Vrouwenbelangen Drie vraagstukken van actueelen aard
Chapter 4
Zoodra zij in een bordeel aangeland was, bemerkte zij geen meester meer te zijn over zich zelve. Toen zij begon te sukkelen hoopte zij naar het ziekenhuis gestuurd te worden, maar zij werd eenvoudig aan een bordeelhouder in een andere stad overgedaan. Zoo ging zij gedurende zes jaren van hand tot hand, om eindelijk in Groningen aan te landen, waar zij, toen ten slotte haar lichaam alle dienst weigerde in het ziekenhuis terecht kwam. Dat zij het ziekenhuis niet eerder zou verlaten dan om grafwaarts te worden gedragen, was haar een troost.
Met mijne bewering dat de meeste vrouwen op ongeveer gelijke wijze ten val worden gebracht en geen enkele uit eigen vrijen wil zich aan prostitutie overgeeft, sta ik niet alleen. Bijna allen die van de prostitutiekwestie een studie hebben gemaakt deelen die opvatting.
Dr. Muller, een duitsch medicus, schrijft in zijn bekend werk, [12] "Men denkt er intusschen niet aan, te spreken over de oorzaken, waardoor zooveel ongelukkige wezens ten val gebracht werden, men let er niet op hoe gering hunne verantwoordelijkheid, hoe groot die der gansche maatschappij of van eenige harer snoodste leden is, en toch is dit het punt, waartegen de aanval moet gericht worden. Een doeltreffende handelwijze ten aanzien der prostitutie is slechts mogelijk, indien men daarbij nauwlettend het oog vestigt op de factoren, die haar veroorzaken en bevorderen: de bordeelhouders, koppelaarsters, enz. Spreke men over die zielverkoopers ook het strengste vonnis uit, over de door hen verleide meisjes zij het oordeel ten minste menschelijk."
De heer Koentz schrijft in zijne brochure, [13] "Maar even als verschillende oorzaken vaak samenwerkten ter bevordering der ondeugd, zoo ook vond het ontuchtig leven der vrouwen dikwerf zijn oorsprong, òf in de opvoeding, òf in de armoede, òf in andere oorzaken, waarvan het individu vaak de schuld niet was. Velen van haar waren jong en schoon, zonder behoorlijk toezicht en, aan zich zelven overgelaten, vervielen zij tot een ontuchtig, zwervend en eindelijk armoedig leven, dat hen drong, omdat zij elders werden afgewezen, eene vaste woning te zoeken, die alleen in de huizen der ontucht te vinden was." En dan vraagt hij later, "Maar tracht de menschlievendheid dan niet, die ongelukkigen, welke de slachtoffers der armoede en der verleiding waren, uit dien gevallen staat op te heffen?" en
Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt: [14] "dat het onmogelijk is om, zoolang bordeelen worden toegelaten, te beletten, dat vrouwen òf eenvoudig opgelicht, òf door allerlei listen in bordeelen gelokt en gehouden worden, vrouwen die, bestonden de bordeelen niet, misschien nooit zich aan prostitutie zouden hebben overgegeven." En later [15]: "Velen zouden er minder lichtvaardig toe overgaan een vrouw te verleiden, wanneer zij gevaar liepen eventueel voor de opvoeding van een kind te moeten zorgen. Nu daarentegen kunnen zij vrij zondigen, zonder dat zij behoeven te vreezen ooit daarover langs rechterlijken weg te worden lastig gevallen. Dat de prostitutie dientengevolge wordt bevorderd, behoeft geen betoog."
Dr. Combet, oud-officier van gezondheid in het Fransche leger, oud-lid van den Gemeenteraad van Lyon, komt ook in zijn talentvol geschreven boekje, [16] tot de conclusie dat het verbod tot onderzoek naar het vaderschap een voorname oorzaak is van de telkens nieuw aankomende slachtoffers in het kamp der prostitutie. En daarbij noemt hij dan nog armoede, slecht betaalde vrouwenarbeid en verleiding als andere oorzaken.
Zonder verder aan te halen wat schrijvers uit verschillende landen als oorzaken opsommen, waardoor meisjes tot prostitutie vervallen, wil ik eenvoudig resumeeren dat bijna allen het er over eens zijn dat verleiding en misleiding van arme onbeschermde meisjes de voornaamste oorzaken zijn en daarna armoede en slechte omgeving.
