Vlindertje: een Haagsche roman

Part 7

Chapter 74,045 wordsPublic domain

Hoe zou hij dan ook nog ooit officier kunnen blijven, als hij doorging te beseffen, dat het leger eer het onrecht dan het recht moest beschermen, en dat het militairisme de ontwikkeling van den waarachtigen mensch in den weg stond? Hij was toch te zwak en te lafhartig om ooit een groote daad te doen, die zijn leven ganschelijk zou veranderen.

Maar de enkele keeren, dat hij bij Frederik kwam, snoepte hij van het verboden mooi, als een kind dat heimelijk aan ’t smullen is. Hij liet zich door hem vertellen van de groote beweging, die op handen was, van de ontzachelijke wereld-dingen, die te gebeuren stonden, en waardoor de oude, verdorven maatschappij—die maatschappij waarin híj thuis hoorde, door zijne opvoeding—zou uit elkaar splijten als een wrak, vermolmd gebouw. En Frederik wilde wel eens een paar verzen voorlezen, van Willem Kloos, van van Eeden, die hem aandeden met een wondere, vreemde ontroering, of er in de verre onbewustheden van zijn ziel opeens een ongekend licht van groote goedheid was opgeschenen. Als een kind zat hij dan te luisteren, en hij, zwakke, hulpelooze, die nog zoo heelemaal vast zat aan zijn leventje van schijn en waan, bewonderde dien sterken, energieken vriend, die zich van alles had losgemaakt, wat hem vroeger eens zéér lief moest zijn geweest, en nu zoo heerlijk-vrij en eenzaam-trotsch boven conventie en traditie stond, levende zooals híj goed vond, vreezeloos en wèl-bewust.

Toen Pim dien avond naar bed ging was hij moê van inspanning, en lag hij onrustig te denken aan véél, wat Frederik hem gezegd had. Hij had hoofdpijn en voelde een angstige, zware beklemming. Eindelijk viel hij in een doffen slaap.

Maar toen hij den volgenden ochtend opstond, was hij weêr geheel de oude van vroeger. Zijn oppasser bracht Balder gezadeld voor, en hij maakte een rit door het Bosch.

Toen moest hij in de kazerne wezen, waar hij een uur manègerijden had.

Toen hij door de poort reed en de schildwacht hem eerbiedig salueerde, voelde hij zich weer de echte officier, die dienst heeft. Hij hield even een praatje, met van den Bergh en Waalen, en reed toen naar zijn manschappen. Het was een prachtige zomerdag vol licht en zonneschijn en vreugde. Om twaalf uur was hij klaar, en reed even langs Ellie’s „toren.” Ze zat voor het raam en wenkte hem vriendelijk toe, dat ze beneden zou komen, vol blijdschap dat hij er zoo onverwacht was. Even kwam ze voor de deur, zijn paard streelend langs den fijnen kop.

Dat luchte, ranke figuurtje ineens in den lichten morgen, dat vroolijke, weldadige lachje om den dag meê te beginnen! Wat een zuiver geluk in zoo’n lief wezentje, dat in een licht japonnetje daar ineens voor je staat, vol vriendelijke, zachte gratie! Waar was nu het donker van gisteren, en al de duistere gedachten?...

„O Pim, dat treft,” riep ze blij, „verbeeld je, nicht Joséphine is uit déjeuneeren, en pa moest ineens op reis gisterenavond, en komt morgen pas terug... en Wies is waarachtig ook al niet thuis. Nu zit ik me heel alleen te vervelen.... Zeg, als we nu eens naar Scheveningen gingen lunchen, onder het Kurhaus, in ’t nieuwe café?.... ze hebben daar zulke lekkere plats du jour.... Het is nu juist zoo’n goeie gelegenheid. Of kan je weer niet? Als je nu maar geen theorie hebt vanmiddag, of zoo iets....”

Neen, hij had gelukkig niets te doen. En hij vond het een uitstekend idee. Liet ze maar gauw haar hoed opzetten. Dan bracht hij zijn paard even terug naar de kazerne, en liet zich wat afstoffen. En voort galoppeerde hij, met hoefgekletter op de steenen, en gerinkel van zijn sabel. Een paar menschen bleven staan en keken naar het knappe, kleine officiertje op het groote, zwarte paard.

