Vlindertje: een Haagsche roman
Part 14
De avond begon nu al dichter neder te vallen, met donkerder en donkerder schaduwen. O! Kon ze zich nu maar voor altijd verstoppen in dat donker, dat niemand haar meer zag, en dat zij zelf de oogen niet meer behoefde dicht te doen om niets meer te zien van al dat leven, dat zoo wreed was, en haar niet meer wilde kennen!
O! Niet meer te weten, niet meer te herinneren, en in vergetelheid zachtjes wègdroomend te vergaan!
In wanhoop staarde zij voor zich uit, als wilde zij iets vinden, dat haar genadiglijk zou opnemen, waar zij zich uitgestooten voelde van de menschen, voor goed.
En opééns voelde haar ziel de zee....
Donker en eindeloos was het vóór haar, het reine wereld-water, op eeuwigen adem deinende, vér en vér....
Het was een oneindigheid, in het vallende duister, die zij meer voelde dan zag, en die zij sidderend hoorde, in de ruischende muziek van haar majestueus rythme.
Daar riep haar iets, van uit die verre verten; iets dat haar ziel herkende, of ze het méér gehoord had, of ze er eenmaal één mee was geweest....
En het werd haar op eenmaal licht en vreemd te moede, of zij wonderlijk droomde.
Ze zag even om, naar het Kurhaus terug, waar zij de werkelijkheid dacht te zijn.
Maar alles vervaagde, en zonk er zachtjes weg, als voor het láátst. Een ijle avond-nevel was over alle dingen gegleden, die er lucht in vervluchtigden, als wèg in het niet. Vreemd schenen daarin lantaren-lichtjes hoog boven op het terras, in flauwe verdooving. Het leek alles herinnering en ver verleden, om ééns geweest te zijn, maar niet meer terug te komen. Het Kurhaus was een zachte schaduwing van donkere vormen, onzeker en onreëel als een paleis uit een nevelig sprookje, in de fantasie van een kind. En Ellie voelde het aan, of het was van jaren her, en niet meer van haar leven.
Dat leek opééns nu alles ver, zoo heel vaag en ver, nu haar ziel zoo sidderend gevoeld had de eindeloosheid van het wereld-wezen, in het machtig ruischen van de zee!...
O! Hier was het goed, hier was het goed, in dat genadevolle duister, dat zij om zich voelde vallen als een veiligen, alle schande bedekkenden mantel, zoo luidloos, zoo liefderijk voorzichtig, zonder zwaarte om haar heen....
Hoe zacht verging het daar alles òm haar, hoe gleden de dingen onhoorbaar weg, zonder pijn, in dien rustigen droom van den avond, kalm en vreezeloos, als kinderen, die slapen gaan!
Ze was nu moê, heel moê. Ze wilde nu ook wel héél graag slapen en niet meer weten.
Eigenlijk was ze al heel lang zoo moê geweest, en had ze nooit meer de reine, onbewogen rust gekend, als die ze nu zag droomen over de wereld, in dezen teeder-ademenden avondnacht.
Sedert haar maagde-ziel gebeefd had onder den donkeren blik van een man, had daar een weeë, bange onrust in haar gewoeld, die niet haar innige wezen was. Die liefde had haar ziel toch eigenlijk maar droeviglijk beroerd, met vreemde huivering van pijnigend verlangen. En eigenlijk was ze altijd bang geweest, heel bang, voor iets dat breken zou, het teerste in haar, door dat verlangen naar dien lieven, en toch altijd vaag-vijandigen man.
Maar nu was ze te moê, te moê, o, veel te moê. Te moê was ze van lieven, en te moê van bang zijn, en te moê van schreien, en van alles.... En niets zou nu meer helpen, het was te laat.... Ook niet Maurice meer, al kwam hij biddend terug, om haar weer op te nemen in zijn armen.... En ook niet Pim, haar lieve, trouwe broer, haar jongen, met zijn vriendelijk, blond pagegezicht, en zijn trouwe blauwe oogen....
Het was gedaan, en vér verleden, en het zonk alles voor haar weg, zooals de werelddingen òm haar, verdroomend in nevelig duister....
En ook zij moest nu maar weg, ze voelde het, ze hoorde er niet meer en had er niets meer over. Ze was nu leeg, van alles los, en moest nu ook maar stil verdwijnen in het niet, in die eindelijk weergevonden rust, die het veilig thuis was van haar ziel, wèg van al dat lieve en toch zoo bange, dat zoo droef beroerde wat vroeger vrede in haar was....
Zij voelde zich loopen, een wandelpier op, langs groote, glibberige steenen, aangetrokken door de zee, die haar vanzelf deed voortgaan.
Nu was zij op het uiterste eind gekomen, ze kon niet verder.
Wat nu?.... wat ging ze doen?.... droomde zij?.... hoe stond ze daar nu zoo ineens, zonder iemand, héél alleen, een arm, klein schepseltje, daar bij die groote, groote zee?....
O ja.... o ja.... de schande, de schande.... het vuil, het vreeselijke, vieze vuil van de wereld.... het was op haar hoofd, op haar hals, op haar lijf, het was héél binnen in haar gekropen, en het sijpelde in haar door, vèr door haar ziel....
De zee, de zee kan het afwasschen.... de zee is groot, en goed, en eeuwig rein.... Het moet wel héél zalig zijn, daar zoo heel diep onder de zee te liggen, van alles wèg, en overal is water om je, en alles wordt weer rein, wordt weer heerlijk schoon, en niets kan nu ooit meer smetten.... Boven gaan de golven nog rusteloos, maar wat moet het daar onder rustig zijn.... zoo rustig, en zoo vredig, en zoo stil....
Een vreemde aantrekking, zacht en bedwelmend, deed haar overbuigen naar het water.... haar voet gleed uit op een glibberigen steen, en ze viel voorover, de handen uitslaande naar een steunpunt in het leege, in de machtig-ebbende zee....
En als een arm, nietig vlindertje, dat verongelukt in wijden, wijden plas, en trilt nog wat spartelend met de natte wiekjes, en zinkt dan, droef-gehavend, zóó dreef het broze figuurtje van het maagd-meisje nog éven boven, een wit, bevend vlekje op de donkere golven, en zonk toen weg, klaaglijk en hulpeloos, in de diepten van de zee....
September—November 1900. Scheveningen—Amsterdam.