Vlindertje: een Haagsche roman
Part 2
En dan, wat mooi aangaat vond hij, zelfs in de grootste kunst, of de beste literatuur, is er toch nooit iets zóó moois, dat zóo leeft, en zoo heelemaal echt en waar is, als het mooi van een mooi meisje. Dát is toch altijd het prachtigste wat er is. Hij had wel eens hooren zeggen: „wat is dat nu, een mooi meisje, dat is toch geen verdienste!” Maar hij vond dat wel degelijk een héél groote verdienste. Zelfs als zoo’n meisje niet bijzonder fijn voelde of niet veel wist, of niet erg ontwikkeld was.—Een mooi meisje is toch nog mooier dan een mooie bloem. En denkt een bloem? Is een mooie bloem ontwikkeld?
Ellie was véél mooier dan de mooiste bloem, dan de schitterendste ster aan den hemel, vond hij. En dát was het vooral, het gevoel dat niets in het leven, of de literatuur, of de kunst hem kon geven, het gevoel van nu héélemaal tevreden en voldaan te zijn van rustig, zéker, veilig geluk, dat altijd zal blijven, en nooit minder worden, dat gaf hem alleen het mooi van Ellie’s meisje-zijn. Een lijn van haar hals, een ronding van haar arm, de om-van-te-weenen teedere lelie-witheid van haar borst, de fijne omtrek van haar enkel, een eenvoudig handgebaartje, een vriendelijk knikje, álles, álles van haar was mooi, en het was méér dan mooi, het was lief, en intiem, en vertrouwd, ja, het was goed. Goéd, dat voelde hij zóó, dat als je bijvoorbeeld heel ellendige dingen dacht, van misère, en onrecht, en wreedheid en zoo, en je twijfelde aan alles, dat je dan ineens, enkel door een lief gebaartje van haar hand, of door het voelen van de vriendelijkheid van haar lachje, wist, dat álles tóch in orde, dat álles malgré tout tóch goed was. Nu leek het wel, of er in ’t geheel geen verband kon bestaan tusschen háár en al de wereld-dingen buiten haar, maar tóch voelde hij het zoo voor zich.—En zij was zelfs het centrum van al die dingen, dát, waarom ze eerst waarde voor hem kregen. De mooiste: een mooie schilderij, een mooi vers, en mooie muziek, ze gaven hem een heel groot geluk, maar toch wist hij, dat wat hij voor Ellie voelde, véél inniger nog was dan het gevoel voor die schoonheid.
Zijn teêre, een beetje meisjesachtige ziel was eigenlijk wat schuchter en bang in het leven dat hij om zich heen zag. Het kwam misschien door zijn lichtelijk anemiek gestel, door het wat zwakke, fijne, edele bloed van een te oud geworden, te weinig vermengd aristocratenras, maar hij was niet erg hartstochtelijk van temperament, en de harde ruwheden van passie, die hij òm zich wist, irriteerden hem met een afkeer van vage walging. Hij wist dat het kinderachtig werd gevonden, en hij er met een soort medelijdende verachting om werd aangekeken, maar hij had in ’t geheel geen neiging voor wat zijn kameraden „de vrouwen” noemden. Wel moest hij enkele keeren meêdoen aan jongeluis-fuifjes, en kwam hij bij die gelegenheden met Haagsche vrouwen van minder-allooi in aanraking, maar hun platheid en hun ongracieuze, ruwe manieren hadden hem altijd gechoqueerd, en nooit was hij met ééne van haar intiem geworden. Hij voelde heel goed het lieve en aantrekkelijke van enkelen, die nog een mooi figuurtje en een prettig, lachend gezichtje hadden, maar zoodra hij een grof woord hoorde of een lichtelijk obsceen gebaar zag, was zijn afkeer grooter dan zijn zinnelijke opwelling kon zijn. Hij werd dan ook een unicum in het corps gevonden, omdat hij nog „maagd” was, zooals ze dat noemden. Je bent óók „Le Vierge”, had van den Bergh van de grenadiers, een van zijn goede kennissen, tegen hem gezegd, toen zij samen in de stad het boek van Valette met dien voor hem zoo vreemden titel eens voor een boekwinkel zagen liggen.—En dat was Pim ook altijd gebleven. Dat hij daarom niet slap of verwijfd was, had hij bewezen bij de laatste Clingendaal-wedstrijden, toen hij den grooten hurdle-race had gewonnen, en hij werd dan ook algemeen voor den besten ruiter van het regiment gehouden. Maar zijn ziel neeg nu eenmaal naar het zachte, fijne, teedere, meer dan naar het harde, bruyante, en hevige.
