is voldaan.

Zoodra het evenwel een uitgemaakte zaak zal zijn dat het een maatschappelijk voordeel is om gezonde ouders sterk te laten voortplanten, zou het denkbeeld om de moeder van zulk een kroost door den Staat te subsidieeren, ten einde daardoor haar onafhankelijkheid te kunnen bewaren, spoedig ingang vinden. Tot wij echter zoover zijn, zullen de vrouwen in eigen onderhoud en voor zoover zij moeder wenschen te worden voor een deel ook in dat hunner kinderen moeten kunnen voorzien.

In onze steeds zich vereenvoudigende wijze van huishouden vindt de moeder van een of twee kinderen voldoenden tijd voor geestelijke ontwikkeling, geestelijke verheffing en om tegelijkertijd door betaalden arbeid een onafhankelijke positie in de maatschappij en in het gezin te verwerven.