Vrouwenbelangen Drie vraagstukken van actueelen aard
Chapter 2
De belofte van gehoorzaamheid, waartoe men de vrouw verplicht bij het sluiten van het huwelijk, ontlokt meestal een glimlach bij man en vrouw, omdat, zoo zegt men, de man er zich nooit op zal beroepen en de vrouw het met die belofte niet ernstig meent.
Men vergeet echter dat deze oogenschijnlijk zoo onschuldige woorden den geest kenmerken van alle bepalingen in het burgerlijk wetboek, die op de gehuwde vrouw betrekking hebben. Daarin is _hij_ altijd de heer die gebiedt en _zij_ heeft alleen stem, wanneer die met de zijne niet in tegenspraak komt. Over _haar_ kinderen heeft _hij_ alleen macht en van den eerbied voor het moederschap, altijd zoolang het een wettig geboren kind betreft, is geen spoor in het burgerlijk wetboek te vinden.
Wel wordt dienaangaande in het aanhangig wetsontwerp omtrent beperking van de vaderlijke macht en de voogdij iets minder onbillijk tegenover de vrouw gehandeld, doch van eene erkenning, dat de moeder een grooter recht, op zijn minst genomen een even groot recht heeft op het kind als de vader, is ook daarin geen sprake.
_Haar_ vermogen wordt gemeenschappelijk goed, d. w. z. dat _hij_ het beheert, kan uitgeven, verteren, verkwisten, zonder dat hij haar rekenschap verschuldigd is, terwijl _zij_ zonder zijn toestemming geen penning er van kan besteden. 't Is waar, zij kan met huwelijksvoorwaarden trouwen, echter de vrijheid om dan eigen vermogen naar eigen goedvinden te beheeren, erlangt zij zelfs dan nog niet.
_Haar_ verdiend loon is zijn eigendom, dat hij haar kan ontnemen, verspelen, verbrassen.
Behoefde men wel te zoeken naar de reden, waarom verhoogd intellect van de vrouw gepaard gaat met vermindering van huwelijken en zijn gevolgen?
De vrouwenbeweging kan alleen met de economische onafhankelijkheid der vrouw haar doel niet bereiken, zij heeft daarvoor ook te streven naar de politieke ontvoogding der vrouw.
De economische onafhankelijkheid kan slechts dienen om de vrouw vrij te maken van elken sexueelen dwang; door de politieke ontvoogding kan zij direct invloed uitoefenen tot een billijker aanwending van de staatsgelden en op het tot stand komen van rechtvaardiger wetten. Door dit laatste vooral kan zij, beter dan tot dusver geschiedde, voor haar belangen zorgen en voor die van het kind.
Herhaaldelijk wordt door de mannen beweerd, zooals ook geschiedde door prof. Winkler, dat _het gemoed der vrouw ondoorgrondelijk is; dat de vrouw alleen door de vrouw begrepen kan worden; dat bij haar in tegenstelling van den man, het gevoel een grooter rol speelt dan het verstand_. Dezelfde mannen die zóó spreken, weerhouden zich evenwel niet de vrouwen voor te schrijven waar zij den weg tot geluk moeten zoeken; te bepalen wat haar levensdoel moet zijn; haar door de wet de plaats aan te wijzen, die zij verplicht zijn in te nemen. Is dat logisch en is dat rechtvaardig? Is dat in het belang der maatschappij, waarvan de vrouwen toch de helft uitmaken? Moest niet veeleer verwacht worden dat de mannen, die zoo terecht hebben opgemerkt dat "_zij_" een ander wezen is dan "_hij_", de vrouwen zouden steunen in haar poging om deel te nemen aan het staatsbestuur? Juist uit dit verschil van man en vrouw putten wij, vrouwen, het voornaamste en krachtigste argument voor de meening dat beiden moeten deel nemen aan het bespreken der openbare belangen, aan de behandeling der maatschappelijke vraagstukken, aan het samenstellen der wetten, waarnaar wij allen ons hebben te gedragen, omdat wij dan alleen gewaarborgd zijn dat zaken van _algemeen_ belang niet éénzijdig beoordeeld worden.
Is het eigenlijk niet alleen een gevolg van vooroordeel, van de macht der gewoonte, het niet durven breken met bestaande toestanden, dat wij thans nog moeten pleiten voor het recht om op staatkundig gebied als individuen medegeteld te worden? Alsof de vrouwen niet hetzelfde belang hebben bij eene goede wetgeving en bij het welzijn der bevolking als de mannen.