En Ellie was het zachtste, fijnste, teederste wat er voor hem bestond. De droomerige schijn in haar diepe, blauwe oogen, de rozige blos op haar wangen, het lelieë blanke van haar huid, haar vriendelijk, zacht sopraanstemmetje, haar gracieuze bewegingen en gebaren, en al de broze, ijle, blanke, fluweelig aanvoelende dingen, die bij haar behoorden, alles van en òm haar was aangepast aan zijn ziel, en gaf hem behagelijke, wèldadige rust. Er was een atmosfeer van maagdelijkheid om haar heen, waarin hij zijn ziel voelde als een lelie in heilige lucht. Zóó was het goed, in háár sfeer, zóó met dat blanke, en zachte, en kuische, en zóó was hij tevreden, niets méér verlangend, in rustig evenwicht van geluk....
En het was haar kinderlijke blijheid, haar onwetende, onbezorgde vroolijkheid, die hem zelf óók er bovenop hielden. Het enkele feit dat zij bestond, en hier op de aarde liep te lachen en plezier te hebben, maakte dat hij zich eigenlijk óók altijd gelukkig voelde, al zag hij vlak in de droefste waarheden, die hem somtijds ineens aankeken vanuit den anderen kant van zijn bestaan, dáár, waar Ellie niet was. Die konden hem toch nooit ongelukkig maken, en hem zóó aanpakken, dat hij de veilige overzijde er voor altijd voor overliet, waar hij in de vreugdesfeer van Ellie leefde. Hij kon niet ongelukkig zijn en ook niet zijn leven besteden aan het helpen van ongeluk en het strijden voor wat hij waarheid en recht wist, zoolang Ellie er was om zich aan te wijden. Omdat zij er was, voelde hij zijn leven, zooals hij het nu leefde, als goed en wèlbesteed. Zij vulde zijn geheele bestaan, dat geen leegte kende zoolang zij er was, en ook geen behoefte had aan méér dan haar. Intieme vrienden had hij dan ook weinig behalve één, die eigenlijk te groot voor hem was om intiem te durven zijn, wèl goede kameraden en kennissen, die aan de oppervlakte van zijn leven veel bij hem waren. Hij ging erg joviaal met hen om, en dacht zelf ook wel, dat zij beste, intieme vrienden van hem waren, maar als hij hen allen eens verloren had zou hij tóch niet ongelukkig of eenzaam zijn geweest, als Ellie maar overbleef. Ook hield hij veel meer van zijn paarden en honden. Die waren zoo héélemaal wáár en eenvoudig, vond hij, en zoo gemakkelijk om te begrijpen. Je kon er zoo op áán, en ze waren zoo oprecht in hun simpele natuur. Balder en Isolde, zijn lievelingspaarden, waren hem lief als de beste vrienden, en hij werd zelden gezien zonder een van zijn mooie honden, Hector, een pracht van een pointer, Karl, een groote koningspoedel en Jim, een fijne fox-terrier van het edelste ras. Jim was de favoriet omdat Ellie hem zoo vertroetelde en zoo dikwijls kuste.
Pim was bij de Haagsche uitgaande jongemeisjes erg gezien, en had overal vriendinnetjes, in de meest verschillende kringen, maar zij behandelden hem eigenlijk allen meer of min als een soort prettigen broer, wien ze alles konden vertellen, en met wien ze vrij en intiem konden omgaan, zonder een mogelijke „partij” in hem te zien. Hij was haar te veel verwant, door het zacht-vrouwelijke in zijn natuur, en het was somtijds of hij eigenlijk óók te veel meisje was, en het haar daardoor onmogelijk zou zijn, op zoo iemand te verlieven. Ook was hij voor een man te klein, en te weinig forsch. Hij was wèl een mooie jongen, erg blank, erg aristocratisch, maar een beetje té mooi, te veel naar het vrouwelijke toe, met dat soms nog zoo kinderachtig lijkende, baardelooze gezicht, en die zachte, onschuldig-blauwe oogen, als van een maagd.
„Je bent niet flink genoeg tegenover vrouwen,” zei zijn vriend de Sandt wel eens, „ik zou bijna zeggen je bent niet bruut genoeg. Zoo’n héél klein beetje bruut, dat heb je eigenlijk noodig tegenover vrouwen. Je bent altijd zoo poeslief, kerel, en daar houden ze niet van, geloof me!”
