Vrouwenbelangen Drie vraagstukken van actueelen aard
Chapter 3
Hiervóor merkte ik reeds op, dat men alleen van vrouwen spreekt als van prostituées; onze tweeërlei zedenleer betitelt de mannen, die voor de liefde betalen, met dien naam niet. Toch zal het geen betoog behoeven dat deze mannen, wat hun zedelijk gehalte aangaat, niet boven het peil der prostituées staan, ja menigwerf nog ver daar beneden blijven.
De hierbedoelde vorm van prostitutie vertoont zich in de maatschappij onder talrijke schakeeringen, die evenwel in hoofdzaak tot twee rubrieken teruggebracht kunnen worden en hoewel beide rubrieken soms ongemerkt in elkaar overgaan, leveren zij toch nog genoegzame teekenen van verschil op, om ieder afzonderlijk besproken te worden.
Zij zijn de zoogenaamde _vrije prostitutie_, als zelfstandig bedrijf uitgeoefend door een of meer te zamen wonende vrouwen, en de _gedwongen prostitutie_, uitgeoefend door vrouwen in dienst van anderen, die daarvan hun bedrijf maken.
De eerstgenoemden oefenen haar bedrijf uit op eigen risico en stellen zich niet voor iederen man en te allen tijde beschikbaar. Daaronder zijn er wederom die alleen haar bekende personen ontvangen, welke zich voor korter of langer tijd aan haar verbinden. Zijn deze laatsten daardoor, volgens sommigen, voor de algemeene gezondheid minder te vreezen, voor het karakterbederf der mannen waarmede zij in aanraking komen, leveren zij minstens evenveel gevaar op als de slachtoffers der gedwongen prostitutie.
Vroeger vormden deze vrouwen in de meeste plaatsen een op zich zelf staande kaste, die zich in kleeding, voorkomen en manieren onderscheidden van anderen; tegenwoordig is dit overal anders geworden. Zij vereenzelvigen zich thans met alle standen en nemen de manieren, kleeding, schijn van beschaving over van den kring, waarin zij zich gewoonlijk bewegen. De burgerlijke prostituée komt in evenzoovele schakeeringen voor als de burgerstand zelve aanbiedt en de nabootsing van het aristocratisch element is er evengoed vertegenwoordigd, als de typen uit de onderste en alleronderste lagen der maatschappij. Ook de zedelijkheidsladder heeft er hare verschillende treden. Vindt men op de bovenste sport slechts onvoorzichtigheid, onnadenkendheid, lichtzinnigheid, op de onderste kan men de meest ontaarde zedeloosheid waarnemen.
Ongemerkt langzaam gaan beide in elkaar over, ja meestal doorloopt dezelfde persoon van boven af al de treden, steeds dieper dalende.
Ik zal voor mijn opstel deze zoogenaamde vrije prostitutie verder laten rusten, na er alleen nog van gezegd te hebben dat ik opzettelijk spreek van "_zoogenaamde_" vrije prostitutie, dewijl de slachtoffers niet tot het behalen van voordeel door anderen voor het bedrijf worden geëxploiteerd, maar niettemin door opvoeding, onkunde, een buitenechtelijk geboren kind, armoede of maatschappelijke uitstooting aan hun vernederende levenswijze gebonden zijn.
Wat ik wil behandelen past in hoofdzaak alleen op de andere, hierboven reeds aangeduide nuance, _de gedwongen prostitutie_, die zoowel voorkomt in gemeenten waar de overheid het bestaan der prostitutie erkent en reglementeert, als waar dit niet geschiedt. Waar de overheid zich niet inlaat met eene regeling komt de gedwongen prostitutie weinig voor; daarentegen vertoont zij zich veel waar de overheid zich er wel mede inlaat, omdat doel der regeling is toezicht te houden op de gezondheid der prostituées en voor dat toezicht wenschelijk is, zooveel mogelijk concentratie dezer vrouwen in de woningen waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Het is juist in die woningen dat de _gedwongen_ prostitutie in den gruwzaamsten vorm welig tiert. Zoo werkt de wettelijke regeling der prostitutie toestanden in de hand, waarvan het bestaan door de meesten onzer te nauwernood wordt vermoed.