Men verdedigt die uitsluiting der vrouwen wel eens met het argument dat zij geene aparte menschenklasse vormen, dat de mannen die de wetten maken dit niet doen voor eene hun vijandige klasse, maar dat het zijn hun moeders, vrouwen, zusters of dochters voor wier belang zij optreden.
Het is waar, de vrouwen vormen geen aparte klasse in de maatschappij, doch is het niet alsof de mannen dat steeds vergeten bij het vaststellen der staatsbegrooting of bij het maken der wetten? Een paar voorbeelden slechts om deze bewering te staven en ter motiveering tevens van hetgeen ik schreef omtrent de onbillijke aanwending der staatsgelden. Worden er niet jaarlijks oneindig veel grooter financieele offers gebracht aan de opleiding en intellectueele ontwikkeling van den jongen dan aan die van het meisje?
Alsof de maatschappij niet evenzeer gebaat ware met ontwikkelde vrouwen als met ontwikkelde mannen. Het was Henry Thomas Buckle die reeds in 1858 de leden van het Engelsche Koninklijk Instituut aanspoorde om meer partij te trekken van hetgeen de geschiedenis in dezen te leeren geeft. Hij wees er zijne tijdgenooten op, dat al de mannen van genie kinderen van voortreffelijke moeders waren en dat de meest wezenlijk uitstekende mannen niet alleen de ontwikkeling hunner gevoelens, maar voor een niet gering deel ook de ontwikkeling van hun verstand aan den invloed der vrouwen te danken hadden. Hij beweerde zelfs, dat ieder die aan dien invloed niet onderworpen was geweest, iets onvolkomens, iets gebrekkigs aankleeft. Daarom raadde hij alle onbekrompen denkenden aan mede te werken dat de invloed der vrouwen vermeerderd en daarmede ook deze hulpbron van kennis in gebruik genomen worde.
Wees ik in den aanvang van mijn opstel er op, dat de vrouwen hier te lande niet te klagen hebben wat het Hooger Onderwijs--voor zoover het de universiteiten omvat--betreft, geheel anders is het gesteld met het onderwijs der gymnasia, hoogere burgerscholen, vakscholen.
De stedelijke gymnasia met rijks-subsidiën hebben nog steeds het recht de meisjes buiten hun poorten te houden en nog dezer dagen werd door een vooruitstrevend Minister van Binnenlandsche Zaken een dergelijk onrechtvaardige toestand gebillijkt. Rijks hoogere burgerscholen voor meisjes worden niet opgericht en op die van de jongens worden ze getolereerd indien de minister, directeur en leeraren dit wel goedgunstig willen toestaan en, om welke reden of onder welken invloed ook, geen overwegende bezwaren opperen.
Vakscholen voor meisjes behooren tot de groote zeldzaamheden en staan wat gehalte en aantal betreft in geen verhouding tot die voor jongens.
Zou hierin voor de vrouw geen verbetering komen als zij mede invloed uitoefent op de wetgeving?
En wat nu de wetten aangaat, er zijn er nog in werking zóó wreed, zóó onrechtvaardig, zóó barbaarsch, dat men onmogelijk kan aannemen, in welke ontwikkelingsperiode der maatschappij wij ons ook indenken, dat zij ooit te rechtvaardigen zijn geweest. Ik heb het oog op de wettelijke bepalingen, regelende de verhouding van de ouders tot hunne kinderen; wetten, die even bedervend op den man moeten werken als zij vernederend zijn voor de vrouw.
Door deze wetten oefent de _ongehuwde_ moeder uitsluitend macht uit over haar kind en wordt haar zelfs verboden den vader aan te wijzen, opdat ook hij deel neemt in de verzorging en opvoeding van beider telg;--daarentegen ontnemen deze wettelijke bepalingen aan de _gehuwde_ vrouw elk recht op haar kind en stellen alle macht in de handen van den vader. Hij mag haar zelfs het kind ontnemen en elders brengen, zonder daarvan rekenschap verschuldigd te zijn. Al wordt dit tegenwoordig niet veel meer in toepassing gebracht, toch bestaan er voorbeelden van dat dit middel, ter bereiking van minder edele doeleinden, werd te baat genomen en als dreigement om de vrouw te dwingen tot handelingen, waartoe zij anders niet zou overgaan, doet het ook thans nog maar al te dikwerf dienst.