Talrijk zijn de voorbeelden in de litteratuur over dit vraagstuk van vrouwen, die door armoede gedreven, ten einde raad, zich prostitueeren.
Een Hoofdcommissaris van Politie te Brussel zegt in zijn rapport over de prostitutie aldaar [17]: "dat hij dikwijls onder de prostituées vrouwen ontmoet, die eerst alle phasen van armoede en ellende doorloopen hebben en door de onmogelijkheid om van de opbrengst van haar arbeid te leven, tot deze ondeugd vervallen."
Waar zoo de feiten spreken vraagt Ds. H. Pierson van Zetten terecht: [18] "wie geeft u (mannen) het recht aan uwe ontembare lusten de dochters der armen op te offeren?"
Door welke beweegredenen worden dan toch deze voorstanders der instandhouding van bordeelen en reglementeering geleid, wanneer zij zoo oordeelen in strijd met alle menschelijkheid en recht? Die vraag is niet moeielijk te beantwoorden. Zij meenen veelal dat de opheffing der bordeelen de geheime of clandestine prostitutie, dat is de prostitutie die zich heimelijk onttrekt aan het toezicht der overheid, zal bevorderen, terwijl zij de bordeelen uit een gezondheidsoogpunt minder gevaarlijk achten dan de geheime prostitutie. Zij willen de reglementeering, waarvan de "keuring" hoofdbestanddeel uitmaakt, handhaven, omdat zij onderstellen dat daardoor de kans om met de smetstof der venerische ziekten in aanraking te komen, vermindert.
Nog maar weinige jaren geleden waren het in hoofdzaak moralisten en juristen die, op zedelijkheids- en rechtvaardigheidsgronden tegen de reglementeering in het algemeen opkomende, ook deze meening bestreden. Langzamerhand voegde zich daarbij een steeds grooter wordend aantal doctoren, die geen geloof meer slaan aan de beteekenis der reglementeering in het algemeen en der bordeelen in het bizonder, als veiligheidsmaatregel.
"Dat het opheffen der bordeelen de clandestine prostitutie zal doen vermeerderen is eene banale gevolgtrekking, die de een den ander naspreekt", zoo concludeerde Dr. Blooker als lid van de zoo even reeds door mij genoemde commissie, in zijn rapport aan den Gemeenteraad van Amsterdam.
Nergens ook heb ik, bij al de voorstanders der bordeelen eenig bewijs aangetroffen, waarmede zij hunne meening in dezen konden staven. Daarentegen hebben anderen aangetoond en ik haal hier nogmaals aan van Dr. Voûte in het Amsterdamsch rapport: "dat de bordeelen niet noodig zijn, om de wilde hartstochten der jeugd een uitweg te verschaffen, maar dat zij de kweekplaatsen zijn der meest liederlijke geslachtsbevrediging voor oudere gezeten burgers en vaak getrouwde mannen."
Dr. Voûte moest uit de resultaten van zijn onderzoek verkregen, tevens de conclusie trekken dat, "in de bordeelen volkomen slavernij heerschte, dat het lot der vrouwen er hoogst treurig, ja menschonteerend bleek", en dat deze armen "de bordeelen niet kunnen verlaten, omdat zij diep in de schulden steken, tengevolge van de ongehoorde sommen, die zij voor alles moeten betalen en het ongelooflijk karig loon, dat zij genieten." Op voorstel van genoemde commissie besloot dan ook de gemeenteraad van Amsterdam het vorig jaar het houden van bordeelen te verbieden.
Laat mij thans, om de waarde der keuring te bepalen, twee geneesheeren uit Rotterdam citeeren, de doctoren Broes van Dort en Rietema die, ofschoon principieel voorstanders der keuring, niettemin naar aanleiding van een in 1897 door Dr. van Staveren ingediend voorstel bij den Rotterdamschen gemeenteraad, tot verbod van het houden van bordeelen, het volgende als hunne overtuiging hebben uitgesproken: "dat het geneeskundig toezicht op de prostitutie alleen nut kan en zal afwerpen, wanneer daarbij aan de strengste eischen der wetenschap wordt voldaan en op de diagnose der ziekte onmiddellijk kan volgen een opneming in een ziekeninrichting met behandeling zoo langdurig als die toestand van ieder geval vereischt."