Bij den hierbedoelden vorm van prostitutie zijn meestal meerdere vrouwen vereenigd in daarvoor bekende huizen, publieke huizen of bordeelen genaamd, en elke man die binnentreedt en zijn zoenoffer in den vorm van een grooter of kleiner geldstuk brengt, moeten zij ter wille zijn. Hier is geen sprake meer van vrije keus bij de vrouwen, geen kwestie meer van onwil, zij staan in dienst van een meester of meesteres aan wiens of wier bevelen zij verplicht zijn te gehoorzamen, terwijl het geld dat zij daarmede verdienen en de geschenken die zij af en toe ontvangen, meestal het eigendom worden van den patroon.
In deze huizen treedt nog de slavernij in haar afschuwelijksten vorm op. In alle beschaafde landen is de slavernij, voorzoover zij het gekleurd ras betreft, afgeschaft, maar deze verlagende en onteerende vrouwenslavernij laat men nog toe.
Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt daarvan: "dat deze slavernij, die omdat zij in schijn plaats heeft met goedvinden der vrouw, niet begrepen kan worden, maar in werkelijkheid erger is, dan de bij art. 2 van het Burgerl. Wetb. verboden slavernij." [10]
Door allerlei listen en lagen worden arme, onbeschermde meisjes dikwijls gelokt in deze huizen, die zij dan niet of met de grootste moeite weder kunnen verlaten. Het onderzoek van de laatste jaren heeft zelfs aan 't licht gebracht, dat er door verschillende houders dier huizen en de zoogenaamde koppelaars een geregelde internationale handel in meisjes gedreven wordt. Men herinnert zich ongetwijfeld nog de ontzettende paniek die ruim een tiental jaren geleden veroorzaakt werd door de onthullingen in de Pall Mall Gazette van eene enquête naar de uitgebreidheid van dezen handel in meisjes.
Die enquête werd ingesteld naar aanleiding van de ontvluchting van een jong meisje uit een Londensch bordeel naar het hoofdkwartier van het Leger des Heils. Het onderzoek hierdoor aanhangig gemaakt, bracht feiten aan het licht van eene geregelde oplichting en handel in jonge meisjes, zóó gruwelijk, zóó barbaarsch, dat men zich niet kan voorstellen dat in een beschaafd land nog dergelijke feiten mogelijk zijn. Wel hebben verschillende Regeeringen en ook de onze na dien tijd maatregelen genomen om dezen handel zooveel mogelijk tegen te gaan, doch wat ons van tijd tot tijd ter oore komt doet ernstig twijfel rijzen aan de doeltreffendheid of ernstige toepassing dier maatregelen. Toen nog kort geleden te Amsterdam door een raadscommissie een onderzoek werd ingesteld naar den aard en omvang der aldaar bestaande prostitutie, in verband met een aanhangig voorstel om het houden van bordeelen te verbieden, rapporteerde Dr. Voûte, een der leden dier commissie, dat "het grootst aantal vrouwen (in die bordeelen) waren Fransche en Belgische en een enkele Duitsche; Hollandsche bijna niet." En dan voegt hij er aan toe, "Engelsche en Duitsche zijn moeielijk te krijgen, tengevolge van maatregelen door de resp. Regeeringen genomen. Hollandsche zijn weinig in trek." Hoe cynisch klinken zulke rapporten.
Doch deze arme, blanke slavinnen die als vee worden aangekocht, dikwijls herhaalde malen in handen van andere meesters overgaande en als uitschot der natie gebrandmerkt, zij zijn onwetend en onwillens haar eigen wrekers, die met woeker terugbetalen de hun aangedane vernedering, door verderf en ziekte ruimschoots uit te deelen aan degenen te wier behoeve zij geacht worden te bestaan. Bleven die ziekten, die uitsluitend een gevolg zijn van prostitutie, slechts beperkt tot hen die onmiddellijk met haar in aanraking komen, dan zou men er in kunnen berusten dat een gerechte straf aan een zedelijken misstap verbonden is.
Maar ongelukkig brengen zij ook de gezondheid en het leven in gevaar van vrouwen en kinderen, die in elk opzicht onschuldig zijn aan het gepleegde kwaad. Vrouwen, wier geheele leven smetteloos rein was, worden niet zelden besmet met de giftstoffen van syphilis of andere venerische ziekten door omgang met haar losbandige echtgenooten en brengen kinderen ter wereld die óf geen levensvatbaarheid bezitten en al ras weder wegkwijnen, óf een leven moeten voortslepen, belast met de zichtbare of voelbare straf voor den misstap des vaders.