En hoe beschermt de wet de ongehuwde moeder? Terwijl de wet in alle andere opzichten aanneemt dat de vrouw nimmer de kinderschoenen ontwast en men haar bijgevolg steeds indeelt bij kinderen, veroordeelden en krankzinnigen, in dit ééne speciale geval, waar het geldt den verleider van den waren minnaar te onderscheiden, daar acht zij het meisje reeds op 16jarigen leeftijd mondig.
Mocht het evenwel blijken dat haar menschenkennis te kort was geschoten en zij als gevolg harer dwaling, ongehuwd moeder werd, dan heeft zij geen recht zich daarover te beklagen, zoo concludeert de wetgever. Kan men werkelijk meenen, dat zulk een regeling in het leven werd geroepen ter bevordering van het maatschappelijk belang, van het belang van de vrouw zoowel als van dat van den man?
In het wetsontwerp betreffende den rechtstoestand der natuurlijke kinderen zijn ook ten opzichte van deze aangelegenheid eenigszins billijker bepalingen opgenomen, doch rechtvaardig tegenover vrouw en kind is ook deze nieuwe proef van uitsluitend mannenwerk op wetgevend gebied in geenen deele.
Diende men in een kwestie, zoo geheel en al het belang van vrouw en kind rakende, de vrouw niet een stem, ja zelfs een overwegende stem te geven?
Ik kan mij ontslagen rekenen van de taak eene kritiek op de huwelijkswetgeving te leveren, waar dit nog slechts kort geleden zoo voortreffelijk geschiedde door een staatsman als mr. E. Fokker [6] en deze tot de uitspraak kwam: "dat de mannen alleen de wetgeving hebben gemaakt is uit den inhoud geen oogenblik twijfelachtig." Van die wetgeving getuigde dezelfde schrijver dat zij den toestand gemaakt heeft "niet houdbaar en een beschaafde natie niet waardig."
Wel is waar verontschuldigt mr. E. Fokker de wetgevende macht door te onderstellen, dat in 1820-1838, toen het thans nog geldend burgerlijk wetboek tot stand kwam, de zeden en begrippen zulke onwaardige wetten in de pen gaven [7], maar daarmede toont hij een andere opvatting van de aanleiding tot het maken van zulke onrechtvaardige wetten te hebben dan bijv. de Groninger hoogleeraar mr. B. D. H. Tellegen.
Toen deze in 1870, in een toespraak tot zijne leerlingen, den rechtstoestand der vrouw aan een kritisch onderzoek onderwierp [8], loochende hij boudweg de verontschuldiging door vele rechtsgeleerden ook thans nog aangevoerd, dat de onbillijke wetten haar ontstaan te danken zouden hebben aan de vermeende lichamelijke en geestelijke inferioriteit der vrouw. Eerlijk bekende hij, "_den wettelijken toestand van de gehuwde vrouw hebben wij mannen met het oog op ons zelven geregeld. Wij hebben de gehuwde vrouw gemakshalve onmondig verklaard en zelfs in de opvoeding der kinderen ons het leeuwendeel toegeëigend._"
Een andere opvatting ook dan de beroemde Franeker professor U. Huber reeds in de 17e eeuw leeraarde, toen hij schreef over het recht van voogdijschap van den man over de vrouw in het huwelijk: [9] _"dit recht is niet zoozeer ingesteld ten aanzien van de zwakheid des vrouwelijken geslachts_ (want dan moesten de ongetrouwde vrouwen ook voogden hebben) _maar het is een recht en voordeel der mannelijke achtbaarheid_.
Gerugsteund door de uitspraak van deze bekwame mannen acht ik het optreden der vrouwen ter verkrijging van de bevoegdheid om hare belangen te doen behartigen door haarzelven en om er voor te waken dat deze belangen niet langer worden opgeofferd aan "_het recht en voordeel der mannelijke achtbaarheid_" genoeg gerechtvaardigd.
Men zal toch ook moeten toegeven dat het verschil van man en vrouw in neiging, in levensfuncties en misschien ook wel in levensbeschouwing te groot is, dan dat de een voor den ander zou kunnen opkomen wanneer het geldt de wenschen, de belangen, de plichten, de rechten voor geheel de natie te vertegenwoordigen en in wetten te belichamen.
Zonder mij te stellen op het standpunt van mr. E. Fokker, dat de zeden en begrippen van een of anderen tijd ooit zulke grenzenlooze onbillijkheden als in onze wetten zijn neergelegd zouden hebben gerechtvaardigd, meen ik het toch te moeten uitspreken, dat de vrouw mede schuld er aan draagt, dat men tot dusver in de wetgeving geen voldoende rekening heeft gehouden met hare belangen en hare wenschen.