En Pim voelde het ook wel, dat hij eigenlijk geen kerel genoeg was, en dat hij door de meeste meisjes zoo’n beetje als een soort broer werd behandeld die niet gevaarlijk kon worden. Zelfs in een stad als den Haag, waar zooveel besproken wordt en de kleinste incorrectie stof tot laster geeft, was nooit gekheid gemaakt op zijn intiemen omgang met Ellie, die toch eigenlijk geen zuster van hem was, en met wie hij zich elken dag in ’t publiek vertoonde. Van een ander in zijn plaats zou misschien gesproken zijn, maar niet van hem. Hij was immers maar „de kleine Pim”, „het kleine huzaartje”, dat geen kwaad zou doen! Maar hij wás nu eenmaal zoo, hij kon er niets aan doen, en hij verlangde ook niet anders. Zijn weinig onstuimige natuur, waarin nog geen hartstocht was uitgebarsten, had volstrekt geen behoefte aan hevige sentimenten, en gloeiende kussen, en hoog-gaande liefde-scènes, die het bijna religieus mooie van rust en vrede, dat hij in meisjes zag, voor hem zouden bederven. Hij had genoeg aan de gratie van hun wezen, en als er maar een mooi meisje bij hem was, met fijne lijnen en gevoelige gebaren, was het of een liefelijke harmonie van muziek zacht door de stille onbewustheden van zijn maagdelijke ziel klonk. Hij was haar dankbaar, alsof zij hem áldoor groote weldaden bewezen, alleen als ze maar mooi waren; en gracieus, en gevoelig, en een rank figuurtje, een nobel-gewelfde buste, een paar fijne, blanke handen waren de groote vreugden van zijn leven, dat nu eenmaal bestond van wat bevallig, lief en aangenaam van rythme, en kleur, en gebaar was.
Dat luchtige wezentje van niets dan uiterlijkheid en schijn, dat teedere en „frêle objet d’art” dat het echte Haagsche dame-meisje is, had Pim bestudeerd zooals een kunstkenner schilderijen. Hij wist de vage geheimen en nuances van haar toiletten als een ingewijde, kon voor dit of dát meisje een costuum teekenen, als een artiest van het vak, en zag als bij intuïtie welke fijne nuance van kleur alléén paste bij welken toon van haar, en welken teint van gelaat. Goede, intieme kennisjes raadpleegden hem zelfs bij het inkoopen van dasjes en linten, en vroegen zijn oordeel bij het kiezen van een kleur zijde of satijn voor een toilet. En het was bij hem zonder een zweem van poenerigheid of pedanterie, dat hij zoo’n specialiteit was op dat gebied, waar hij als man niet behoorde, het was enkel de artiest in hem, die genoot van de kleuren en lijnen van mooie vrouwen, even oprecht en innig als een andere zijn vreugde vindt in de mooie natuur van luchten en landschappen en horizonnen buiten.
Een mooi meisje kon bij hem geen kwaad doen, en hij dacht er nooit diep over door, dat de schoonheid, waar hij zoo van genoot, toch maar schijn van buiten was, en daarom nog géén afspiegeling van ziele-mooi van binnen. Het ephémère, vluchtige, onbeduidende van al die fladder-leventjes viel hem niet op, in zijn verrukking over het liefelijk rythme hunner verschijning. „A thing of beauty is a joy for ever”, dat was zijn antwoord, als iemand hem verweet, dat hij te veel naar ’t uiterlijke mooie van vrouwen keek. Dat die vage schoonheid als die van vlinders en bloemen is, die dra vergaat, hij wilde er liever niet over denken. Hij dúrfde ook niet, hij was er te zwak voor, en hij was véél te blij, dat het goed ging met zijn leven, zooals het nú was. Met die meisjes-, en vrouwen-vereering, en als innigste uiting daarvan zijn reverentie voor Ellie, die bijna een godsdienst was, zóo onvoorwaardelijk en blindelings van geloof, stond of viel zijn geheele bestaan.