Met deze heeren meen ook ik dat eene reglementeering der prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt, alleen nut kan hebben, als zij aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt, doch tevens ben ik van oordeel dat nergens een reglementeering is door te voeren die aan die eischen voldoet en dat men met een gebrekkig geneeskundig toezicht, zooals het overal bestaat, waar men met deze oude sleur nog niet heeft durven breken, een vertrouwen schept dat misplaatst is en daardoor juist bevordert wat men met dit toezicht wil voorkomen.
Prof. Chanfleury van IJsselstein, een autoriteit op dit gebied, die niet alleen een tijdlang in den Haag controleur van de keuring der publieke vrouwen was, maar later als professor in huidziekten aan de Universiteit van Amsterdam voortdurend in aanraking was met de slachtoffers der prostitutie stelt ook eischen aan eene goede keuring, die onmogelijk zijn door te voeren. Hij eischt bijv. dat de vrouwen minstens eens per dag gekeurd moeten worden en dat niet alleen de zieken, maar ook die van ziekte verdacht worden, afgezonderd moeten worden. Er zou dus eigenlijk geen enkele overblijven. Hij komt zelf tot de conclusie "dat een volkomen vertrouwde publieke prostitutie onbestaanbaar is." [19]
Men mag trouwens over een _goede_ keuring denken zoo men wil, in 't algemeen zijn zij, die met deze zaak van nabij bekend zijn het er vrij wel over eens, dat de keuring, zooals die hier te lande wordt uitgeoefend in de gemeenten waar zij nog wordt gehandhaafd, niet meer dan eene schijnvertooning is, die, mag zij al eenige sterk sprekende exemplaren uit den strijd verwijderen, voor 't overige meer nadeel dan voordeel berokkent ook voor degenen in wier voordeel zij heet te geschieden.
Deze uitspraak eischt misschien eenige toelichting. Velen zullen waarschijnlijk meenen, dat dan toch die erge zieken een tijdlang worden afgezonderd en ten minste in dien tijd geene besmetting kunnen overbrengen. Dit is waar, maar de vele anderen die óók ziek zijn en die niet worden afgezonderd, omdat zij de verschijnselen hunner ziekte hebben weten te verbergen, òf waarvan de doctoren, met het onderzoek belast, de ziekte niet konden ontdekken en constateeren, òf die onmiddellijk na het onderzoek door een zieken man besmet worden, òf, maar laat mij deze reeks niet verder uitbreiden, er zijn nog heel wat andere redenen, waarom de prostituées uit een gezondheidsoogpunt gevaar opleveren voor elkeen die met haar in aanraking komt, zonder dat zij door den keurenden dokter gelast worden zich af te zonderen.
Mannen, die vertrouwen dat de bestaande keuring hen vrijwaart voor besmetting, gaan er gemakkelijker toe over bordeelen te bezoeken. Bestond de keuring niet, velen zouden uit vrees voor besmetting zich wel ter dege bedenken, eer zij tot dien stap besloten. Daarom maakt de overheid, die zulke verordeningen vaststelt zich zoo schuldig, want zij verwekt daarmede bij de burgers een misplaatst vertrouwen en biedt hun een waarborg aan, dien zij niet kan geven. Bovendien verleenen zulke verordeningen aan dit maatschappelijk kwaad eene wettelijke sanctie, die het in menig oog verheft tot een onmisbare instelling.
Ik zal niet dieper in de zuiver hygiënische zijde van dit vraagstuk treden, maar liever nog een oogenblik stilstaan bij de vraag, wat kunnen de vrouwen in dezen doen om verbetering aan te brengen?
In de eerste plaats is daarvoor noodig, dat wij ons ontworstelen aan het van jongs af ingeprente denkbeeld, dat prostituées menschen zijn die men niet anders dan met diepe verachting moet bejegenen; dat zij niet zijn als wij; dat liefde, genegenheid, smart, ellende voor hen vreemde gewaarwordingen zouden zijn; dat wij hen eigenlijk als onze grootste vijandinnen hebben te beschouwen. Zij zouden onze zonen verleiden, hun hartstochten prikkelen, hun gezondheid vernietigen, elk edel, groot, heilig gevoel in hen dooden, jeugdig verwelkte mannen van hen maken. Zij zouden ons geluk verwoesten door onze echtgenooten van onze zijde weg te rukken, ons hunne liefde ontrooven.