Te harer verontschuldiging kon vroeger worden aangevoerd dat de last der eeuwenlange onmondigheid haar zóó had neergedrukt, zóó verstompt, dat zij langen tijd geen poging kon aanwenden om zich op te heffen; zelfs voelde zij daardoor niet hoe de onderworpen toestand, waarin wet en zeden haar geplaatst hadden, _niet_ haar natuurlijke plaats was en besefte zij niet waarom het belang der samenleving hare opheffing uit deze vernederende positie vorderde.
Tegenwoordig geldt deze verontschuldiging niet meer, nu wij van alle kanten de vrouwen zien opstaan die den dageraad verkondigen van een nieuw leven, in elk opzicht veel hooger en veel rijker dan voorheen. Maar er zal strijd, misschien wel ernstige strijd vooraf moeten gaan, eer de volle middagzon kan gloren en daarom is het de heilige plicht van elke vrouw in de gelederen te treden en mede te strijden ter bereiking van dit doel.
Van dezen plicht mogen zij zich niet laten terughouden omdat de strijd heet te gaan tegen onze vaders, onze echtgenooten en onze broeders,--de goedgezinden onder hen begrijpen wel dat wij niet voeren een strijd tegen personen, maar tegen onrechtvaardige wetten, zeden en instellingen en dat eene overwinning niet alleen de vrouw zal verlossen uit eene vernederende onderwerping, maar ook hun (vaders, echtgenooten en broeders) ten goede zal komen.
De vrouwen mogen zich ook niet onttrekken aan dezen strijd, dewijl het vrij zeker is dat de thans levenden van de resultaten van haren arbeid niet meer zelf zullen genieten, doch dat deze eerst het erfdeel zullen worden van een volgend geslacht, welks levensvoorwaarden daardoor zooveel gunstiger zullen zijn. Ook de lijfeigenen der middeleeuwen hebben den door hen geplanten vrijheidsboom niet meer zien bloeien; ook die strijders voor menschelijkheid en recht hebben dikwijls met totale zelfopoffering gestreden ter verkrijging van betere levensvoorwaarden voor degenen die na hen zouden komen. Wordt hierdoor onze strijd niet verhevener, heiliger? Ware het ons alleen te doen om zelfverheffing of eigenlotsverbetering, men zoude met een schijn van grootmoedigheid van dit pogen afstand kunnen doen, thans echter is ieder onzer zedelijk verplicht ten behoeve der komende generaties zich in den strijd te mengen.
De vrouwen mogen zich ook niet laten afschrikken omdat nog zoo vele karakterzwakken onder de zusters, even als de vogel in de kooi, het voedsel liever voor zich gestrooid vinden, dan het in de vrije wereld door eigen krachtsinspanning zelf op te zoeken. Zullen dezulken in het begin hare vrijheid zelfs niet weten te waardeeren en zich terugwenschen in den toestand van afhankelijkheid en onderwerping, laat dit toch voor niemand eene verontschuldiging zijn om het wakker geschudde geweten weder te doen inslapen. Laat men toch nimmer vergeten dat het niet de vrouwen zijn van groote gaven, van fijn gevoel of van liefderijk gemoed, die zich gelukkig en tevreden gevoelen met de positie die de vrouw wordt aangewezen in onze hedendaagsche maatschappij.
Zij die tevreden zijn, het zijn de rupsen onder ons, die in haar ontwikkelingsstadium als pop bleven steken en die het nimmer, zonder onze hulp zullen brengen tot een volmaakt vlinderbestaan.
Het is op grond van al het hier aangevoerde, dat niet langer getalmd mag worden met het aanbinden van den strijd voor rechten, die ons in staat zullen stellen al datgene te verwezenlijken, wat reeds in het gemoed van duizenden vrouwen als eisch van sociale rechtvaardigheid leeft.
Geen der vrouwen, die zich geroepen gevoelt om te strijden tegen den alkoholvloek, vergete, dat het krachtigste middel om dezen kanker der maatschappij metterdaad uit te roeien, bestaat in het uitvaardigen van doeltreffende wetten met betrekking tot den alkoholverkoop en dat het kiesbiljet het middel is om zulke wetten te verkrijgen.