Hij voelde absoluut niet als „verliefd” op Ellie, en hij had ook nooit gedacht dat zijn innige houden van haar iets anders zou kunnen zijn dan de groote vriendschaps-gehechtheid van een broer. Natuurlijk hield je toch véél meer van je zuster dan van anderen, vond hij, dat sprak van zelf. Het feit, dat ze in ’t geheel niet zijn zuster wás, dat ze eigenlijk precies voor hem was als ieder ander meisje, zag hij absoluut niet, juist omdat het zoo vlak voor de hand lag. Als hij intiem met haar in haar boudoir zat, en hij haar, bijvoorbeeld als zij jarig was, weleens kuste en door haar gekust werd, zooals hij dat gewoon was te doen, sedert dien dag, dat hij voor ’t eerst in haar kamer had gestaan, dan was dat niets bizonders voor hem. Hij was toch haar broer! Ook was hij er nooit onrustig of zenuwachtig van geworden, en had hij zich nog nooit verlegen tegenover haar gevoeld. Het gaf hem juist zoo’n weldadige, behagelijke rust, bij haar te zijn. Heelemaal niets van geagiteerdheid of zoo. Zóó als het nu was tusschen hem en Ellie, was het goed, en dat was juist het heerlijke voor hem, dat voldane, tevredene, veilig-weldadige, dat als een zachte harmonie in hem vloeide als hij bij haar was. Als hij niet voor haar voelde of ze zijn zuster was, als hij haar anders liefhad dan als een goede kameraad, die tevens artiest was, en met vreugde het mooie genoot van haar uiterlijke verschijning, dan moest dat gevoel in de verre onbewustheden van zijn diepste wezen slapende zijn, als een kind in moeders schoot, dat nog niet bewogen heeft.
HOOFDSTUK III.
Toen Ellie van Taats zestien jaar was, had haar vader haar op een kostschool gedaan van de Hernhutters, in Neuwied.
Daar was ze bizonder streng opgevoed, met orthodox-christelijke principes, en het geheele onderwijs was van godsdienstige bespiegelingen doortrokken, als van een essence. De groote evenementen in het jongemeisjesleven daar bestonden uit de predikingen van een’ geliefden, jongen dominé. Alle meisjes dweepten met hem, en aanbaden hem als een heilige, die Jezus Christus naderbijkwam in vroomheid en geloof. Er waren er, die zwoeren, afstand te doen van alle aardsche dingen, en hun geheele leven aan den godsdienst te wijden. Een geest van fanatisme ging over de pensionaires.
Ellie’s jong, ontvankelijk gemoed kwam al heel gauw onder den indruk van haar omgeving, en zij schreef opgewonden brieven naar huis over den godsdienst, die haar vader verbaasden. Langzamerhand werd het al erger. Zij verweet zich, dat zij eene zondares was, jammerde over de kleinste tekortkomingen, als een jokkentje of een klein koketterietje, en verheerlijkte den geliefden dominé in vurige, pathetische bewoordingen, als een nieuwen Heiland.
Ten laatste hinderden haar geëxalteerde brieven haar vader zóó, dat hij, toen zij pas een jaar op het pensionaat was geweest, besloot, haar maar weer thuis te nemen, vóór het te laat was. En zoo kwam Ellie op haar zeventiende jaar van de kostschool in den Haag terug.
In ’t begin nog onder den indruk van den geest van vroomheid en „Entsagung”, die haar een jaar overheerscht had, wilde zij niets van het mondaine leven weten, en weigerde zij beslist om uit te gaan. Maar binnen een paar maanden had het Haagsche leventje haar inééns ingepakt en was het dwepende bakvischje van de kostschool een echt Haagsch „dame-meisje” geworden.
De oude heer van Taats, die een afkeer had van godsdienstdwepen en fanatisme, had alles gedaan om Ellie van haar religieuze droomerijen af te brengen.
Hij had zijn ongetrouwde nicht Joséphine in huis genomen, en haar opgedragen, voor Ellie een slaapkamer en een boudoirtje zóó in te richten dat zij niets meer zou kunnen verlangen. Hij bewoonde een groot, nieuw gebouwd huis op de Koninginnegracht éven voorbij de brug van de Javastraat. Zooals de gewoonte was geworden bij den bouw van de Haagsche nieuwe huizen, was aan ééne zijde een soort toren uitgebouwd, in imitatie van oude kasteelen. En in dien toren was Ellie’s boudoir, zoodat ze zich wel eens verbeeldde, een prinsesje te zijn, en het altijd met zekeren trots haar „toren” noemde. Nicht Joséphine moest met Ellie de nieuwste en beste toiletjes gaan bestellen, die bij de voornaamste modistes waren te krijgen, en kreeg carte blanche, om alles aan te schaffen, wat een deftig dame-meisje uit den Haag maar noodig kan hebben.