Een half uur daarna stonden ze op de electrische tram naar Scheveningen, een keurig, Haagsch paartje, hij in zijn nette huzaren-uniform, met de glimmende hooge rijlaarzen, zij een exquis dametje, in haar fijn wit-serge pakje met blauw satijn, zoo heel licht en luchtig staande op haar witte schoentjes, als een wezentje zonder materie, van louter liefelijkheid en glans. Vreemdelingen in de tram dachten dat zij verloofden waren, zoo intiem babbelden zij samen, en lachten wat tegen elkander over het elegante, Haagsche paartje.

Scheveningen lag in al de glorie van een lichten zomerdag. De zee was roerloos-rustig, van een groote, heilige kalmte overtogen, en blonk van een zacht-transparant parelmoer, in liefdevolle mengeling van harmonieerende, zalig ineenvloeiende kleuren. Glanzend lagen de blonde duinen in het licht, en over alle dingen lag geluk en vreugde-om-te-leven. Menschen in lichte pakken wandelden vroolijk heen en weer, en helder lachen van kinderen klonk in de lucht.

Nu even met Ellie door al dat blijde, prettige gewoel loopen, en dan een plaatsje zoeken in het gezellige café! Wat een drukte! Overal zaten wèlgekleede, vroolijk-kijkende menschen aan tafeltjes gezellig te eten, en lachten, en dronken bier en wijn. Dáár was een goed plaatsje, net een klein tafeltje voor tweeën. Nu de spijskaart kijken, wat er alzoo was. Wat wou Ellie hebben? Een halve kip met sla, die was hier nog al goed. Daarna wat druiven en een perzik. Heel eenvoudig maar. En een fleschje Haut-Sauternes, met hun beidjes. Ziezoo, zaten ze nu niet knus?

Ellie vond het er heerlijk gezellig, in dat Café de la Plage. Dat was nu net iets voor haar, al die drukte, en zooveel vreemde menschen. En dat typische ronde middenzaaltje. Hoe leuk vond ze in ’t midden dien bruin-en-wit marmeren pilarenbundel, met die kaboutertjes er boven. En wat aardig zitten aan die tafeltjes en stoeltjes van bruin eikenhout! Zóó voelde ze zich echt in haar element, met véél leven, en véél vroolijk geluid van stemmen om zich heen.

Nu ná de vruchten buiten een kopje mokka drinken in de mooie, groenrieten stoeltjes. En vooral de menschen goed bekijken. Tegen half drie werd het tijd om even naar het strand te gaan, in het tentje. Er waren een boel kennissen. Wies kwam met Jo van Herencate, bij wie ze geluncht had, en Waalen was er, en Hegge, en Annetje van Westen. En wat was het vol! Alle badstoelen waren bezet.

Toen Pim met haar in het tentje zat, waar ze zoo vroolijk babbelde met al de kennissen, en hij zag al die prettige, lachende menschen daar, in vroolijke, lichte pakken, en het zonlicht blonk zoo heerlijk over de stille, parele zee, en alles glansde van geluk in de algemeene vreugde-om-te-leven van den volschoonen zomerdag, toen voelde hij ineens een groot geluk terugkomen in zijn ziel. Neen! neen! neen! Het leven wàs niet leelijk en duister, het kon niet, het kon niet zijn! Het was een droeve, booze droom geweest, wat Frederik hem gisteren gezegd had, en wat hij zelf zoo dikwijls dacht. Hij wilde niets weten, hij wilde niet, niet weten meer en niet denken!

O! de warme zon, het glorierijke licht, en die heerlijke, zoele zeelucht rondom! Het was zoo zalig, gelukkig te zijn, en te lachen, en niet te weten. En hij was nog zoo jong, hij was blij met het leven, en het was goed zooals het was, en hij wilde genieten, genieten van al het blijde en lichte rondom....