Menigmaal verwondert men zich er over dat schijnbaar gezonde ouders een zwak ziekelijk kind voortbrengen, dat scrophuleus is, aan tuberculose sterft of het slachtoffer wordt van eene andere ernstige kwaal, terwijl de oorzaak ontwijfelbaar bij den vader kan gevonden worden.
Hoe dikwijls ook roepen sterke, gezonde meisjes kort na hun huwelijk de hulp van een geneeskundige in, omdat zij gaan kwijnen en niet gissen welk gevaarlijke woekerplant hun gestel ondermijnt.
Onder venerische ziekten verstaat men die ziekten die men door omgang met prostituées kan verkrijgen, daarvan is echter de syphilis de afschuwelijkste, de gevaarlijkste. Zij sloopt niet alleen het gestel van den aangetaste, maar zij is bovendien in hooge mate besmettelijk en overerfelijk, zoodat ook kinderen en zelfs kindskinderen er de gevolgen van ondervinden. Vele andere ziekten vinden in deze haar oorsprong. Konden wij de syphilis in haar geheel uitroeien, vele andere ziekten zouden met haar van de aarde verdwijnen.
Is het dan niet de plicht van den Staat om met alle hem ten dienste staande middelen zoo krachtig mogelijk op te treden, ten einde deze ziekte met wortel en tak uit te roeien? Hij treedt immers ook tusschenbeide wanneer het geldt de bestrijding van andere besmettelijke ziekten.
Wettelijke voorschriften verplichten ons tot het afzonderen van lijders aan roodvonk, diphteritis of andere infectieziekten, wij worden verplicht de kinderen ter voorkoming van pokken te laten inenten wanneer zij openbare scholen zullen bezoeken, tegen de verspreiding van cholera worden van overheidswege maatregelen genomen en toch, waar het geldt een zoo gevaarlijke ziekte als syphilis, daar houdt de Regeering zich onzijdig en laat toe, dat ieder gemeentebestuur in eigen kring deze zaak naar goeddunken al of niet regelt. Waaraan moet deze onthouding toegeschreven worden?
Op gezag van bekwame juristen, zou men de verklaring moeten zoeken in het feit, dat de Rijks-wetgever niet in staat is om, zonder ernstig inbreuk te maken op de persoonlijke vrijheid van den staatsburger, een wet uit te vaardigen, die paal en perk stelt aan de verbreiding der syphilis en andere venerische ziekten. Ik meen echter dat ook met Rijkswetten de verbreiding dezer ziekten niet zou worden tegengegaan. Daarvoor zijn zij te nauw verbonden met de prostitutie en zoolang deze wordt beschouwd als een _noodzakelijk_ kwaad, zoolang men nog slechts spreekt van middelen om de prostitutie te beperken in plaats van haar uit te roeien, zoolang zal de maatschappij wel opgescheept blijven met de gevolgen die zij na zich sleept.
Eenige gemeentebesturen van ons vaderland hebben gebruik gemaakt van de hun verleende vrijheid om voor hun gemeente een reglementeering der prostitutie in te voeren; een reglementeering die in hoofdzaak neerkomt op een geneeskundig toezicht op de prostituées en daarin bestaat, dat deze zich op bepaald daarvoor aangewezen dagen aan een medisch onderzoek moeten onderwerpen om te zien of zij lijdende zijn aan een of andere besmettelijke ziekte. Bijaldien zij ziek bevonden worden volgt eene ongeschikt verklaring om haar bedrijf uit te oefenen, tot tijd en wijle zij weder hersteld zijn.
De oningewijden noemen dit waarschijnlijk een wijze voorzorg en een praktische oplossing van het moeielijk vraagstuk. Zij zullen echter wel beseffen dat aan eene dusdanige reglementeering een keerzijde verbonden moet zijn, wanneer zij vernemen dat vele gemeenten, waaronder ook Amsterdam, zulk een reglementeering nimmer hebben willen invoeren of haar na korter of langer tijd hebben opgeheven.
De tweede stad des Rijks, Rotterdam, valt met eenige andere groote gemeenten de twijfelachtige eer te beurt, de reglementeering met toelating van bordeelen nog steeds te handhaven. Met toelating van bordeelen, schrijf ik, want ook over het toelaten of opheffen van die broeinesten van ongerechtigheid beslissen de gemeentebesturen.