Daar was Ellie al gauw voor bezweken, en de godsdienstige dogma’s en strenge leefregels waren uit haar zieltje verdwenen voor de charmes van elegante toiletjes en wereldsche amusementen. Binnen korten tijd was ze aan bevriende families en kennissen gepresenteerd, en was het bekend, dat Ellie van Taats „uitging”.
Zij werd lid van een tennisclubje, van een fietsclubje, en van een dansclub, ging naar het Kurhaus, naar de opera, en naar concerten, en van het dwepende, vrome kostschoolmeisje was eindelijk niets meer over dan een vage herinnering in haar, dat ze ééns zoo’n vreeselijk nuchter, dom gansje was geweest, dat nog niets afwist van de wereld.
Ze had nu wel wat anders te doen dan bijbellezen en de aanteekeningen uitwerken, die zij maakte onder de preêken van den geliefden dominé.
Ellie’s leven werd het geheele jaar door gevuld door de verschillende Haagsche amusementen, en nooit voelde zij haar bestaantje leeg van verveling.
’s Winters, als het mooi weer was, maar vooral in de lente, nam de tennis-club haar in beslag. Dat werd dan een tijdje een „rage” bij haar, en ze ging er héélemaal in op. Ze werd dan een echt „tennis-meisje”, zooals Pim dat plagend noemde, en den geheelen dag praatte zij over rackets, en scores, en games, of het de gewichtigste dingen van het leven waren. Ze was bekend als een goede, ijverige speelster, zoolang het Kurhaus haar nog niet van het spel aftrok. ’s Ochtends vroeg fietste ze naar de terreinen van Leimonias, kwam om één uur even terug om koffie te drinken, en peddelde om twee haastig weer weg naar de lawn. Ze had een echt gezellig clubje van dame-meisjes en jonge heeren, en was zelfs als Presidente gekozen in de commissie, waar haar voornaamste bemoeiingen bestonden in het arrangeeren van fuifjes en het zorgen voor fijne schoteltjes. En ze was er zóó populair, dat ze van drie heeren tegelijk de sleutels had van de délicatessen-kistjes, waaruit ze somtijds de dames fijne sweets presenteerde, een eerepostje van vertrouwen, waarop alle tennis-meisjes trotsch zijn. Zij was dan ook een echte favorite in het clubje. In die tennis-periode was het groote evenement in haar leven als zij op de score-tafel mocht zitten, om het koord te houden. Op het bal in de Théater-zaal van het Kurhaus, na een groote match, had zij haar balboekje een week te voren al vol, en de beste spelers vroegen haar altijd om in de heeren- en dames-double met haar uit te mogen komen.
Er was iets in dat tennissen, dat precies aanpaste aan haar luchtige, bewegelijke natuur. Zóó voelde ze zich heelemaal zooals ze wezen moest, als ze met vlugge stapjes over het tennis-veld vloog, en met sierlijk gebaar serveerde, of met een bevallig zwaaitje de racket omhoog wierp bij het tossen. Ze had dan iets eigenaardig lichts in haar rythmisch bewegen, als een vogeltje, dat de vlerken uitspreidt en straks vliegen gaat. Ze tenniste meestal in heel eenvoudige, witte costuumpjes, waaraan ze door smaakvol aangebrachte strooken en kanten en volants iets wuivends, heel luchtig transparants wist te geven, dat bizonder mooi deed in ’t loopen.
Eens, jaren geleden toen ze nog een bakvischje was en ze wijde pofmouwen droeg, die in een sterken wind heen en weer wapperden, had Pim lachend, zonder bedoeling, gezegd, dat ze wel een vlindertje daarmee leek. Later had hij dat, bij het tennissen, nog eens herhaald en ineens, zooals het met bijnamen gaat, was het tennisclubje haar „Vlindertje” gaan noemen. Kennissen hadden het gehoord, en weêr aan anderen overgebriefd, en zóó was Ellie ineens in den Haag „het Vlindertje” geworden, dat bijna iedereen van aanzien kende.