Wij moeten beginnen met deze wanbegrippen over boord te gooien en die misdeelden te beschouwen als de slachtoffers van maatschappelijke misstanden en van onze eigen tekortkomingen.
Als wij onzen plicht te allen tijde gevoeld en daarnaar gehandeld hadden, zouden wij reeds lang een andere phase der maatschappelijke ontwikkeling zijn ingetreden.
Wij veroordeelen immers nog steeds het verleide meisje en beschouwen haar als te slecht om zelfs onze dienstmaagd te zijn, terwijl de jonge man, die haar misbruikte er even vriendelijk door ons om ontvangen wordt en wij geen bezwaar hebben hem in onze familie op te nemen. Zelfs de gehuwde man waarvan wij weten dat hij zich in dit opzicht schuldig maakt aan ergerlijke feiten wordt door ons verontschuldigd; wij verheerlijken hem zelfs, indien hij daarop wegens andere eigenschappen aanspraak maakt, bij zijn leven en na zijn dood. Vergevensgezind treden wij op voor den man, die door wetten en instellingen allerzijds gesteund wordt, daarentegen onthalen wij op haat en verachting het zwakke meisje dat door machtsmisbruik viel en wie door valsche begrippen van zedelijkheid geen uitweg geboden wordt.
Wie kent niet het schoone gedicht van Victor Hugo, gewijd aan het gevallen meisje? Het beeld door hem geschetst vinde hier een plaats. Het jonge onschuldige meisje vergelijkt hij bij een helderen dauwdrop op een rozeblad. Een wreede hand rukt ruw aan den stengel en het dauwdropje valt op den grond. Nog ligt het daar vreemd aan zijne omgeving, onvermengd met het slijk om zich heen. Een zonnestraal kan het nog doen schitteren, een voorzichtige hand kan het nog redden van zijn ondergang. Het arme gevallen dauwdropje echter kan zich alléén niet oprichten, het heeft daarvoor hulp noodig. Maar menschen komen en gaan en trappen onbewust het dauwdropje dieper in den grond en maken het tot slijk.
Zoo ook gaat het in de samenleving. "Het is niet zoozeer de schuld van de verworpenen dat zij verworpen zijn, de zedelijke maatschappij is het die daaraan het grootste aandeel heeft," zijn maar al te ware woorden van James Stansfeld, in het Engelsche parlement gesproken.
Het is in onze macht het opkomend geslacht beter begrippen dan de tot nu toe gehuldigde in te boezemen; daartoe hebben wij reeds vroeg met onze kinderen te spreken over de mysterien van hun bestaan, opdat zij een gezonde, ware voorstelling krijgen van het geslachtsleven en opdat zij leeren in hun moeder de aangewezen en vertrouwde vriendin te zien, die hun al het raadselachtige oplost, waarmede zij hun hoofden kwellen, vooral in den tijd der puberteitsjaren, den overgang naar geslachtsrijpheid. Daardoor voorkomen wij dat verkeerde vrienden die teêre taak van ons overnemen en de hoofden en harten van onze lievelingen vullen met onreine voorstellingen eener meestal overprikkelde phantasie; daardoor ook zijn wij in staat iederen verkeerden invloed, iedere slechte neiging tijdig tegen te gaan en onze kinderen behulpzaam te zijn hun zwakheden te overwinnen.
Onzen zonen hebben wij in te prenten dat hun zusters hun gelijkwaardigen, in zelfverloochening en karaktergrootheid dikwerf hun meerderen zijn; dat zij op geen enkele vrouw minachtend mogen neerzien; dat de arme verworpelingen die zij des avonds in de straten ontmoeten, eens meisjes waren als hun zusters; dat zij, die thans ziekte en verderf om zich heen verspreiden, onder beter maatschappelijke toestanden een goede echtgenoote en gelukkige moeder hadden kunnen zijn. Wij moeten hun er op wijzen, dat, zoo zij hopen eenmaal het middenpunt van een gelukkig gezin te worden, zij dan even rein moeten blijven als de bruid die zij als levensgezellin wenschen. Wij dienen hun te waarschuwen dat een enkel zwak oogenblik in het geslachtsleven over hun toekomst kan beslissen, dat hun gezondheid, hun gemoedsrust, hun zelfwaardeering daardoor verwoest kunnen worden en zij daarover dan levenslang berouw zullen gevoelen.