Gelukkig verheffen zich in alle landen stemmen tegen de Regeering dat zij het bestaan van bordeelen erkent en toelaat en de reglementeering niet verbiedt. Het in 1877 hierover te Genève gehouden congres heeft aan deze beweging een krachtigen stoot gegeven. Sedert hebben zich overal bekwame juristen, moralisten, politici en medici geroepen geacht als bestrijders van reglementeering en bordeelen openlijk op te treden.
Het zoude mij te ver voeren wanneer ik al de bezwaren opsomde die deze strijders voor zedelijkheid en recht in 't midden gebracht hebben om de onhoudbaarheid aan te toonen van den huidigen toestand.
Vele vrouwen hebben waarschijnlijk nimmer de verordeningen gelezen, vastgesteld in steden waar een reglementeering der prostitutie bestaat, en weten daardoor niet dat in zoo'n gemeente iedere vrouw, zonder uitzondering aan de bepalingen in die verordening is onderworpen, zoodat eene vrouw, welke ook, die door een politieagent _verdacht_ wordt een prostituée te zijn, verplicht kan worden zich als prostituée te laten inschrijven en aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Namen de vrouwen van zulke gemeenten kennis van het reglement op de prostitutie, zij zouden als een aaneengesloten phalanx met verontwaardiging zich wenden tot het bestuur hunner gemeente met de vraag: "Met welk recht maakt gij zoo schandelijk inbreuk op onze vrijheid. Wie riep u om op te treden als handlanger der bordeelhouders en koppelaars; wie droeg u de taak op, om ten behoeve van mannen, die zich vrijwillig aan de prostitutie overgeven, gezonde vrouwen beschikbaar te houden?"
Als het de overheid waarlijk ernst was om de besmetting met venerische ziekten tegen te gaan, dan zou zij in de eerste plaats de gehuwde vrouw en het kind beschermen, die geheel onschuldig de slachtoffers worden van deze ziekten. Nimmer verplicht zij evenwel den man, zelfs niet den meest bekenden losbol, zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Al is hij nog zoo ziek, hij heeft het recht de gezond bevonden prostituée te besmetten, ja men laat hem kalm een onschuldig meisje huwen en haar evenals haar kinderen deelgenoot worden van zijn kwalen.
Prof. Fokker uit Groningen, Hoogleeraar in de gezondheidsleer, vergeleek de reglementeering eens bij groenvrouwen die ook uit hare manden met appelen de rotte verwijderen, opdat deze de anderen niet kunnen aansteken, [11] en deze vergelijking is later door vele voorstanders der reglementeering overgenomen. Hoe grenzenloos grof klinkt ons zulk een vergelijking in de ooren! En tot welk een vernederende gevolgtrekking strekt zij voor de gemeentebesturen, die zich schuldig maken aan het instellen en handhaven van zulke verordeningen. De prostituées zijn de koopwaar, in dit geval vergeleken bij de appelen, de gemeentebesturen zijn de koopvrouwen die de zieke exemplaren uitzoeken en verwijderen om zooveel meer koopers te lokken voor hun oogenschijnlijk gezonde waar!
Hiervóór merkte ik reeds op dat de voorstanders van bordeelen en reglementeering uitgaan van de veronderstelling dat prostitutie is een _noodzakelijk kwaad_ en dat de reglementeering dient om de schadelijke gevolgen er van zooveel mogelijk te beperken. Maar om de noodzakelijkheid van dit kwaad te kunnen vaststellen heeft men aangenomen, dat aan de physische behoeften van den man te allen tijde moet kunnen worden voldaan en dat daarvoor de prostitutie noodzakelijk is. Wie voelt hier niet het onlogische der gevolgtrekking? De mensch heeft behoefte aan voedsel, honger moet gestild worden, derhalve is diefstal van voedsel noodzakelijk, is de redeneering die Mrs. Annie Besant in haar werkje "_The legislation of female slavery in England_" er naast stelde.
Alsof de mannen geen menschen zijn, begaafd met vrijen wil en rede. Alsof zij aan de zucht tot paren geen weerstand kunnen bieden, wanneer zij weten dat zij, door toe te geven aan die zucht, zichzelf of anderen benadeelen. Zou de gezonde mensch dan gedwongen zijn te handelen tegen zijn belangen in? Zou er een fatum op hem rusten?
Niemand kan deze vragen bevestigend beantwoorden dan de aanhangers van de fataliteitsleer, geldende ook voor den normalen mensch.