Ellie troonde hem mede naar huis om vijf uur. Even ging hij naar zijn kamer om zich te verkleeden. Hij dronk zijn glaasje port in haar boudoirtje en dineerde met haar en met nicht Joséphine. En na het eten chaperonneerde hij de dames weer naar het Kurhaus.

Ellie had een nieuw costuum aangedaan, voor den mooien avond. Zij had een japon van mauve chiné zijde, opgemaakt met punten van witte kant, op den rug, op den rok en op de mouwen. Hoe lief kwam haar gezichtje uitkijken boven uit den hoogen, nauwsluitenden kraag! Het corsage was hoogsluitend om den hals, onder de ooren met punten verhoogd, en daardoor scheen haar blonde hoofdje daaruit op te rijzen als een bloem op den rechten stengel. Haar rok was erg nauwsluitend om de heupen, naar beneden toe verwijdend, gracieus van lijn als de klok van een campanula.

En wat een zwierige golf in haar grooten hoed, wit met mauve, waarop een witte aigrette soms even veerend trilde!

Pim maakte haar een compliment over haar toilet, en ze was er erg blij mede, omdat hij voor een kenner doorging. En hij mocht haar wit veeren boa dragen, héél voorzichtig, dat er niets aan al die als materie-looze, vluchtige veeren kwam, die geen zwaarte hadden, en zóó zouden wegwaaien in den wind.

Het Kurhaus was stampvol, en de Berlijners speelden een prachtig programma. De geheele zaal was vol blijde, luchtige zomerkleuren, en gelukkige, vriendelijke, lachende gezichten. Witek speelde de aria uit de D-dur Suite van Bach. Zacht zweefden de aetherische violentonen als stemmen van lichte engelen droomend boven de menschenscharen, en hier en daar bewoog een licht meisjeshoofd, onbewust medewiegend op den adem van het langzaam op-ruischend rythme. Onder die zachte zweving van tonen, als het biddend oprijzen en weer nederknielen van zalige zielen in eeuwig licht, sloot Pim éven de oogen droomend van geluk. En door dien droom voelde hij de fijne parfum gaan van Ellies zakdoek, vage essence van Violettes de Parme, die zij altijd bij zich droeg, subtiel of het de geur was van haar maagdelijke ziel van meisje....

In de pauze liet hij zich gewillig door Ellie medenemen, wáár ze maar wilde. Ze wou absoluut éven in de speelzaal gaan, en een coup probeeren. En ze won, haar bal bleef liggen in het vakje van haar kleur, lichtblauw, waardoor ze drie gulden kreeg. En ze schaterde het uit van pleizier of ze een grooten schat had gewonnen. Nu even naar de leeszaal, éven maar, de nieuwe Fliegende Blätter kijken. Zoo serieus daar binnenkomen, heel stil, want je moogt er niet praten, met je voeten zacht over het dikke rood-bruine kleed. En dan even aan de eerste leestafel gaan zitten, dicht bij een electrisch lampje, met den wijden groenen kap. Dat flatteert wel een beetje, zoo’n beetje zitten lezen, in den schijn van dat uitstralende licht....

Daarna éven naar de danszaal, éven maar. Zoo’n goddelijke wals, die Donauwellen, bijna onmogelijk om er stil bij te blijven staan. Toch wilde Ellie niet zelf dansen, want er waren te veel menschen. Daarvoor moet je in een stil kwartiertje even komen, zoo na de pauze, als ze een erg klassiek stuk spelen, en iedereen binnen is, in de concertzaal. Dan zoo met een paar intiemen naar de conversatiezaal gaan, en Bino om een wals vragen, dát is je ware....

Natuurlijk tot slot nog een paar vierkantjes op het terras.

En Pim verwonderde zich dat hij absoluut niets voelde van den afkeer, waarmede hij den avond te voren nog over zijn leven gesproken had. Het leek alles zoo vertrouwd en reëel om hem heen! Het was zoo echt de omgeving, waarin hij zich thuisvoelde, waarin hij nu eenmaal behoorde, en waarin alles goed scheen, geheel in de natuurlijke orde der dingen, en onvermijdelijk.

HOOFDSTUK X.

Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen Wies haar boudoir binnenstoof.

„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.... en hij is zoo heelemaal veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel...... hij is de mooiste man van de wereld... en ik ben zoo trotsch op hem!.....”

Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een paar maal van vreugde door de kamer.

„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!... zoo’n knappen, grooten, dapperen broer!.... alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk tegen!... neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.... En dat is nu mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!..... En hij is zoo lief, hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien...... Ik geef hem een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben... wat zullen ze kijken!.... en hij komt dadelijk hier... Hij moest eerst even op het ministerie van Koloniën zijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè..... daarom vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen..... dan laat je hem natuurlijk even boven.... zulke intiemen als wíj, hè, die moeten niet met stijve visites beginnen... en ik heb hem al zooveel van je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent..... Nu, wat kijk je raar, je vindt het toch wel goed?.....”

„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de puntjes, maar omdat het jouw broer is.... En dan zoo’n heel bizondere broer, zoo’n held....”

Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote, mooie dingen had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, en misschien straks plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een onbestemd gevaar.

En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.....

Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en hartelijk had voorbereid.

Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om Maurice daar zoo zonder stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.

„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog een week of vier blijven.”

„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies. „Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè, Pim of Maurice!”

Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen, van zoo héél verre, uit den droom....

Daar werd gescheld.

„Zou hij het al zijn?” riep Wies.

En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie. En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”

Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus, en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de volgende Clingendaalraces.

Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice, die ieder oogenblik kon komen.

Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op, alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns tegen Wies:

„Daar is hij!”

Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur, en zware stappen in de marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de trap op, en nader, en naderbij....

De deur ging open.

En daar stond hij.

Groot, donker, en zwaar.

Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte, luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.

Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.

Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere, magnetische sterren, die haar tégenstraalden.

En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water, en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar...

HOOFDSTUK XI.

Toen Mombreuil weg was, bleef Ellie achter als in een droom.

Zij bleef lang zwijgend zitten, met een loom, mat gevoel over al haar leden, alsof zij heel, heel moê was.

Zij wist nog maar zoowat even, wat er eigenlijk gebeurd was. Hij was door Wies aan haar voorgesteld, en hij had zijn hooge gestalte eerbiedig voor haar gebogen. Toen had hij wat gepraat, en vriendelijk gelachen, en zij had ook geantwoord. Heel kort had het maar geduurd. Toen was hij weêr opgestaan van een stoeltje, waar hij op zat, en groot had zijn figuur in de kamer gestaan. Zij had zijn handdruk gevoeld, heel warm en sterk in haar angstig, koud handje, en toen was ze alleen geweest.

Erg moê was ze en erg loom.

Zij voelde, of hij nog niet heelemaal weg was, of hij ook nooit, nooit meer weg zou kúnnen zijn. Héél van binnen was het haar, of ze iets van hem in zich had, iets wat daar zacht was blijven branden en gloeien in haar lijf. Ze had het van zijn oogen in zich voelen komen, en toen hij haar een hand gaf was het in haar doorgetrild, vèr en vèr in haar.

Ook haar lief, vertrouwd boudoir leek haar niet meer hetzelfde van vroeger, sinds zijn hooge, groote schaduw er zoo donker in gestaan had. Het was of er nog iets van zijn zware man-zijn in was gebleven, iets vreemd-hevigs, dat het intieme er van verstoorde.

Als een vogeltje, dat bang is, zat ze zoo een poos op een pouf, met het hoofd moê neergebogen op een groot kussen, dat er naast lag.

Het was of iets zwaars over haar was gekomen, waar ze niets tegen vermocht, en dat ze half-bang, half-blij, onderging, in een vreemde charme van loome betoovering.

Totdat nicht Joséphine binnenkwam, en haar vroeg, waar ze toch bleef.

O ja, ze zou uitgaan. Met nicht Joséphine. Boodschappen doen, in de stad.

—„Scheelt je wat, kind?” vroeg nicht. „Je gloeit zoo. Je hebt toch geen koorts?”

„—Neen, heusch niet, nicht. Maar ik ben wat moê, ik weet niet waarvan, maar ik ben moê.”