Van onze dochters moeten wij krachtige, zelfstandige personen vormen, bekwaam om in eigen onderhoud te voorzien; laten wij haar tegen den strijd des levens wapenen met kennis en fierheid, opdat zij nimmer liefde veinzen als het hart niet spreekt; laten wij haar verachting inboezemen voor den man die zijn macht misbruikte tegenover haar zusters, opdat zij nimmer in verzoeking komen de medeplichtigen te worden van zulk een ellendeling.
Maar meer nog valt er voor ons te doen. Al de mannen die openlijk tegen de prostitutie te velde trekken, ook de meest conservatieven onder hen zien in haar bestaan mede het gevolg van de wettelijke geringschatting der vrouw. Het strijden voor gelijke rechten naast gelijke plichten voor man en vrouw in de wetgeving, zal dus mede voor ons een onafwijsbare taak zijn. En waar wij zagen dat armoede en gebrek vele vrouwen in de armen der prostitutie voert, ligt het op onzen weg tegen elken maatregel die vrouwenarbeid bemoeilijkt of buitensluit met nadruk te protesteeren en tegen het lager bezoldigen van arbeid, omdat hij door vrouwen verricht wordt, krachtig onze stem te verheffen.
Dat wij niet mogen rusten voor en aleer het schandelijk art. 342 Burg. Wetboek, waarbij het onderzoek naar het vaderschap verboden wordt, is opgeheven, behoeft na hetgeen voorafgaat, niet opzettelijk te worden betoogd.
Maar wel ten slotte nog een woord geuit tot opwekking van sympathie voor het meisje uit de volksklasse, het kind der armen. Vereenigd moeten wij over haar waken, teneinde op ons niet toepasselijk worden de woorden van een zooeven reeds geciteerden schrijver "dat het meisje uit de volksklasse naar de gangbare begrippen omtrent zedelijkheid, de treurige onderscheiding in dezen te beurt valt van op minachting en veroordeeling te mogen rekenen der vrouwenwereld, in plaats van op medelijden en pogingen tot redding."
Wij vrouwen moeten het ons tot plicht stellen vereenigd er voor te waken dat de politie nimmer beslag op haar kan leggen, want daardoor kan voorkomen worden dat alle eergevoel in haar gedood wordt.
De hier te lande bestaande en te Rotterdam gevestigde vereeniging: "Onderlinge Vrouwenbescherming" is in deze richting werkzaam en verdient daarvoor aller sympathie en steun.
III.
WILLEKEURIGE BEPERKING VAN HET KINDERTAL.
Besprak ik in het voorgaande opstel een delicaat vraagstuk, dat, hetwelk wij hier onder de oogen hebben te zien is van niet minder kieschen aard. Toch mag het niet onbesproken blijven, aangezien de vrouwenbelangen van zeer nabij betrokken zijn bij de kwestie of de vrouw, eenmaal gehuwd, het aantal harer kinderen door het toeval zal laten bepalen, dan wel of zij, naar de omstandigheden die het geluk van haar gezin beheerschen, dat aantal zelf zal regelen.
Voor wie de daad van den met rede handelenden mensch hooger stelt dan die van iemand, die als het redeloos schepsel zijn lot door het toeval laat beslissen, levert het hier gestelde alternatief geen moeielijkheid op. Het vraagstuk van zoo eenvoudigen aard, moest dan ook eigenlijk geen nadere toelichting behoeven, doch de gangbare moraal huldigt ten opzichte van alles wat het geslachtsleven betreft voor iemand met eene moderne levensbeschouwing zoovele wanbegrippen dat nader uiteenzetting niet achterwege kan blijven.
De economische zijde van dit vraagstuk is ongetwijfeld van zeer groote beteekenis, zij raakt de stoffelijke welvaart van een volk in zijn geheelen omvang en maakt een onderwerp van studie uit van alle staat- en staathuishoudkundigen. Velen onder hen zijn van oordeel dat het belang der maatschappij medebrengt dat de bevolking slechts matig toeneemt en steeds gelijken tred houdt met de toeneming der middelen van bestaan; anderen meenen dat in de oude landen de bevolking geruimen tijd stationnair moest blijven om zoodoende den algemeenen levensstandaard te verhoogen, terwijl nog anderen voor dat doel eene daling van het bevolkingscijfer voorstaan. Daartegenover staan zij die vermeerdering der bevolking gelijkstellen met vermeerdering van productievermogen en daarom in den volksaanwas niet het minste gevaar zien.