Wij kunnen wel behoeften doen ontwaken door onzen zonen te leeren dat zij mogen toegeven aan opkomende neigingen; door hun in te prenten dat het onderdrukken van de geslachtsdrift noodlottig voor hen is; door hen op allerlei wijzen geringschatting voor vrouwen in te boezemen en als wij dan zoodoende slappe, krachtelooze, ontzenuwde, zieke mannen hebben gevormd, dan zal het hun zeer zeker moeielijk vallen weerstand te bieden aan ziekelijk verhoogde prikkelbaarheid, dan zal er bij hen geen sprake meer zijn van wilskracht, zedelijke grootheid zal dezulken een glimlach ontlokken en de eisch der vrouw om haar rechten te eerbiedigen zullen zij aanmerken als een ongepaste aanmatiging.
Liefde tot koopwaar verlagen, deze vorm van prostitutie behoeft niet te bestaan. De mensch heeft behalve zijn neiging tot voortplanting ook zijn rede, zijn verstand te zijner beschikking. Indien wij onzen zonen leeren, evenals wij dit immers onzen dochters doen, dat men zijn geslachtsdrift kan beheerschen en elk mensch zedelijk verplicht is dit te doen, wanneer er uit de voldoening nadeel ontstaat voor zich zelf of voor anderen, voorts dat mannen niet superieur zijn aan vrouwen, maar dat alleen door machtsmisbruik de mannen wettelijk en dientengevolge ook maatschappelijk die plaats hebben ingenomen en eindelijk dat vrouwen die als prostituées zijn gebrandmerkt ons medelijden, onze opbeuring verdienen en niemand haar mag misbruiken, zelfs niet wanneer zij zich door den nood gedwongen daarvoor aanbieden; wanneer dit eenige geslachten achtereen onzen zonen wordt ingeprent dan kunnen andere en betere toestanden niet uitblijven. Wij zullen dan gekweekt hebben een geslacht van mannen met gezonde neigingen, mannen die zoowel geestelijk als lichamelijk niet vóór hun tijd verwelkt zijn, terwijl hun verleden een open boek kan zijn voor hun jonge bruid. Hun kinderen zullen zij dan zonder gewetenswroeging in de armen kunnen sluiten en het zelfverwijt, de som van ellende willens en wetens vergroot te hebben, zal hen niet pijnigen.
Maar de zedelijk zwakken, zal men vragen; zij die door ziekelijken aanleg, slechte omgeving of verkeerde leiding zich niet kunnen bedwingen, is het voor hen niet noodzakelijk dat de prostitutie bestaat? Is het niet goed dat zij weten, waarheen zij zich begeven kunnen, wanneer de lust tot geslachtsbevrediging opkomt en eischt niet het algemeen belang dat de gevolgen voor hen zoo min mogelijk schadelijk zijn?
Alleen dus voor de zedelijk zwakken, de moreel zieken zou men een geheel leger ongelukkige vrouwen op de been moeten houden, wier leven ellendiger is dan dat van den grootsten misdadiger. Veracht door de geheele wereld, zelfs door de mannen die haar misbruiken, zijn zij zonder eenige bescherming overgeleverd aan de willekeur van de gewetenlooze individuen, die het beroep van bordeelhouder of -houdster uitoefenen. Verlaten, door iedereen vergeten, sterven zij meestal een afschuwelijken en vroegen dood. Wie voelt hier niet de bittere geringschatting voor het leven der vrouwen, de brutale aanmatiging der mannen!
Voor andere zedelijke zwakheden volgt men dit systeem van beschikbaarstelling niet. Wanneer iemand in drift een moord pleegt, dan wijst de overheid immers ook geen individuen aan op welke hij bij voorkomende gelegenheden zijn drift kan botvieren.
Doch aldus sussen de voorstanders van bordeelen en reglementeering hun geweten, wanneer dat af en toe gaat spreken: "het is immers de vrije keus der meisjes om opgenomen te worden in het heir der prostituées! Zij hebben immers vrijwillig hun eer en hun aanspraken op achting prijs gegeven, zij hebben uit vrije beweging zich geplaatst onder uitzonderingsbepalingen, die hen tot paria's stempelt."
Niets is minder waar dan dat! Geen vrouw die toerekenbaar kan geacht worden voor haar daden, laat zich vrijwillig inlijven bij deze verstootelingen.