Wie haar krachten wil aanwenden ter bevordering van den internationalen vrede, begrijpe, dat dit doel het snelst bereikt wordt door _Vrouwenkiesrecht_, want met een Kamer, samengesteld uit leden die voor een deel hun zetel te danken hebben aan de stem der vrouwen, zal de Staatsbegrooting niet meer belast kunnen worden met een jaarlijks toenemend aantal millioenen voor oorlogsmateriaal en legeronderhoud.
Wil de vrouw den strijd aanbinden tegen de prostitutie, dan zorge zij dat der vrouwen invloed op de wetgeving zich zoo spoedig mogelijk kunne doen gelden, opdat maatregelen genomen worden, waarbij aan de mannen in dezen niet alléén rechten en aan de vrouwen alléén plichten worden toebedeeld.
En ook indien men van oordeel is dat bij gelijken arbeid voor de overheid op gelijk loon mag worden aangedrongen, zoo ijvere men voor vrouwen-kiesrecht; wordt in het huwelijk de vrije beschikking over het vermogen of het behoud van het verdiend loon gewenscht, dan werke men mede aan de politieke ontvoogding der vrouw.
Wil de vrouw ter bevordering van hare zelfstandigheid de vakopleiding voor haar beter behartigd hebben, dan eische zij het stemrecht opdat zij zoodoende invloed uitoefene op de maatregelen die daartoe leiden.
Maar bovenal moeten de vrouwen invloed op het staatsbestuur vragen _omdat zij vrouw zijn_ en daardoor meer en anders dan de man gevoelen voor het kind, voor den hulpelooze, voor den zwakke en voor den oude van dagen.
Daarom, vrouwen van Nederland! nu gij u bewust wordt van uwe verplichtingen jegens uzelve en jegens de samenleving; nu gij den drang in u voelt geboren worden om door directe deelneming mede te werken aan de stoffelijke en zedelijke verheffing der maatschappij, maakt u thans los van elk kleinzielig vooroordeel dat u van de vervulling uwer verheven taak zou kunnen afhouden en schaart u aan de zijde van hen die, ter bereiking van het doel der vrouwenbeweging, strijden voor de economische en staatkundige onafhankelijkheid der vrouw, ten einde daardoor te komen tot die hoogere ontwikkelingsphase der maatschappij, waarin gelijkheid voor wet en zedenleer gehuldigd wordt voor den man en voor de vrouw.
II.
WETTELIJKE REGELING DER PROSTITUTIE.
In een tijd waarin de vrouwenbeweging en de daarmede gepaard gaande bespreking der vrouwenbelangen ieders aandacht vraagt, dient ook het prostitutie-vraagstuk door de vrouwen onderzocht en zoo mogelijk tot oplossing gebracht te worden. Veel te lang werd het aan de orde stellen van dit hoogst belangrijk maatschappelijk vraagstuk door de vrouwen opzettelijk vermeden, dewijl zij, door valsche schaamte geleid, van oordeel waren dat al wat op prostitutie betrekking heeft, niet door de vrouw mag worden gekend, noch door haar mag worden besproken.
Ik stem toe dat kennismaking met elk onderdeel der kwestie ons steeds voor oogen voert ziekelijke uitwassen van de menschelijke natuur, oorzaken van heimelijke slooping des lichaams, wanverhoudingen in de samenleving, die ons met weerzin, met afgrijzen, met verachting, met medelijden vervullen, al naar wij zelven zedelijk zijn aangelegd.
Doch hoe dieper men in dit vraagstuk doordringt, des te meer wordt men er van overtuigd dat de prostitutie het wel en wee van velen onzer beheerscht; dat zij onze gezondheid en die onzer kinderen ondermijnt; dat zij velen onzer zusters wegrukt uit de maatschappelijke sfeer en hen doemt tot een leven vol verachting en ellende.
Als men dan nog bedenkt dat die vrouwenschaar die opgeofferd wordt aan dit zoogenaamd noodzakelijk kwaad, grootendeels voortkomt uit de volksklasse; dat gebrek, onkunde, ruwe zeden, ziekelijke ontaarding, verleiding die vrouwen meestal voert in dezen poel van ellende, dan meen ik dat er redenen te over zijn om alle valsche schaamte ter zijde te stellen, den sluier weg te rukken die het prostitutie-vraagstuk omhult en met helderen blik en rustig oordeel dit kwaad in zijn veelzijdig optreden te onderzoeken. Men heeft zich daartoe rekenschap te geven van hetgeen om ons heen geschiedt; het bestaan van het kwaad maakt de bespreking noodzakelijk.