En moê was ze, heel moê, van dien zoeten, donkeren droom die uit zijn oogen in haar ziel van maagd was gevloeid....

Den volgenden dag sprak zij hem weêr. Zij was met Wies in haar tentje aan het strand, en hij kwam even bij haar zitten. Zij was erg stil, en kon niet veel zeggen. Hij praatte veel, met een diepe, zware stem, en nu en dan een breed gebaar. Ook zijn stem deed haar hevig aan. Alles was zoo groot en sterk aan hem. Hij was zoo héél anders dan de anderen, om wie ze altijd kon lachen. Maar hij was absoluut niet om te lachen. Ze was een beetje bang voor hem, en toch vond ze het prettig om hem te hooren praten. En hij had zulke mooie oogen. Als ze hem aankeek was het of ze niet meer een anderen kant op kon kijken, zoo hielden die oogen haar vast. Het was angstig, en tegelijk streelend, met een vreemde charme. Ze voelde dat hij véél sterker was dan allen die zij kende, dat zij niet tegen hem op zou kunnen, en hem bijvoorbeeld nooit een beetje voor den gek zou kunnen houden, zooals ze het de Sandt of Waalen wel eens deed, als ze een dolle bui had.

Hij deed ook zoo heel anders tegen haar dan ze gewoon was. Erg eerbiedig en erg vriendelijk tegelijk, maar zonder complimentjes te maken, of iets onbeduidends te zeggen over haar toilet, al zijn woorden meer genadiglijk naar haar neder van uit zijn groote, mannelijke hoogte, dan vleiend tot haar op zooals die van anderen. En ze vond zich dan ook nog maar zoo’n nietig kind bij hem, den sterke.

Den dag daarna, kwam hij eene visite maken bij den ouden van Taats, met zijne moeder de douairière en zijn zuster. En weêr was het Ellie, of zij een schok voelde in haar hart toen hij aanschelde, met dat hevig, bruusk geluid. Toen zij het hoorde, liep zij haastig naar beneden, als werd zij door een vreemd magnetisme tot dien man getrokken, die buiten stond.

En nu ontmoette ze hem geregeld, aan het strand, in het Kurhaus, en bij Wies aan huis, als zij haar kwam afhalen. Zonder het zich nog goed bewust te zijn, werd nu eigenlijk Mombreuils tegenwoordigheid de groote aantrekking van haar amusementen. Vroeger ging ze er alleen heen, om lief en gracieus te doen met haar mooi lichaampje voor allen, en van de gratie van anderen te genieten. Maar nu dacht ze altijd of Mombreuil er wel wezen zou, en of hij haar ook misschien aardig zou vinden in dit of dát toiletje, en of hij haar zou aanspreken of niet. Als ze hem zag was ze een beetje bang, en hoopte ze dat hij het niet doen zou, maar als hij dan naar haar toe kwam en ze zag in zijn oogen, voelde ze zich weer verwonderlijk blij. Als hij er eenige dagen niet was voelde zij of het groote, volle Kurhaus, waar ze vroeger zooveel genoot, toch eigenlijk leêg was, en keek ze onrustig overal rond waar hij wezen zou.

Van Wies hoorde zij elken dag allerlei nieuws van hem, kleine intieme dingen, waardoor zij het waagde, een beetje in zijn leven door te dringen. Wies vertelde, hoe laat hij opstond, waarmee hij ontbeet, waar hij gevoelig voor was. Ze zeide Ellie, dat oom de minister wel een betrekking voor hem zou vinden, misschien wel iets aan het hof, en hoe de koningin zelfs eens naar hem geïnformeerd had, toen oom in het paleis had gegeten. Ook van zijn heldenfeiten in Indië, die hij haar tot in de kleinste bizonderheden had moeten beschrijven, vertelde zij Ellie in opgewonden, gloeiende woorden.

Zóó kwam hij altijd grooter en grooter in Ellie’s leven, en zij voelde zich tot hem heengetrokken met een onweerstaanbare macht, waaraan zij niet eens trachtte te ontkomen.