Laat ik in korte trekken hier mededeelen hoe ik voor 't eerst zulk een vrouw leerde kennen, want later bleek mij dat de meeste prostituées ongeveer dezelfde levens- of liever lijdensgeschiedenis hebben. Op mij maakte dit geval een diepen indruk, waarschijnlijk omdat het mij voor het eerst een blik deed slaan in een wereld, waarvan ik te voren het bestaan niet vermoedde.
Het was gedurende mijn studietijd te Groningen, toen op zekeren dag in het academisch ziekenhuis aldaar een jonge vrouw werd opgenomen, die zeer ziek was en door haar lijdend, maar nog jong en mooi uiterlijk mijn aandacht trok. Toen haar ziekte den volgenden ochtend het onderwerp der academische les uitmaakte en ik door den hoogleeraar hoorde voorspellen dat de afloop binnen korten tijd doodelijk zoude zijn, toen rees voor mijn geest een geheel familie-drama op. Ik dacht aan een jongen treurenden echtvriend en aan wanhopende ouders die hun kind zoo vroeg moesten afstaan en niet eens haar laatste levensdagen konden bijwonen.
Al zeer spoedig merkte ik op dat niemand op de ziekenzaal eenige notitie van haar nam, nooit zag ik de oppasseres (beschaafde verpleegsters had men hier toen nog niet) of een der andere zieken met haar spreken.
Op de bezoekdagen, wanneer de andere patiënten hun familieleden en goede vrienden ontvingen, was het om haar krib leeg en eenzaam lag zij steeds met groote, doffe oogen voor zich uit te staren.
Op zekeren dag een oogenblik vrij hebbende sprak ik haar aan. Wantrouwend werd ik ontvangen, maar toen ik mijn bezoeken aan haar bed herhaalde en zij merkte dat het deelneming met haar lot was dat mij tot haar bracht, toen werd zij vertrouwelijker en deelde mij op mijn herhaald tot haar gerichte vraag,--of zij geen familieleden of goede vrienden in de stad had--haar leven mede.
Onderwijl had men mij van bevriende zijde gewaarschuwd, dat ik tot eene "publieke vrouw" sprak, eene mededeeling die geschiedde met de bedoeling om mij deze bezoeken te doen staken.
Het meisje was een Amsterdamsche wees, die tot haar 19e jaar in een der weeshuizen was opgevoed. Daarna werd zij bij een ouden heer en dame als dienstbode geplaatst. Zij bezat geen andere familieleden dan één getrouwden broeder, met wiens vrouw zij niet harmonieerde en er daardoor niet veel aan huis kwam.
Hoewel het leven haar in al zijn vroolijkheid toelachte, ging zij toch zeer weinig uit, omdat zij niemand had met wien zij kon gaan. Na eenige maanden gediend te hebben, ontmoette zij op een Zondagmorgen toen zij uit de kerk kwam een heer die haar reeds meermalen zijn bizondere aandacht had geschonken. Hij sprak haar aan en vroeg haar des avonds met hem naar den schouwburg te gaan. Ofschoon zij voelde te moeten weigeren, begrijpende dat zij niet goed deed met naar hem te luisteren, was de lust om dat groote gebouw eens binnen te gaan en een tooneelvoorstelling bij te wonen, waarvan zij zooveel gehoord, maar die zij nog nimmer gezien had, te groot dan dat zij kon blijven weigeren. Zij ging, kwam daardoor te laat in haar dienst terug en op haar aanhoudend schellen werd niet opengedaan.
De vriendelijke heer bood onmiddellijk zijn hulp aan, daardoor de gelegenheid vindende zijn prooi in één avond te bemachtigen, waaraan hij anders waarschijnlijk eenige avonden had moeten besteden. Hij nam haar mede en toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, wist zij dat voortaan het weeshuis, haar dienst en elk eerlijk middel om haar brood te verdienen voor haar gesloten was.
Waarheen zou zij zich begeven? Zij kende niemand aan wien zij zich kon toevertrouwen of die haar de reddende hand zou reiken. Daarentegen waren in het huis waar zij overnacht had, genoeg gedienstigen die haar helpen wilden en haar vertelden dat een meisje als zij in Amsterdam niet verlegen behoefde te zijn en gemakkelijk heel veel geld kon verdienen. Zij luisterde daarnaar en verviel van kwaad tot erger, telkens hopende een reddende hand te zullen vinden, die haar van haar schandelijk leven zou verlossen en altijd bevreesd dat haar broeder of hare voogden zouden te weten komen, welk leven zij leidde.