Pim vond het in ’t begin erg jammer, dat hij haar zoo een bijnaam had bezorgd, maar later, toen hij wist, dat ze het eigenlijk wel aardig vond, had hij het juist uitstekend gevonden. Want was ze niet echt een vlindertje, zijn zuster? Fladderde ze niet net zóó, onbewust, op gracieuze rythmen, blank en blij door het leven, en zocht ze niet geluk in alles wat lief en licht was van kleur? Was ze niet even broos en teeder als een vlindertje, om even voorzichtig mee om te gaan, en enkel te beroeren met fijne, eerbiedige vingeren? Was er iets mooiers te bedenken om met Ellie te vergelijken, dan zoo’n transparant, gevoelig wezentje van rythme en teêre kleur, zacht-wiegelend in licht en blijden zonneschijn?
Ook als zij op haar fiets zat, met het luchtig wapperende rokje om de fijn gelijnde beenen, en de broos-geënkelde voetjes vlug rondvliedend op de pedalen, leek ze wel zoo’n rythmisch lucht-wezentje, voortfladderend in zwierigen zwaai van bevallig gebaren.
En als Hagenaars over haar spraken was het zelden over Ellie van Taats, maar bijna altijd over „het Vlindertje.”
Als nicht Joséphine of pa haar wel eens beknorden, dat zij zoo weinig thuis was, en altijd maar uitging, zeide ze zelf lachende: „Maar ik ben toch immers het Vlindertje? Die zit immers nooit stil? Die fladdert toch altijd uit, van ’t eene op ’t andere!”
Ook ’s winters was er genoeg te doen voor een dame-meisje als zij. Daar had je ten eerste „de stad” ’s middags. „De stad,” dat is de Hoogstraat, de Veenestraat, de Spuistraat, de Passage, de Lange Pooten, de „stad” zooals je nergens in Holland, ook niet in de Kalverstraat in Amsterdam, iets zóó gezelligs terugvindt. In „de stad” gaat zoo’n dame-meisje met een oude dame of met eene vriendin „boodschappen doen,” of als ze ’t heel deftig zegt „shopping”, ontzachelijk gewichtige wereld-dingen, als stalen zien bij Emmerechts of Haefely, handschoenen koopen bij Laimböck, schoenen aanpassen bij Berenbak, lintjes en dasjes uitzoeken bij Michel, onmisbare nietsjes bij Manusje van Alles, snoeperijen bij Krul of Sprecher, fijne broodjes bij Lensvelt Nicola, en o! zooveel prettige comissies méér. Vooral tegen St. Nicolaas wordt dat echt gezellig, als het overal zoo druk is, en de winkels op hun mooist zijn. Dan trippelt zoo’n dame-meisje heel geäffaireerd over het trottoir, verbazend ingespannen met kleine pakjes aan touwtjes, of àl haar gedachten gewijd zijn aan het lastige, moeilijke shoppen. Maar het is niets dan lieve schijn, dien ze om zich doet, want ze gaat in „de stad” zooals ze ’s zomers naar het Kurhaus gaat, alléén om van haar liefelijkheid aan de menschen te laten zien, en bewonderd te worden, en zich begeerlijk te maken. Ze weet ook wel, hoe charmant die gewichtigheid van „boodschappen doen” haar staat, en ze weet op welk uur ze die en die kan tegenkomen, en eerbiedig gegroet worden door dezen en genen. Daar heeft zoo’n wezentje van glans en gratie nu eenmaal behoefte aan, en ze ziet ook in „de stad” alleen het prettige en aangename, dat haar streelt en huldigt, en ze gelooft in den schoonen schijn. Je ontmoet er al de kennissen, en blijft even wat staan praten op het trottoir, of in een winkel, je loopt eerst heelemaal naar het Plein om iets te bestellen, gaat dán in ’t Noordeinde iets halen, en bedenkt dán ineens dat je in de Pooten iets „vergeten” hebt, om nógeens door „de stad” te kunnen teruggaan, en omdat je dan tóch bij Sprecher of Monchen bent heb je ineens dollen lust in gebakjes of een plombière en een likeurtje. En als je naar Monchen gaat moet je langs „de Witte,” dan moet je heel zedig vóór je kijken, want daar zitten heeren die je kent, en je ziet ze tóch allemaal, ofschoon je niet dien kant op moogt kijken. Want een Haagsch dame-meisje ziet altijd iemand eerst recht als ze in ’t geheel niet naar hem kijkt. Ook vóelt ze, bij intuïtie, dat iemand naar háár ziet en haar bewondert, al loopt die iemand achter haar, zoodat haar oogen hem niet bemerken. En zonder die intuïtie zou „de stad” niet zoo aantrekkelijk voor haar zijn.