Deze zijde van het vraagstuk zal door de economen dienen te worden uitgemaakt; wij kunnen uit hun verschil van oordeel alleen de gevolgtrekking maken, dat het nog volstrekt niet zeker is dat het kinderbaren thans aan het maatschappelijk belang bevorderlijk is.
Naast deze algemeene zijde van het vraagstuk staat een meer bizondere, waarbij ook de vrouwenbelangen onmiddellijk betrokken zijn en dat daarom hier onze aandacht vraagt. Het ter wereld brengen van kinderen is een taak der vrouwen en zoover mijn geestesoog reikt zal dit ook wel steeds aan haar blijven toevertrouwd, want hoe verlicht de wereld ook nog eens zal worden of hoe gunstig men de maatschappelijke verhoudingen ook regele, dit werk zullen de mannen haar wel nooit uit handen nemen. Van daar dat voor de vrouwen, die de lasten verbonden aan zwangerschap en kraambed hebben te ondergaan, op wie bovendien de verzorging der kinderen rust dit onderwerp groote beteekenis heeft en zij de bespreking en beoordeeling van hetgeen er mede samenhangt niet aan de mannen alleen mogen overlaten.
Met een eenvoudig voorbeeld, aan het dagelijksch leven ontleend, zal ik trachten den invloed te schetsen, door onbeperkt moederschap op het gezin uitgeoefend.
Ieder weet dat in de meeste gezinnen het eerste kindje met de grootste blijdschap, met een gevoel van innig verlangen door het jonge echtpaar verwacht wordt. Hoe gelukkig gevoelt zich het jonge vrouwtje als zij de eerste teekenen van haar naderend moederschap ontwaart. Met hoeveel zorg maakt zij de kleedervoorraad voor haar kindje gereed, wat doet, wat laat zij dan niet alles, als het maar geschiedt in het belang van het komende spruitje. Dikwijls bekommert zij zich er over dat hare gebrekkige kennis omtrent voeding, kleeding en verzorging van zuigelingen haar verkeerd zullen doen handelen en overal tracht zij nog gegevens te verkrijgen om hare ontbrekende kennis aan te vullen. Met elken dag gevoelt zij meer de zorg en liefde in zich ontwaken voor het komende kindje en op het oogenblik dat het geboren wordt is de moederweelde sterk genoeg om haar al het doorgestane leed van zwangerschap en kraambed in een ommezien te doen vergeten, dan zoude zij zich in staat gevoelen nog meer te offeren voor het zalige moederschap. Zóó moet elk kind ontvangen worden! Geen kind moest ter wereld komen, waarvan de ouders niet met groote blijdschap, met innig verlangen de komst tegemoet zien. Te meer is dit van belang, wijl de gemoedstoestand van de vrouw gedurende het zwangerschaps-tijdperk van grooten invloed is op de geestelijke en lichamelijke vorming van het wordende kind.
Wat zien wij evenwel gebeuren? Nauwelijks is het jonge moedertje van het kraambed opgestaan en verheugt zij zich in het bezit van haar eerstgeborene of weldra wordt zij verontrust omdat reeds zeer spoedig een tweede lieveling op de komst is. Ofschoon zij het gelukkig vindt dat haar eerste kindje niet alleen blijft, zóó spoedig had zij het toch liever niet verwacht. Zij maakt zich terecht bezorgd, dat haar oudste nog nauwelijks een jaar kan zijn als no. 2 verwacht moet worden, dat deze dan reeds voor een wijl haar moederlijke zorgen moet missen, dan reeds op hare knie plaats moet maken voor zijn opvolger, en zij dan reeds hare zorgen moet verdeelen over twee lievelingen. Want o, zij voelt zich nog zoo zwak; wel doet zij haar uiterste best om na haar huishoudinkje en haar kindje goed verzorgd te hebben, nog opgeruimd genoeg te schijnen om haar man als hij van zijne werkzaamheden tehuis komt een vriendelijke ontvangst te bereiden en den avond in genoegelijk samenzijn te kunnen doorbrengen, doch zij gevoelt het maar al te goed, hare krachten zijn nog niet weder als vroeger. Zij had gehoopt, als haar kind wat ouder wordt en zij weder geregelde nachtrust krijgt dat dan de oude krachten wel terug zouden komen; doch nu is ook die hoop verijdeld.