Hoe zal men zijn zonen kunnen behoeden voor een zedelijken val, wanneer men de wegen niet kent die hen voeren tot den afgrond; hoe kan men zijne kinderen zedelijke grootheid inprenten, zoolang men den moed mist de laagheid die hen omgeeft te peilen; hoe wil men hun deernis inboezemen met die arme, vernietigde wezens, wier bestaan eene aanklacht is tegen onze gangbare zedelijkheidsbegrippen, zoolang men zelf nog onkunde en onwetendheid verwart met reinheid en kuischheid?
Doch ook als men zich zelf een grooter, een hooger levensdoel heeft gesteld, als men wenscht mede te werken aan het wegnemen van maatschappelijke misstanden, dan mag men niet langer de oogen sluiten voor dit verschrikkelijk kwaad, dan mag men niet meer het hoofd afwenden als de werkelijkheid in al haar naaktheid voor ons opdoemt, dan mag men geen dag langer berusten in de onware meening, dat prostitutie _onuitroeibaar_ en haar bestaan _noodzakelijk_ zou zijn.
Wat is prostitutie of wat verstaat men daaronder? Ik zie geen kans deze vraag te beantwoorden; ook bij geen der vele schrijvers die ik raadpleegde vond ik een bevredigende definitie. De meeningen er over loopen inderdaad zeer uiteen. Velen, en hieronder vooral kerkelijk geloovigen, noemen prostitutie elke buitenechtelijke geslachtsgemeenschap, terwijl anderen, waaronder ook ik mij zou willen scharen, onder prostitutie verstaan elke geslachtsgemeenschap die niet gebaseerd is op wederzijdsche liefde.
Hoe ethisch juist deze definitie echter moge luiden uit een praktisch oogpunt is zij vooralsnog niet te gebruiken. Dan toch zouden wij onder prostituées moeten rangschikken tal van mannen en vrouwen wier echtvereeniging, door de wet geheiligd, op geen hooger waardeering berust dan de stoffelijke; wier samenwoning geen ander motief kan aanwijzen dan berekening; die niet door banden van liefde, doch door de koorden der geldbeurs werden verbonden.
En dan ook zou men hieronder moeten rangschikken die gehuwden die eenmaal uit verklaarbare onkunde handelden en in jeugdige onbezonnenheid het jawoord uitspraken, nog vóór zij wisten of beider karakter genoegzaam overeenkwam om gezamentlijk den langen, soms moeielijken levensstrijd te voeren, en te laat bemerkten dat hun vurige hartstocht zijn oorsprong niet vond in groote wederzijdsche waardeering, maar een gevolg was van toevallige omstandigheden; die gehuwden ook, die moesten ondervinden dat hun liefde niet bestand was tegen de teleurstellingen des levens en wier samenzijn niet meer is een bron van vreugde, maar veeleer eene lijdelijke berusting in het onvermijdelijke.
Voor onze maatschappij bestaat daarom behoefte aan een andere omschrijving. Zoolang deze echter niet gevonden is, hebben wij er rekening mede te houden, dat naar de meest gangbare denkbeelden van gehuwden, wanneer zij eenmaal door den burgerlijken ambtenaar vereenigd zijn, wordt aangenomen dat rozegeur en maneschijn hen omgeven, dat "_zij_" is "_zijne_" uitverkoren levensgezellin en "_hij_" de man "_haars_" harten, en dat zij dan ook op dien grond in hun kring moeten worden geëerd, onverschillig welke beweegredenen hen samenbrachten. Wettig gehuwden worden daarom dan ook nimmer onder geprostitueerden gerangschikt en dank zij de alom gehuldigde dubbele zedenleer, worden de mannen, zoodra er sprake is van prostitutie en geprostitueerden, geacht daartoe nimmer te behooren.
De gemakkelijkst te onderkennen vorm van prostitutie en als zoodanig ook in onze samenleving algemeen daarvoor aangenomen, is die der _betaalde liefde_, waarbij van eenige genegenheid of trouw geen sprake is, althans niet behoeft te zijn. Soms gaat zij wel gepaard met haat aan de eene en verachting aan de andere zijde. Het eischen van betaling door de vrouw voor het zich beschikbaar stellen ter bevrediging van den geslachtsdrift des mans, levert hier het criterium van zich te prostitueeren; deze vorm van prostitutie is het waarover ik speciaal wensch te spreken.